Adrien Servais, dé rondreizende negentiende-eeuwse cellist

Servais rond 1862 – © Servaiscollectie Halle
Sinds 1871 staat in het midden van de Grote Markt van Halle ten zuiden van Brussel een standbeeld op een natuurstenen sokkel. Een tekst op de voorkant van de sokkel:

A, ADRIEN FRANÇOIS SERVAIS, NE A HALLE 6 JUIN 1807, Y DECEDE LE 26 NOVEMBRE 1866.

…deelt te weinig mee over de afgebeelde. Twee Nederlandstalige opschriften, pas aangebracht op het einde van de twintiger jaren van vorige eeuw, verduidelijken ook al niet. Gelukkig spreekt het standbeeld voor zich: een rechtopstaande musicus in een kleed met cello en strijkstok.

Servais werd op 6 juni 1807 geboren te Halle waar hij op 26 november 1866 zou sterven. Hij was cellist, dirigent en componist. Zijn vader Jean Baptiste was schoenmaker. Hij, die ook kerkzanger en violist was, gaf zijn zoon zijn eerste muzieklessen.

- advertentie -

Het eerste instrument dat Servais bespeeld heeft,



Servais rond 1842 – Litho van Josef Kriehuber

was een klompviool of holleblok in het Zuid-Nederlands, een klomp waarover gedroogde en bewerkte varkensdarmen of afgedankte snaren gespannen waren. Zijn moeder, die haar zoon zou overleven, was Joséphine Bande.

Het duurde tot 1824 vooraleer Servais ontdekt werd door markies Jules de Sayve. Gelukkig gaf die amateurviolist hem geen bijlessen, maar stuurde hem door naar Corneille vander Plancken, eerste violist bij de Koninklijke Muntschouwburg te Brussel. Al in 1827 werd Servais bekoord door de cello die zijn lievelingsinstrument werd. Hij kreeg les van de Franse cellist Nicolas Platel van de École Royale de Musique te Brussel.

Daarna begon zijn carrière. Hij werd solocellist bij de Koninklijke Muntschouwburg. Van 1848 tot zijn dood was hij celloleraar aan het Koninklijke Conservatorium te Brussel. Hij was een aandachtig en gedreven leerling en werd al snel een virtuoos cellist die het in het buitenland zou maken.

Hij beperkte zich niet tot het spelen-op-zich. Hij spitste zich ook toe op het verbeteren en ontwikkelen van de cellotechniek, wat tot zijn Europese faam bijgedragen heeft. Hij introduceerde nieuwe speltechnieken en hechtte veel belang aan het linkerhandspel. Hij paste die dingen niet alleen in zijn spel toe, maar verwerkte ze in tal van composities: zijn “Six Caprices” worden nu nog in muziekscholen en conservatoria aangeleerd. Door zijn optredens in een groot deel van Europa heeft hij het gebruik van de cello als solo-instrument bekend gemaakt en gepromoot. Door die ingrepen heeft hij de Belgische celloschool internationale bekendheid gegeven. Dit alles heeft tot zijn internationale carrière bijgedragen.

Nog in de eerste helft van de negentiende eeuw werd de cello tussen de benen geklemd en steunend op de kuit bespeeld. Dit leidde tot krampachtige strijkbewegingen en moeite bij het bespelen van lage klankregisters. Om dat te verhelpen werd de cello vaak op een verhoogje geplaatst. Servais heeft de techniek geperfectioneerd door een een steunpin te gebruiken. Toch zou het nog decennia duren voor deze ‘uitvinding’ algemene ingang gevonden had.

In 1833-1834 reisde Servais naar Parijs. Dit betekende het begin van de reeds vermelde geslaagde internationale carrière. Vanaf dan verbleef hij bijna meer in het Europese buitenland met uitzondering van Italië, Spanje en de Balkanlanden dan in Halle en België.

In het begin van 1837 toerde hij door Nederland. Deze reis is erg belangrijk, zelfs bepalend geweest voor zijn carrière. Tijdens een concert aan het hof te ‘s Gravenhage viel hij in de gratie van prinses Anna Poulovna die hem aanprees bij haar broer tsaar Nicolaas I. Of hoe een carrière al eens op gelukkige toevalligheden kan gebouwd worden?! Door die aandacht werden oostelijk Europa en Rusland zijn belangrijkste en misschien wel geliefkoosde bestemmingen. Ten minste 9 keer deed hij Rusland aan

Servais zou tijdens zijn leven in tal van Nederlandse steden spelen: Arnhem, Breda, Delft, ‘s Gravenhage, Dordrecht, Gouda, Groningen, Haarlem, Leeuwarden, Leiden, Maastricht, Middelburg, Nijmegem, Rotterdam, ‘s Hertogenbosch, Utrecht, Wageningen en Zwolle.

Tijdens zijn eerste Russische reis van december 1838 tot juni 1840 trad hij voor de tsaar op. In 1840 financierde prinses Youssoupov een concert te Sint-Petersburg. Ze was zo geraakt door het optreden dat ze Servais een stradivariuscello uit 1701 schonk. Het instrument is te bezichtigen in het Smithsonian Institute te Washington in de Verenigde Staten.

Tijdens zijn tweede Ruslandreis in 1841 en 1842 leerde hij zijn echtgenote kennen. In juni 1842 trouwde hij met Sophie Feygin, die dertien jaar jonger was en hem zou overleven.

