De Bataafse Opstand (70 na Chr.)

1

RomeinenweekIk zou dit stukje kunnen openen met de opmerking dat de Bataafse Opstand in 70 n.Chr. dé centrale gebeurtenis is uit de Romeinse geschiedenis van Nederland, maar dat zou wat onzinnig zijn. Welke andere gebeurtenissen kennen we immers in enig detail? Eigenlijk geen enkele. Dat gezegd zijnde: het verhaal is spannend en verdient het te worden verteld, vandaar dat ik er deze Romeinenweek een feuilleton van maak, gebaseerd op mijn boek De randen van de aarde (2000) en Edge of Empire (2012, met Arjen Bosman). De vertaling van de Tacitusfragmenten is van Vincent Hunink.

***
Eerste bedrijf: de crisis in het Romeinse Rijk. Als de centrale overheid niet in de problemen zou zijn geraakt, was een opstand onmogelijk geweest. Vandaar dat we beginnen in Rome, waar de senatoren, Romes bestuursklasse, het tijdens de regering van keizer Nero het hard te verduren kregen. Tot degenen die meenden dat moest worden ingegrepen, behoorde Gaius Julius Vindex. Afkomstig uit een vooraanstaande Gallische familie had hij het gebracht tot senator en gouverneur van een van de provincies in Gallië. Dat hij meer dacht als een Romeinse senator dan als een inheemse aristocraat, blijkt uit zijn pogingen de onderdrukker zo constitutioneel mogelijk te vervangen. In april 68 dacht hij een waardige opvolger voor Nero te hebben gevonden in de persoon van de man die in 41 de Germaanse Chatten had verslagen, Servius Sulpicius Galba.

Vitellius (Ny Carlsberg Glyptotek, Kopenhagen)

Vitellius (Ny Carlsberg Glyptotek, Kopenhagen)

Vindex’ opstand verliep rampzalig. Bang voor een nationale Gallische opstand als die van een Ambiorix of Vercingetorix, rukten de Rijnlegers razendsnel op tegen de rebel. Deze slaagde er niet in zijn ware motieven over het voetlicht te krijgen en verloor na deze propagandaslag ook de veldslag en uiteindelijk het leven. Ondertussen had Nero zich in Rome onmogelijk gemaakt, zodat de Senaat besloot alsnog Galba te erkennen als keizer. Nero werd uit de weg geruimd door zijn secretaris.

Tot de gewesten die niet deelden in de algemene vreugde, behoorden Opper‑ en Neder-Germanië. De soldaten hadden gemeend nuttig werk te verrichten door een Gallische opstand in de kiem te smoren, maar moesten constateren dat hun actie nu werd uitgelegd als poging Galba’s troonsbestijging te verhinderen. Ook de inheemse bevolking van het Rijnland, die prudent dezelfde partij had gekozen als de nabijgelegen legioenen, ontdekte dat ze door de nieuwe vorst werd gewantrouwd. Zo ontsloeg de nieuwe keizer zijn Bataafse lijfwacht, en dat zonder haar leden fatsoenlijk te belonen. Die belediging droeg niet bepaald bij aan de rust in het Rijnland.

- advertentie -

De onvrede kwam in januari 69 tot een uitbarsting toen het leger van Neder-Germanië zijn generaal Vitellius tot keizer uitriep. Toen Galba ervan hoorde, raakte hij in paniek, stootte voorname personen voor het hoofd, joeg de keizerlijke garde tegen zich in het harnas en werd uiteindelijk gelyncht. Zijn opvolger, Otho, was geen partij voor Vitellius, die inmiddels ook steun had gekregen van de legers uit Opper-Germanië en Brittannië. Na een zege op de Povlakte en de zelfmoord van Otho was Vitellius heer en meester van het wereldrijk.

Het was de eerste keer dat het enorme potentieel van de economie van Belgica en de Rijnlegers werd omgezet in politieke macht. Dat zou vaker gebeuren: Trajanus, het Galische Keizerrijk en later de Franken – alle profiteerden ervan dat ze beschikten over de welvarende economie van de Maas en de handel over de Noordzee.

Om Italië met een leger binnen te kunnen vallen, had Vitellius de legioenbases aan de Rijn achtergelaten met een kwart van de oorspronkelijke bezetting. Daarom stuurde hij onmiddellijk na zijn zege troepen naar het noorden, waaronder acht Bataafse cohorten, die op de Povlakte wonderen van moed hadden verricht. Ze waren al gevorderd tot Mainz, toen ze bevel kregen rechtsomkeert te maken en terug te marcheren naar Italië. Opnieuw moesten ze Vitellius bijstaan, ditmaal in zijn strijd tegen een nieuwe troonpretendent: Vespasianus, de commandant van een leger dat in het oosten een opstand van de Joden probeerde te onderdrukken. Hij benutte zijn troepen nu voor een staatsgreep. Voor de tweede keer in 69 was het Middellandse Zeegebied getuige van een burgeroorlog.

2

Ik eindigde met het verzoek van Vitellius om versterkingen. Die vroeg de nieuwe keizer ook van de commandant van de troepen die aan de Rijngrens waren achtergebleven. Over deze Hordeonius Flaccus heeft Tacitus, onze belangrijkste bron voor de gebeurtenissen van deze maanden, weinig goeds te melden. Dat komt doordat de historicus in zijn verslag van de Bataafse Opstand steeds gebruik maakt van de vertrouwde tegenstellingen tussen barbarij en beschaving, dapperheid en decadentie, vitaliteit en defaitisme. Hij laat deze tegenpolen belichamen door de Bataafse en de Romeinse aanvoerders, Julius Civilis en Hordeonius Flaccus. Ze zijn welbeschouwd niet meer dan stereotypen.

Het is mogelijk dat Hordeonius werkelijk ongeschikt was om de naderende opstand te onderdrukken, maar het is de vraag of een andere commandant het er beter vanaf zou hebben gebracht wanneer hij beschikte over maar een kwart van zijn troepen. In elk geval zag Hordeonius de problemen aankomen: hij achtte het onverantwoord nog meer soldaten weg te halen van de Rijngrens, en weigerde Vitellius de gevraagde steun.

De keizer gelastte daarop een extra troepenlichting. Die was voor de Bataafse leider Civilis aanleiding in opstand te komen. Tacitus schrijft:

Op bevel van Vitellius werd er een lichting onder jonge Bataven gehouden. Dat was op zichzelf al een last, maar het werd nog bezwaard door de corruptie en perversie van de uitvoerenden: zij selecteerden oude of zwakke mannen om die tegen betaling weer te laten gaan, terwijl ze anderzijds de mooiste jongens (en die zijn daar doorgaans al vroeg uit de kluiten gewassen) meevoerden en zich aan hen vergrepen. Dat zette kwaad bloed en er werd een opstand op touw gezet: de aanstichters bepleitten dienstweigering.

Civilis riep de stamleiders en de felste mannen bijeen in een heilig woud, zogenaamd voor een feestmaal. Zodra hij zag dat ze door nacht en vreugde verhit waren, begon hij over de roem en glorie van hun volk, om vervolgens alle onrecht en afpersingen en andere slavernijellende op te sommen. Dit was toch geen bondgenootschap meer zoals vroeger? Ze werden nu behandeld als een soort slaven!

Bataafse ruiters (Valkhofmuseum, Nijmegen)

Bataafse ruiters (Valkhofmuseum, Nijmegen)

Julius Civilis, Romeins burger, stamde uit de koninklijke familie die ooit over de Bataven had geregeerd. Weliswaar was de vorst in het Bataafse staatsbestel vervangen door een “hoogste magistraat”, maar ook zonder daadwerkelijk koning te zijn, was Civilis een vooraanstaand man, bijvoorbeeld doordat hij vijfentwintig jaar dienst had gedaan in de hulptroepen. (Hij zal dus wel tegen de vijftig zijn geweest.) Tacitus vermeldt dat de Bataaf “slimmer was dan de meeste barbaren”, een gemeenplaats die antieke auteurs van stal haalden voor elke barbaar die een Romeins leger had verslagen. Feit is echter dat Civilis wist om te gaan met de Romeinen en begreep hoe hij ze het beste kon dwarszitten.

Hij werd geleid door persoonlijke motieven. In Nero’s laatste regeringsjaar was hij, kort nadat hij zijn diensttijd in een Bataafse hulptroepeneenheid in Brittannië had afgerond, met zijn broer Paulus gearresteerd op beschuldiging van rebellie. Paulus was meteen terechtgesteld en Civilis was op transport gesteld naar Rome om zich bij de keizer te verantwoorden. Toen de Bataaf eenmaal in de hoofdstad was gearriveerd, was Nero net overleden en was hem gratie verleend. Daarop was Civilis naar Neder-Germanië teruggekeerd, opnieuw gearresteerd en andermaal vrijgesproken – ditmaal door Vitellius, die had gehoopt op deze wijze de sympathie van de acht Batavencohorten te verwerven. Zoals gezegd maakten die later inderdaad deel uit van zijn leger.

Het plechtige feestmaal in het gewijde bos waarvan hierboven sprake was, illustreert dat de Bataven nog maar gedeeltelijk geromaniseerd waren – of dat Tacitus die indruk wil wekken. Anders zouden ze immers wel in een raadhuis hebben vergaderd. Het doet denken aan wat Tacitus schrijft in zijn monografie over de Germanen:

“Gewoonlijk beraadslagen ze over oorlog en vrede tijdens feestelijke maaltijden, in de overtuiging dat de mens nooit méér openstaat voor ongekunsteld beraad of warm loopt voor verheven gedachten. Nog altijd maakt dit volk, dat zo vrij is van sluwheid en veinzerij, tijdens een ongedwongen samenzijn hartsgeheimen bekend. Hun geest ligt dan open en bloot. De dag erna [als ze nuchter zijn] wordt alles opnieuw overwogen. Voor beide tijdstippen hebben ze een gezonde reden: ze overleggen als ze niet kunnen huichelen en besluiten als ze zich niet kunnen vergissen.”

De voorlaatste zin zou weleens door Tacitus kunnen zijn verzonnen. In de Germania wil hij zijn tijdgenoten namelijk een spiegel voorhouden en daartoe plaatste hij tegenover de decadentie die hij in de Romeinse samenleving waarnam, de nobele wildheid van de Overrijnse stammen. Meer dan eens schrijft hij hun eigenschappen toe die elk volk op de randen van de aarde geacht werd te bezitten, en misschien is dat ook nu het geval. In elk geval lijkt zijn beschrijving van de Germaanse vergadercultuur op Herodotos’ verhaal over de Perzen, die hun besluiten eveneens namen in zowel beschonken als nuchtere toestand.

3

Civilis, tweemaal gearresteerd maar nooit veroordeeld, had goede persoonlijke redenen om een opstand tegen de Romeinen te organiseren: wraak op de moordenaars van zijn broer. Het is bovendien aannemelijk dat hij, al is het maar even, heeft gedacht aan het herstel van de koninklijke macht die zijn familie ooit had bezeten. Civilis’ motivatie verklaart echter niet waarom anderen meededen. Zij hadden hun eigen beweegredenen.

De opstand van de Bataven (uit: “Edge of Empire”)

De opstand van de Bataven (uit: “Edge of Empire”)

De Romeinse historicus Tacitus legt de Bataafse leider een toespraak in de mond waarin deze de corrupte praktijken van de rekruteringsofficieren presenteert als het bewijs dat de Romeinen de Bataven niet beschouwden als bondgenoten, maar als onderworpenen. Het is de vraag of Tacitus hier werkelijk de strekking weergeeft van de woorden waarmee Civilis zijn stamgenoten overtuigde: de corruptie van de Romeinse imperialisten is een van Tacitus’ stokpaardjes. Of de ronselaars werkelijk zo corrupt waren als Tacitus ons wil doen geloven, staat dus te bezien. Het feit dat hij oude mannen, gebrekkigen en jonge mannen noemt als rekruten, suggereert iets anders dan corruptie, namelijk dat de Romeinse ronselaars de grenzen overschreden van wat mogelijk was. Van vrijwel elk Bataafs gezin diende al een zoon in de hulptroepen, méér was simpelweg onmogelijk. De opstand is vermoedelijk wel degelijk een reactie op Vitellius’ geforceerde rekrutering, maar het heeft minder met corruptie te maken dan met gebrek aan realiteitszin.