Zijn langste reis duurde twee jaar en zeven maanden, van december 1843 tot juli 1846. Ze voerde hem in het gezelschap van zijn vrouw naar onder meer Berlijn met een concert gedirigeerd door Felix Mendelssohn, Dresden, Lübeck, meer dan waarschijnlijk Siberië, Koersk, Moskou, Sint-Petersburg en Magdenburg.

Hoewel bijna overal in Europa opgetreden heeft en het rondzwerven met trein, postkoets, schip en zelfs troika erg vermoeiend was, leverde dat alles professioneel, familiaal en financieel nut op. Over het professionele heb ik het reeds gehad.

Familiaal. Hij leefde zijn vrouw kennen die hem zes kinderen schonk. Franz en Joseph bouwden net als hun vader een muzikale carrière op. Zijn kleindochter Marie, beter bekend als Misia Sert naar de familienaam van haar derde en Catalaanse kunstenaar-echtgenoot, was ook muzikaal aangelegd: ze heeft pianoles gehad van Gabriel Fauré. Ze was een femme du monde die het grootste deel van haar leven te Parijs doorgebracht tussen schilders, schrijvers en musici. Ze was een goede vriendin van Coco ‘N° 5’ Chanel. Maar dat is weer een ander verhaal.

Financieel. Honoraria van 1.000 of zelfs 1.500 frank waren geen uitzondering. 1.000 frank in 1861: 4.600 euro of het bedrag dat een cellist uit de absolute top vandaag per optreden krijgt. Servais leefde dan ook goed. Hij liet zich door de Nederlands-Belgische Jan-Pieter of Jean-Pierre Cluysenaer – architect van Sint-Hubertusgalerij te Brussel – een kast van villa in Italiaans-eclecticistische stijl bouwen. Hij woonde er van 1848 tot zijn dood. Hij ontving er de grote kunstenaars van zijn tijd: Rubinstein, Liszt, Léonard, Vieuxtemps… Zelfs Marie-Henriette, vrouw van de latere Belgische koning Leopold II, was er te gast. Na Servais’ dood bleef de familie er ondanks mindere inkomsten rijkelijk op los leven zodat het huis rond 1886 moest verlaten worden.

Halle leeft met herinneringen aan Servais

Standbeeld van Servais in Halle – Foto: Rik Wouters

De villa heeft door verbouwingen, gebruik als verblijf voor rijkswachters en een school en leegstaand erg geleden. Hoewel het huis geklasseerd is, blijft het verder verkommeren.

Het Zuidwestbrabants Museum bezit een kleine afdeling rond Servais: partituren, foto’s, brieven en andere interessante stukken. In 2003 ontstond de vzw Servais die de herinnering aan Servais levend houdt. Peter François is er initiatiefnemer en voorzittter van. Hij is vooral de drijvende kracht achter het toe te juichen initiatief.

Servais’ grafsteen wordt op het kerkhof bewaard. Hij heeft zelfs de verhuis van het negentiende-eeuwse kerkhof naar het twintigste-eeuwse overleefd.

Het Servaisstandbeeld werd op 1 oktober 1871 ingehuldigd. Het werd in één enkel stuk Carraramarmer gemaakt door Cyprien Godebski, Servais’ schoonzoon, die tevens het halfverheven beeldhouwwerk van de Servaisvilla maakte. Spijtig genoeg is de steunpin niet weergegeven. Er wordt beweerd dat Servais’ hart in de sokkel werd bijgezet: onderzoek om dat te staven, is echter nooit gebeurd.

Villa van Servais in Halle – Foto: Rik Wouters

Geregeld wordt er in Halle door bekende cellisten met wereldfaam muziek van Servais gespeeld.

Sommige Hallenaars gaan erg ver in hun verering van Servais. Sommigen gaan te ver. Verwonderlijk is dan ook dat enige tijd geleden in een publicatie kon gelezen worden:

Halle kan er prat op gaan het eerste standbeeld te bezitten van een cellist; pas vele decennia later kreeg ook Pablo (sic) Casals (…) een standbeeld.

Ter informatie: Pau Casals van wie er naar liefst vier standbeelden en niet alleen in zijn geboortestad bestaan, is pas negen jaar na het overlijden van Servais geboren.

Servais werd door zijn tijdgenoten die hem hebben horen spelen, terecht de “Paganini van de cello” genoemd. In aangehaalde publicatie las ik dat Casals de ‘Servais van de twintigste eeuw’ zou zijn. Deze benoeming is nieuw en houdt geen steek. Nuancering dringt zich op: terwijl Servais die in Europa opgetreden heeft, zonder moeite dé cellist van de negentiende eeuw kan genoemd worden, is Casals die zowat overal gespeeld heeft, dé cellist van de twintigste eeuw.

Servais was een virtuoos cellist met Europese faam. Servais was de negentiende-eeuwse voorloper van Casals of de negentiende-eeuwse Casals.

Het citaat heb ik ontleend aan: Anoniem. Standbeeld Servais gereinigd voor 140e verjaardag. Verschenen in: Rinfo, editie Zennevallei – Pajottenland, jaargang 35, 2 november 2011, p. 3.

Rik Wouters
Toeristische gids voor Vlaanderen, Barcelona
en gidsingen op aanvraag én maat
e-mail: rik.wouters@pandora.be

Adrien-François Servais – Souvenir de Bade. Grande Fantaisie, Op. 20

Gedenkplaat van Staf Colruyt naar een schilderij uit 1907…
[caption id="attachment_7958" align="alignleft" width="265"]WilhelmusDe Koninklijke Bond van Oranjeverenigingen (KBO) wil dat de…

Dit atikel is afkomstig van online geschiedenismagazine www.historiek.net