Soms legt de Romeinse auteur de Bataafse leider in de mond dat hij de vrijheid van de Bataven verdedigt. Helaas streven barbaren in de antieke letteren altijd naar vrijheid, dus we kunnen te maken hebben met een cliché. Bovendien beweert Tacitus ergens anders dat het de Bataven níet ging om de vrijheid maar om de roem.

Een extra complicatie is dat onduidelijk is wat met vrijheid wordt bedoeld: de onafhankelijkheid van de stam of de autonomie van de elite. Dit laatste zou historisch waar kunnen zijn, want de Julii, de eerst generatie inheemsen die het Romeinse burgerrecht kreeg, waren niet langer de enige Romeinse burgers: sinds keizer Claudius was in heel Gallië een tweede generatie Romeinen ontstaan, die allemaal Claudius heetten. De oude Bataafse elite, die het burgerrecht van Augustus had gekregen, moest haar privileges voortaan delen met anderen en kan inderdaad hebben verlangd naar herstel van de oude zeggenschap. Dit sluit niet uit dat er ook Bataven kunnen zijn geweest die droomden van echte politieke onafhankelijkheid.

Zo vallen verschillende redenen aan te wijzen voor de Bataafse Opstand. Civilis had persoonlijke motieven; de oude stam-elite wilde de macht niet delen; de stam als geheel zocht wellicht zelfstandigheid en was in elk geval diep gekrenkt door het ontslag van de keizerlijke lijfwacht. Voor iedereen was de geforceerde rekrutering voldoende aanleiding de wapens op te nemen.

4

Zoals de Treveren ooit een opstand tegen Julius Caesar waren begonnen door de Eburonen de kastanjes uit het vuur te laten halen, zo liet Julius Civilis een cliëntstam als eerste rebelleren: de Cananefaten uit Zuid-Holland.

Een van hen was Brinno, een botte waaghals van bijzonder hoge komaf. Zijn vader had zich aan vele vijandelijkheden gewaagd en straffeloos minachting betoond voor de bespottelijke expedities van Caligula. Alleen al door de naam van zijn weerspannige familie won de man sympathie. Hij werd op een schild geheven, volgens gebruik van de stam, en op de schouders van de dragers heen en weer geschud, waarmee hij tot leider werd gekozen. Onmiddellijk riep hij de Friezen erbij (een stam van achter de Rijn) en deed hij een inval in het winterkamp van twee cohorten vlak bij de Noordzee.

Het vernietigde kamp is vrijwel zeker Valkenburg, waar een dikke laag houtskool getuigt van Brinno’s succes. Al snel gingen ook andere forten in vlammen op, zoals Utrecht, waar archeologen onder de brandlaag vijftig goudstukken – ruim vijf jaar soldij – vonden, die voor de aanval moeten zijn begraven. De eigenaar is niet meer in staat geweest zijn spaargeld op te halen.

Tacitus noemt een zekere Aquilius die de soldaten uit de verwoeste forten verzamelde en in veiligheid bracht. Het is aannemelijk dat hij de eigenaar is geweest van het zilveren medaillon dat is gevonden in het cavaleriefort op het Nijmeegse Kops Plateau. Als dit correct is – en de naam is daarvoor voldoende zeldzaam – wordt echter ineens heel veel duidelijk. Het medaillon vermeldt immers dat de officier deel uitmaakte van het Achtste Legioen Augusta, dat in 69 was gestationeerd in Svishtov in Bulgarije. Als er inderdaad legionairs van de Balkan naar Nijmegen zijn overgeplaatst, heeft de door Tacitus als incompetent getypeerde Hordeonius Flaccus zien aankomen wat te gebeuren stond. Hij heeft Vitellius gevraagd om versterkingen en heeft deze gekregen. Het zilveren voorwerp vormt niets minder dan de rehabilitatie van de gouverneur.

Medaillon van Aquilius (Valkhofmuseum, Nijmegen)

Medaillon van Aquilius (Valkhofmuseum, Nijmegen)

Terwijl Aquilius probeerde te redden wat er te redden viel, bood Civilis de Romeinse leiders aan dat hij het oproer van de Cananefaten zou dempen met zijn Bataven. De legionairs en hulptroepen konden wel uitrusten in Xanten. De Romeinen doorzagen hem echter en ergens rond Nijmegen kwam het tot een treffen.

Civilis ging nu over tot geweld. Cananefaten, Friezen en Bataven deelde hij elk in een aparte troep in. De Romeinen kwamen daar in een brede linie tegenover te staan, niet ver van de Waal, met hun schepen richting vijand gekeerd.

Er was nog maar kort gevochten of een cohort Tungren liep over naar Civilis. Verbijsterd door het onvoorziene verraad werden de Romeinse soldaten door bondgenoten en vijand afgeslacht. Eenzelfde trouweloosheid op de schepen: de roeiers waren deels Bataven, die zogenaamd uit onkunde bootsvolk en strijders in hun taken belemmerden, weldra de verkeerde kant op roeiden en de boten naar de vijandelijke oever voeren. Tenslotte werden stuurlui en centurio’s die zich niet wilden aansluiten afgeslacht, totdat de voltallige vierentwintig schepen van de vloot waren overgelopen dan wel ingenomen.

Die zege was schitterend voor het moment, nuttig voor de toekomst. De Bataven hadden nu de benodigde wapens en schepen bemachtigd en werden in heel Germanië en Gallië ten zeerste gevierd als “voorvechters van de vrijheid”. De Germaanse gebieden zonden direct afgevaardigden die hulp boden, terwijl Civilis via tact en omkoperij aanstuurde op een bondgenootschap met de Galliërs. Zo liet hij de gevangengenomen cohortcommandanten allemaal naar hun stam terugkeren en gaf hij de cohorten de keuze van weggaan of blijven. Wie bleef, kreeg eervolle posities in zijn leger, wie heenging buit van de Romeinen.

De Romeinen waren nu verdreven uit de Betuwe en het land van Maas en Waal en het werd ze duidelijk dat het de Bataven menens was. Hordeonius Flaccus beval het Vijfde Legioen Alaudae en het Vijftiende Primigenia vanuit Xanten de Bataven tegemoet te trekken om orde op zaken te stellen. Omdat deze onderdelen niet op sterkte waren, voegde hij er Ubische en Treverische hulptroepen aan toe, alsmede een eskadron Bataven. Dat laatste bleek een vergissing.

Civilis omringde zich met de veldtekens van verslagen cohorten, om zijn soldaten de recente roem voor ogen te voeren en de vijand schrik aan te jagen door de herinnering aan de nederlaag. Zijn moeder en zuster moesten zich achter de troepen ophouden, samen met alle vrouwen en kinderen van zijn manschappen – stimulans voor de zege, smaad bij verlies.

Gezang van mannen, gekrijs van vrouwen: de slaglinie gonsde ervan. Het gedruis van de legioenen en cohorten kwam er niet bovenuit. De linkerflank was open komen te liggen door een deserterend eskadron Bataven, dat zich onmiddellijk tegen ons keerde. De legionairs wisten ook in die alarmerende toestand wapens en stellingen te bewaren. Maar de hulptroepen van Ubiërs en Treveren sloegen op onterende wijze op de vlucht en waaierden uit over het slagveld, waar de Germanen op ze afstormden. Intussen vonden de legioenen een goed heenkomen in het kamp te Xanten.

Waarschijnlijk vond ook dit gevecht bij Nijmegen plaats: de aanwezigheid van vrouwen op het slagveld doet althans de nabijheid van een Bataafse nederzetting vermoeden. Het deserterende Bataafse eskadron zou gelegerd kunnen zijn geweest op het Kops Plateau. Na de overwinning toonde Civilis zich niet van zijn beste zijde: hij liet de eskadronscommandant die zo’n belangrijke bijdrage had geleverd aan zijn zege, gevangenzetten bij de Friezen. Deze Claudius Labeo was een van de Claudii, de “nieuwe Romeinen” die de posities van de Julii bedreigden.

Wat de bedoelingen van de rebellen ook geweest mogen zijn, ze waren nu bereikt. De aanwezigheid van honderden Romeinse lijken bewees dat de Bataafse prins wraak had genomen voor de moord op zijn broer, terwijl zijn stam het oneervolle ontslag van de keizerlijke lijfwacht en de Romeinse rekruteringspraktijken had vergolden. Voor Civilis lag de alleenheerschappij desgewenst voor het grijpen; wie Romeinse legionairs had verslagen, had een onaantastbare positie binnen zijn stam.

Romeinse represailles vielen niet te duchten. Civilis kon namelijk beweren te hebben gehandeld in opdracht van Vespasianus, die, zoals we al zagen, vanuit Judea de troon van Vitellius bedreigde. In het verleden hadden de Bataaf en de Romein in Brittannië zij aan zij gestreden en Vespasianus had Civilis onlangs een brief geschreven waarin hij zijn wapenbroeder verzocht een opstand voor te wenden. Zo zouden Vitellius’ troepen in Neder-Germanië gebonden zijn. Ook al waren er doden gevallen, de Bataven hadden de Romeinen geen werkelijk ernstige schade toegebracht en Civilis mocht erop rekenen dat Vespasianus de Bataven goedgunstig zou behandelen.

5

Het domste wat Civilis op dit moment kon doen, was een aanval op de legioenbasis te Xanten. Geen Romeinse keizer zou die vernedering ongestraft kunnen laten. Zodra er ook maar één speer naar de wallen geworpen zou zijn, was het onvermijdelijk dat er een onverslaanbaar groot Romeins leger naar het noorden zou marcheren om de smaad uit te wissen. Het conflict tussen keizer Vitellius en Vespasianus zou eerst voorbij moeten zijn, maar wie er ook mocht winnen, de nieuwe keizer was verplicht zo’n aanval af te straffen. De Bataven wisten genoeg van het Romeinse leger om dat te weten; Civilis met zijn Romeinse burgerrecht en vijfentwintig jaren in de hulptroepen wist het als geen ander. Toch waren de Bataven vastbesloten Xanten te verwoesten en zwoer Civilis zijn haar los te laten hangen en rood te verven totdat de basis in de as was gelegd.

Romeins masker van een Germaan: let op het wonderlijke kapsel (British Museum)

Romeins masker van een Germaan: let op het wonderlijke kapsel (British Museum)

Het is een raadsel wat de Bataven tot hun daad heeft gebracht. In elk geval waren ze goed voorbereid, want ze waren versterkt met acht Bataafse cohorten die ooit hadden gediend in het Romeinse leger. Zoals al beschreven, hadden die in Mainz vernomen dat Vitellius hun hulp in de oorlog tegen Vespasianus nodig had. Ze waren nog maar net op weg gegaan naar het zuiden, toen ze een oproep van Civilis hadden gekregen om zich te scharen aan zijn zijde. Het Eerste Legioen Germanica uit Bonn had nog geprobeerd de overlopers tegen te houden, maar was numeriek niet opgewassen geweest tegen de 4000 Bataven.

Civilis was door de komst van de veteranencohorten inmiddels aanvoerder van een heus leger. Hij was echter nog niet zeker van zijn plannen en hield ook rekening met de sterkte van Rome. Daarom liet hij alle aanwezigen trouw aan Vespasianus zweren. Ook zond hij een delegatie naar de twee legioenen die zich na hun nederlaag in de vorige slag hadden teruggetrokken in het kamp te Xanten, om hun dezelfde eed af te nemen. Er volgde antwoord: advies van een verrader, van vijanden, hadden ze niet nodig. Hun keizer was Vitellius, voor hem hielden ze vast aan hun trouw en hun wapens, tot de laatste snik. Die Bataafse overloper moest dus niet doen of hij het beleid van Rome bepaalde, hij kon de straf verwachten die hij verdiende.

Toen dit aan Civilis werd bericht, ontstak hij in woede. Heel het Bataafse volk riep hij op tot strijd. De Bructeren en Tencteri sloten zich aan en Germanië liet zich opzwepen door de berichten: buit! roem!

Zo begon eind september 69 het beleg van Xanten. Slechts 5000 man, behorend tot het Vijfde en Vijftiende Legioen, verdedigden het kamp. Ondanks het feit dat ze al eens verslagen waren, waren ze gemotiveerd genoeg om een Bataafse stormloop af te slaan. Civilis’ pogingen het kamp met een belegeringstoren te nemen, hadden daardoor niet het beoogde resultaat. Dus probeerden de Bataven het kamp uit te hongeren, misschien in de veronderstelling dat Xanten slechts kleine voorraden had. Dat is althans wat Tacitus beweert en het kan waar zijn. Maar het is wel wat merkwaardig, onmiddellijk na de oogsttijd. Uiteindelijk zou Xanten het weken uithouden.

De troepen die Civilis niet nodig had, begonnen intussen met het plunderen van Belgica. Misschien dateert de muntschat van vijfenzestig zilver- en zes goudstukken uit het Nederlands-Limburgse Montfort uit deze tijd. De plunderaars bereikten uiteindelijk zelfs de 400 kilometer verderop gelegen steden aan het Nauw van Calais. In zijn beschrijving van die strooptocht vergeet Tacitus niet te alluderen aan Vergilius’ woorden dat de daar verblijvende Morini de “mensen aan het einde van de wereld” zijn, waarmee hij – voor wie dat nog niet in de gaten had – weer eens onderstreept dat de Bataafse Opstand plaatsvond op de rand van de aardschijf.

6

De Romeinse gouverneur van het Rijnland, Hordeonius Flaccus, nam intussen maatregelen: het Vierde Legioen Macedonica achterlatend om Mainz te bewaken, stuurde hij het Tweeëntwintigste Primigenia onder bevel van Gaius Dillius Vocula naar het noorden, terwijl hij zelf de Rijn afzakte om zich in Bonn aan het hoofd van het Eerste Germanica te stellen. De troepen kwamen in Keulen samen en in Neuss sloten onderdelen van het Zestiende Legioen Gallica zich bij hen aan. Samen marcheerden ze naar het huidige Krefeld. Zie de landkaart.

Fictief portret van Publius Cornelius Tacitus

Fictief portret van Publius Cornelius Tacitus

En daar stokte de opmars. Tacitus noemt allerlei redenen: de manschappen – dezelfden die het jaar ervoor in een bliksemcampagne de opstandige Vindex hadden verslagen – hoorden extra training te ondergaan, het land ten zuidwesten van Xanten diende te worden geplunderd, er moest gevochten worden om het bezit van een graanschip…

De ware reden is dat er berichten uit het zuiden waren gekomen: de Donaulegioenen hadden zich aan de zijde van Vespasianus geschaard en waren nu op weg naar Italië. Hordeonius en Vocula wilden tot elke prijs verhinderen dat de legioenen van het Rijnleger, die Vitellius op de troon hadden geplaatst, bij Xanten slag zouden leveren met de Bataven, die zwart op wit konden bewijzen te strijden uit naam van Vespasianus. In 68 hadden de Rijnlegers gevochten voor een keizer die een burgeroorlog verloor en dat wilden ze niet herhalen.

Begin november ontvingen de soldaten in Krefeld de ongelukstijding dat Vitellius was verslagen. Dat kwam het moreel natuurlijk niet ten goede en ze legden de eed van trouw aan Vespasianus af zonder veel overtuiging. Hun commandanten, Hordeonius en Vocula, wisten bovendien niet precies wat ze nu moesten doen. Het initiatief lag bij Civilis. De oorlog kon worden gestaakt als hij oprecht vóór Vespasianus had gestreden, maar als dat slechts maskerade was geweest, zou er gevochten moeten worden tegen de dappersten van alle Germanen. Het feit dat de Bataven na het nieuws van Vitellius’ nederlaag geen contact met hen zochten, bewees dat ze de strijd wilden voortzetten.

De Bataaf wist dat hij het leger bij Krefeld moest vernietigen voor het zich in Xanten had verenigd met de belegerden. Dan zou hij de legerbasis kunnen veroveren, en omdat het minstens een half jaar zou duren eer Rome een nieuw leger zou sturen, zouden hij zijn macht naar andere gebieden kunnen uitbreiden. Er waren al onderhandelingen gaande met de bewoners van Trier, die zich zeker tegen Rome zouden keren als de Romeinse krijgsmacht benoorden de Alpen eenmaal was gereduceerd tot de basis in Mainz. Civilis’ probleem was echter dat het leger van Hordeonius en Vocula, ook al bestond het uit drie onvoltallige legioenen, te groot was om te ontmoeten in een geregelde veldslag.

De Romeinen hoefden geen gedachten te kunnen lezen om te weten dat Civilis zou proberen hen te verrassen. Ze konden bovendien vermoeden dat ze vooral tijdens de maanloze nachten begin december op hun hoede moesten zijn. Het was dus, anders dan Tacitus insinueert, geen toeval dat het aangevallen kamp bij Krefeld werd ontzet door Baskische hulptroepen, die Hordeonius vanuit Neuss had gezonden. Het resultaat was een belangrijke Romeinse overwinning, maar de verliezen waren enorm. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat men niet in staat was alle gedode mensen en paarden een fatsoenlijke crematie te geven en ze inderhaast heeft begraven.

Het dapperste deel van de Bataven, althans van de infanterie, werd neergeslagen. Hun ruiterij wist te ontsnappen met de veldtekens en de krijgsgevangenen uit het begin van de strijd. Die dag waren de verliezen aan onze kant groter maar betroffen minder goede vechters; bij de Germanen ging het om de kerntroepen.

Met die “kerntroepen” zijn de acht Bataafse cohorten bedoeld, waarover we nog maar één keer zullen vernemen. Niets weerhield de Romeinen nu nog om de opmars voort te zetten en Xanten te ontzetten. Veel tijd om alles op orde te brengen, was hun echter niet gegund. Weliswaar werden de wallen van de kazerne versterkt, de voorraden aangevuld en de gewonden in veiligheid gebracht, maar meer kon niet worden gedaan, omdat het nieuws kwam dat de burgernederzetting bij Mainz was aangevallen door op makkelijke buit beluste stammen uit het Overrijnse. Zodra Vocula daarheen was vertrokken, hervatte Civilis de belegering van Xanten met de mannen die hij nog had, wetend dat hij een kans maakte het kamp in te nemen nu de Romeinse hoofdmacht elders actief was.

De legionairs hadden bij Krefeld en Xanten belangrijke overwinningen geboekt en toen ze in de laatste dagen van 69 in Neuss aankwamen, ontvingen ze geld om de troonsbestijging van Vespasianus te vieren. Daarop hadden ze als trouwe aanhangers van Vitellius niet durven hopen en opgetogen stortten ze zich in het Romeinse carnaval, het feest voor de god Saturnus. De feestelijkheden werden echter verstoord doordat Hordeonius door zijn eigen manschappen werd vermoord. Hetzelfde zou met Vocula zijn gebeurd als hij niet ’s nachts het kamp had verlaten, nog verkleed als slaaf.

De aanslag op de commandanten – uitgerekend op het moment dat de kansen keerden – is een van de onverklaarbare gebeurtenissen uit deze maanden. We kunnen slechts speculeren over de achtergronden. Tacitus schrijft dat Vocula de gewonden uit Xanten in veiligheid bracht en bovendien zijn eigen leger versterkte met 1000 man. Dit betekent dat de omvang van het garnizoen in Xanten tot zo’n 3500 man was gereduceerd. Tacitus vertelt dat de achterblijvers klaagden dat ze in de steek werden gelaten. Welbeschouwd hadden ze gelijk, want deze bezetting diende vooral om Civilis bezig te houden terwijl de Romeinse hoofdmacht elders actief was. Zou het kunnen zijn dat de moordenaars van Hordeonius niet handelden uit dronkenmanshysterie, maar dat er sprake was van fragging, met andere woorden, dat de manschappen probeerden twee aanvoerders uit de weg te ruimen die te gemakkelijk omsprongen met soldatenlevens?

7

In Italië begon het jaar 70 veelbelovend. De burgeroorlog was voorbij en er werden plannen gemaakt om de Rijnlegers te versterken. De grote vraag was of de versterkingen snel genoeg de winterse Alpen konden oversteken om de opstand een halt toe te roepen. Al snel bleek dat ze te laat waren.

Munt van het Gallische keizerrijk ter herdenking van het overlopen van XVI Gallica (Ashmolean Museum, Oxford)

Munt van het Gallische keizerrijk ter herdenking van het overlopen van XVI Gallica (Ashmolean Museum, Oxford)

In januari besloten de bewoners van Trier en Langres eveneens in opstand te komen. Weliswaar hadden de overwinningen bij Krefeld en Xanten het Romeinse prestige enigszins hersteld, maar Civilis zette de belegering van Xanten voort, Hordeonius Flaccus was vermoord en de Bataven plunderden het land tot het Nauw van Calais aan toe. Ze konden ook naar het zuiden komen, tenzij dat zijn banden met Rome zou verbreken. Dat wil niet zeggen dat men partij koos vóór de Bataven. Trier en Langres waren volledig geromaniseerd en hadden een eigen kandidaat voor het purper: Julius Sabinus, naar eigen zeggen een achterkleinzoon van Julius Caesar. Veel Romeinser kon het niet. Zijn ondercommandanten Julius Classicus en Julius Tutor voerden Romeinse waardigheidstekenen en spraken vol trots over een “Gallisch imperium”. Terwijl de Bataafse Opstand te maken had met trots op de eigen, niet-Romeinse identiteit, waren de nieuwe rebellen juist wel geromaniseerd.

Een laatste Romeinse succes was de verdrijving van de plunderende stammen uit de omgeving van Mainz, dat voortaan werd verdedigd door zowel het Tweeëntwintigste als het Vierde Legioen. Toen Vocula, met het Eerste en het Zestiende, weer noordwaarts trok om steun te bieden aan Xanten, begonnen zijn hulptroepen hem echter in de steek te laten en na een paar dagen vermoorde een van de officieren generaal Vocula: een onwaardig einde voor een dapper man, die gedurende enkele maanden had weten te redden wat er te redden viel, namelijk de legerbasis van Mainz. De twee incomplete legioenen onder zijn commando zwoeren nu een eed van trouw aan het Gallische Rijk. Het zal deze oud-aanhangers van Vitellius niet moeilijk hebben gevallen hun eed aan Vespasianus te breken. Keizer Sabinus gelastte zijn nieuwe troepen echter het strijdgebied te verlaten, omdat hij ze niet volledig vertrouwde.

Na de moord op Vocula en de capitulatie van zijn leger was Xanten verloren. Het Vijfde en het Vijftiende Legioen gaven zich in februari of maart 70 over.Tacitus:

Voor de belegerden ging het om trouw of hongersnood, dilemma tussen eer en oneer. Tijdens die aarzeling ontbrak het aan alle normale en ook abnormale etenswaren. Lastdieren en paarden waren al opgegeten, evenals andere dieren, onreine en smerige, die dienden uit nood. Planten en wortels trokken ze ten slotte los, onkruid tussen de stenen, waarmee ze een model waren van geduldig gedragen leed. Totdat zij hun stralende roem bevlekten met een smadelijk eind: er gingen afgevaardigden naar Civilis. Smekend om hun leven.

Die aanvaardde de beden pas nadat ze trouw aan Gallië hadden gezworen. Toen bedong hij het kamp als buit en zond wachten uit. Sommigen moesten beslag leggen op geld, soldatenknechten en bagage, anderen soldaten escorteren wanneer die met lege handen hun kamp verlieten.

Op zo’n vijf mijl afstand wordt de Romeinse colonne onverwacht belaagd en aangevallen door Germanen. De ware vechters sneuvelden ter plaatse, velen terwijl ze uitzwermden, de rest vlucht terug het kamp in. Civilis beklaagt zich alleszins, bekritiseert de Germanen: met die misdaad hebben ze hun trouw gebroken! Was het voor de schijn of kon hij hun woede niet beheersen? Lastig te bepalen.

Nadat de legerplaats in de as was gelegd en de laatste verdedigers levend waren verbrand, deed de Bataaf enkele krijgsgevangenen cadeau aan zijn zoon om te gebruiken als schietschijf. Weliswaar laat Tacitus doorschemeren dat hij twijfels heeft over dit verhaal, maar het past bij wat bekend is over de inheemse religie: krijgsgevangenen werden ter dood gebracht.

Vervolgens rukte Civilis op naar Keulen, om daar zijn hoofdkwartier te betrekken. De Bataven waren nu de machtigste stam in het noordwesten van Europa en zouden de komende maanden proberen de gemeenten in Belgica aan zich te binden. Een van de redenen om de aandacht te verleggen naar het huidige België was de aanwezigheid van Claudius Labeo, de door Civilis zo grof behandelde ruitercommandant. Deze was inmiddels ontsnapt aan zijn Friese bewakers en voerde nu met soldaten uit Bavay en Tongeren een guerrilla tegen de Bataven. Bij Maastricht kwam het tot een treffen, dat Tacitus beschrijft alsof het een stammenoorlog is.

Labeo vertrouwde op zijn positie, hij had alvast de brug over de Maas ingenomen. Op het nauwe terrein bleven de gevechten zonder duidelijk resultaat, totdat Germanen de rivier overzwommen en Labeo in de rug aanvielen. Tegelijkertijd drong Civilis door tot in de strijdlinie van de Tungri, impulsief of volgens afspraak, en sprak met luider stem:

“Wij zijn geen oorlog begonnen voor algehele heerschappij van Bataven en Treveren, die arrogantie is verre van ons. Wordt onze bondgenoten! Ik voeg mij bij u, als uw aanvoerder ofwel als gewoon soldaat, wat u wilt.”

Dat maakte indruk op het krijgsvolk, men stak de zwaarden weg, waarna Campanus en Juvenalis, twee Tungrische leiders, heel het volk aan hem overdroegen. Labeo wist te ontsnappen voor hij werd omsingeld.

Na deze slag moet Civilis naar Tongeren zijn getrokken. De stad werd, ondanks de haastige bouw van een (door archeologen teruggevonden) aarden wal, verwoest. Het laat zich raden dat de steun die de stad daarna aan Civilis verleende, niet van harte is gegaan.

8

Inmiddels had Rome het onverslaanbaar grote leger op de been gebracht waarvan de komst sinds Civilis’ aanval op Xanten viel te verwachten. De generaal, Cerialis, was niet alleen familie van Vespasianus, maar had bovendien in Brittannië gestreden in het leger waartoe ook de nieuwe keizer en Julius Civilis hadden behoord. Tacitus portretteert Cerialis als een ietwat excentrieke maar efficiënte ijzervreter. Onder zijn leiding stonden het Eenentwintigste Legioen Rapax, onderafdelingen van de Rijnlegioenen die met Vitellius naar Italië waren getrokken, en tot slot het door Vespasianus opgerichte Tweede Adiutrix (“helpster”). Met hen rukte Cerialis op naar Mainz.

De Romeinen herstellen orde op zaken (landkaart uit “Edge of Empire”)

De Romeinen herstellen orde op zaken (landkaart uit “Edge of Empire”)

Zijn aankomst was voldoende om het tij te keren. Zonder noemenswaardige tegenstand konden de Romeinen in juni 70 Trier innemen. De Gallische keizer Julius Sabinus was op dat moment al ondergedoken en omdat er nu geen Gallisch leiderschap meer was, achtten de legionairs die een paar maanden daarvoor trouw aan het Gallische Keizerrijk hadden gezworen, zich niet langer aan hun eed gehouden. Ze schaarden zich weer aan de zijde van de Romeinen en werden verenigd met de afdelingen die uit het zuiden terugkwamen.

Vanaf nu waren de Romeinen kwalitatief en numeriek superieur aan hun tegenstanders. Het Tweede, Vierde en het Tweeëntwintigste legioen bewaakten Mainz, het Eenentwintigste, Eerste en Zestiende waren in Trier gelegerd. Bovendien waren er versterkingen uit Spanje onderweg: het Zesde Victrix (“zegevierend”) en het Tiende Gemina (“tweeling”). Civilis en de Gallische leiders Classicus en Tutor moesten tot elke prijs voorkomen dat deze drie legers zich zouden verenigen en vielen daarom Trier aan. Tacitus’ verhaal is spannender dan het nachtelijke gevecht kan zijn geweest. De gecombineerde strijdkrachten van de opstandelingen waren niet opgewassen tegen de Romeinse.

Tutor, Classicus en Civilis riepen elk op zijn plaats de diverse groepen op ten strijde, Galliërs “voor de vrijheid”, Bataven “voor de roem”, Germanen om buit. Algeheel succes voor de vijand, totdat het Eenentwintigste Legioen zich op breder terrein dan de rest wist te bundelen en de storm weerstond en weldra terugdrong.

Civilis was nu gedwongen naar het noorden terug te keren om het Batavenland te verdedigen, maar alles begon nu verkeerd te gaan. Zo kwamen de Keulenaren tegen de Bataven in opstand; het garnizoen werd afgeslacht. De Bataafse leider wilde de stad heroveren met een eerder door hem samengesteld cohort van Friezen en Chauken, maar ook dat mislukte.

Alles was nu klaar voor Cerialis’ aanval op het Bataveneiland, die niet kon mislukken. Het enige waarop Civilis nog kon hopen, was het feit dat de invasie van de Betuwe geen prioriteit had. Voor de Romeinen was het herstel van de Rijngrens en de herovering van de Maasvallei van groter belang.

Doordat de Romeinen hun aandacht elders hadden, slaagde Civilis er zelfs nog bijna in Cerialis bij Xanten een nederlaag toe te brengen. Met een strekdam had hij delen van het land blank gezet, en de zwaar gepantserde legionairs raakten door de modder in de problemen. Ze hielden echter stand en de volgende dag kon Cerialis een omtrekkende beweging maken en Civilis’ leger in de rug aanvallen, maar opnieuw bleek het water een Bataafse bondgenoot. Een zomerse onweersbui maakte een einde aan de veldslag voordat de Romeinen de zege hadden behaald. Toch was Civilis tot de aftocht gedwongen en had het Zesde Legioen reden een overwinningsmonument op te richten.

Civilis kreeg versterkingen van de Chauken. Toch durfde hij geen gewapende verdediging van Nijmegen aan, maar greep alles wat vervoerd kon worden mee, stak de rest in brand en trok zich terug in de Betuwe. Wel wetend dat er geen schepen waren voor een pontonbrug, de enige manier om het Romeinse leger over te zetten. Ja, hij brak zelfs de dam van Drusus af en door de obstakels op te ruimen leidde hij de Waal weer in zijn natuurlijke loop richting Gallië. Nadat hij zo de rivier als het ware verlegd had, waren Betuwe en Germanië slechts gescheiden door een smalle bedding, het leek aaneengesloten gebied.

Tacitus wil hiermee vermoedelijk zeggen dat Civilis er door de verwoesting van de Drususdam in slaagde het peil in de Beneden-Rijn te laten dalen en de Waal te verbreden. Cerialis was realistisch, want hij begreep dat hij zich tevreden moest stellen met de Waal als noordgrens zolang hij niet beschikte over een goede vloot. Na op vier plaatsen troepen te hebben gelegerd, concentreerde hij zich op de rest van de Rijngrens.

Civilis meende ondertussen dat de afwezigheid van de Romeinse generaal een kans bood voor een gelijktijdige aanval op deze vier kampen, maar hij bleek Cerialis’ reactiesnelheid te hebben onderschat. Deze kon de mislukte Bataafse overval niet bestraffen zolang zijn vloot niet op sterkte was, maar nam zich toch voor de Betuwe binnenkort binnen te vallen. Hij werd in dat voornemen gesterkt toen hij bij Keulen op miraculeuze wijze ontsnapte aan Civilis’ laatste stunt.

Hij was naar Neuss en Bonn geweest ter inspectie van het winterkamp in aanleg voor de legioenen en keerde terug met de vloot. Zijn escorte raakte echter versnipperd en de bewaking ’s nachts was niet scherp. De Germanen kregen daar lucht van, beraamden een hinderlaag.

Donkere, zwaarbewolkte nacht. Snel stroomafwaarts, zonder enige tegenstand komen ze binnen de wal. Bloedbad wordt aanvankelijk bevorderd door krijgslist: kappen van tentlijnen. Soldaten raken onder hun eigen tenten bedolven, worden afgeslacht. Een andere groep bestookte de schepen, sloeg enterhaken in de achterstevens, sleepte ze weg. En zoals ze eerst stil waren geweest om niet op te vallen, zo schreeuwden ze na het begin van het moorden alles bij elkaar. Dat zaaide extra angst.

Wakker door wonden zoeken de Romeinen naar wapens, rennen over straat. Slechts enkelen in militaire uitrusting, de meesten met een kledingstuk om de arm en met getrokken zwaard. De generaal, halfwakker, vrijwel ongekleed, wordt gered dankzij een vergissing van de vijand. Want die sleept het aan een vaandel herkenbare vlaggenschip weg, met het idee dat de generaal aan boord is. Cerialis had de nacht elders doorgebracht, volgens de meesten voor een seksuele escapade. Met Claudia Sacrata, een Ubische.

Na deze vernedering besloot Cerialis de Betuwe binnen te vallen, ook al was zijn vloot nog niet gevechtsklaar. Hij zal een machtsdemonstratie hebben beoogd om de Bataven te demoraliseren. Om verdeeldheid te zaaien, bood hij Civilis in september straffeloosheid aan.

Cerialis ging plunderend tekeer in de Betuwe met een aloude generaalslist: Civilis’ akkers en huizen liet hij intact.

Intussen liep het richting herfst. Door overvloedige najaarsregens trad de rivier buiten zijn oevers en stroomde de drassige, laaggelegen Betuwe binnen, het leek wel een meer. Vloot noch bevoorrading was te bekennen, het kamp in de vlakte werd door het rivierwater weggeslagen.

Op dat moment was verplettering van de legioenen mogelijk geweest. De Germanen wilden dat ook, maar Civilis wist ze listig op andere gedachten te brengen, claimde hij later. Dat staat niet haaks op de waarheid, want een paar dagen nadien volgde overgave.

Cerialis’ demonstratie had alle verwachtingen overtroffen: geconfronteerd met Romeinse troepen in eigen land, staakten de Bataven de strijd nog voor er echt was gevochten. Tacitus’ verslag breekt af met de onderhandelingen tussen Cerialis en Civilis op een brug in de Betuwe: het middeleeuwse manuscript van de Historiën gaat niet verder. Het is daardoor onbekend wat er is besproken, al blijkt uit Tacitus’ Germania dat het “oude bondgenootschap” is hersteld. Met andere woorden, de Bataven moesten troepen leveren en bleven vrijgesteld van belastingbetaling.

Dat wil niet zeggen dat ze er goed vanaf kwamen. Ze hadden een enorme prijs betaald voor hun steun aan Civilis. Hun hoofdstad was vernietigd en moest een paar kilometer verderop worden herbouwd. Bovendien lag er voortaan een legioen in de nabijheid. Daarmee viel te leven, maar niet met het verdriet om de gesneuvelden. Zoals gezegd had elk gezin wel een zoon onder de wapenen. Veel van die soldaten waren gesneuveld, zodat menig gezin was gedompeld in diepe rouw.

Romeinenweek

~ Jona Lendering

Jona Lendering is historicus, webmaster van Livius.org en docent bij Livius Onderwijs. Hij publiceerde verschillende boeken. Zie ook zijn blog: mainzerbeobachter.com

Boek: Edge of Empire – Jona Lendering
Overzicht van boeken over de Romeinen

Afbeelding 1 Een impressie van de Romeinse loskade van Ceuclum, met op de achtergrond het castellum en de brug. Afbeelding: Time Travel The Missing Link BV Woerden.
Sinds mensen zich vanaf de late steentijd op vaste plaatsen gingen vestigen,…
Het Romeinse castellum met haven te Velsen Illustratie: © Graham Sumner
Als je me zou vragen wat ik de boeiendste Romeinse plek in…

- advertentie-


Historiek heeft een gratis mobiele app



Geschiedenis zoeken


Gerelateerde uitgaven:



Yuri Visser

About Yuri Visser

view all posts

Yuri Visser (1979) is de oprichter van Historiek. Vanuit Ermelo - waar hij samen met zijn partner en dochter van 4 woont - voert hij redactie over het platform (en de aanverwante projecten). Email: yurivisser@gmail.com | Twitter: yvisser



Download onze gratis app voor smartphone en tablet!

Historiek heeft een mobiele app, zowel beschikbaar voor Android als voor iPhone en iPad. Via de geschiedenis-app blijft u altijd op de hoogte van onze laatste berichten. Ook boekbesprekingen, blogs en onze historische achtergrondverhalen zijn via de app te lezen. Alle berichten die online staan, staan ook in de app. De geschiedenis-app wordt voortdurend uitgebreid en is natuurlijk helemaal gratis. Geschiedenis in de broekzak!

Download de app via de volgende links: