Filips IV de Grote (1605-1665) – Koning van Spanje

Met de dood van Filips III eindigde een periode van pacificatie: de Pax Hispanica. De in veler ogen defaitistische jaren waren voorbij en onder aanvoering van Olivares, de valido (vertrouweling) van Filips IV, werd een beleid ingezet op herstel van de grandeur van het Spaanse Imperium en een hernieuwd offensief geopend tegen ketterij.

Het Spanje van prins Filips IV

Gaspar de Guzmán
Gaspar de Guzmán
Filips IV was het derde kind uit het huwelijk van zijn vader Filips III en diens nicht Margaretha van Oostenrijk. Hij werd geboren in 1605. Bij zijn doop had de hertog van Lerma, valido (gunsteling) van Filips III, hem op de arm. Lerma, die jarenlang de politiek van Spanje ondergeschikt had gemaakt aan zijn eigen belangen, hoopte dat hij de prins voor zich zou weten te winnen, maar verloor gaandeweg het vertrouwen van Filips III en moest in 1618 uiteindelijk het veld ruimen. Vijf jaar eerder trad Gaspar de Guzmán, graaf van Olivares, toe tot het hof en het was deze man die niet alleen een zeer goede relatie wist op te bouwen met de prins, maar ook na het overlijden van Filips III de belangrijke positie innam van valido van de nieuwe koning.

De economische situatie van Castilië, dat van alle delen van Spanje veruit het meeste bijdroeg aan de staatskas, was er tijdens de regering van Filips III niet op vooruit gegaan. Onder intellectuelen van die tijd heerste een sfeer van somberheid, men zag de toenemende armoe, de militaire nederlagen en vooral de overwinning van de ketters in het Noorden als tekenen van decadentie die het Spaanse rijk in de afgrond zouden storten. Maar anderen gingen niet mee in het zelfbeklag en gaven haarscherpe analyses van misstanden zoals die al eerder waren binnengeslopen en onder invloed van Lerma alleen maar waren gegroeid. Deze critici, die arbitristas werden genoemd, hielden een pleidooi voor een actieve en praktische politiek, waarvan de mechanisering van de landbouw en bevordering van handel voorbeelden waren. Geen belastingverhogingen, maar ervoor zorgen dat de opbrengsten aan het land ten goede zouden komen en niet in de zakken verdwenen van de notabelen.

Het bewind van Olivares

Filips IV trad aan als koning van Spanje toen hij nog geen zestien jaar was en het lag voor de hand dat iemand hem bij het volvoeren van zijn ingewikkelde taken zou bijstaan. Uiteraard viel de keuze op Gaspard de Guzmán, zijn leraar en vriend. Gaspard de Guzmán was graaf van Olivares en een telg uit het oudste hertogengeslacht in Spanje, dat van Medina Sidonia. In 1625 verleende Filips IV hem de titel van hertog van Sanlucar la Mayor, waardoor Olivares toetrad tot de Grandeza (de hoogste edelen) van Spanje. Vandaar zijn bijnaam: conde-duque (graaf-hertog), kortweg Olivares.

- advertentie -

Filips IV in 1612
Filips IV in 1612
Rond 1630 was de opvoeding van Filips IV voltooid en de jonge koning inmiddels sterk afhankelijk geworden van Olivares. Filips IV wordt wel afgeschilderd als een marionet van Olivares, zoals zijn vader dat lange tijd was van Lerma, maar dat beeld klopt niet. Filips IV hield zich in tegenstelling tot zijn vader intensief bezig met staatszaken, hij was nauwgezet, wilskrachtig, beschikte over politiek inzicht en net als zijn grootvader Filips II toonde hij een enorme werklust. Het was niet voor niets dat Filips IV de geschiedenis is ingegaan als Felipe el Grande. Hij droeg een groot deel van de macht over aan zijn valido Olivares, niet omdat hij een zwakkeling was, maar omdat hij Olivares zeer geschikt achtte voor deze rol. Voor Olivares waren het herstel van het prestige van Spanje en van de Spaanse hegemonie de belangrijkste doelstellingen waaraan hij alles ondergeschikt maakte.

Vanaf het moment dat Filips IV zijn vader als koning had opgevolgd breidde Olivares zijn machtspositie uit. Als goede vriend en vertrouweling van Filips IV werd hij al in de zomer van 1622 benoemd als lid van de hoogste adviserende junta, die bestond uit de voorzitters van de diverse adviesraden. Kort daarop nam hij de positie over als valido van de koning die zijn oom, Balthasar de Zúñiga, toen bekleedde. Deze oom had belangrijke functies bekleed onder Filips II en Filips III, o.a. als ambassadeur en voorzitter van de Raad van State en genoot veel aanzien. Olivares was toen heer en meester aan het hof en begon aan de vervanging van functionarissen die ooit onder Filips III door diens valido Lerma waren benoemd.

Het begin van de Dertigjarige Oorlog

Om de Oostenrijkse tak van de Habsburgers te steunen, mengde Filips III zich in 1618 in de Dertigjarige Oorlog. Dit conflict begon als een strijd tussen rooms-katholieken en protestanten binnen het Heilige Roomse Rijk, maar groeide dankzij interventies van alle grote Europese mogendheden uit tot een oorlog waarvan de uitkomst enorme consequenties had voor de staatkundige verdeling en machtsverhoudingen binnen het werelddeel. Voor de Spanjaarden stond er meer op het spel dan alleen godsdienstige motieven. Aan de orde was het winnen van de strijd tegen de Nederlanders die tijdens het twaalfjarig bestand (1609-1621) steeds meer greep gekregen hadden op de handelsroutes naar Amerika en de voor Spanje zo noodzakelijke toevoer van zilver uit de koloniën bedreigden. Het bewaken van de route via Italië en Duitsland voor nieuwe troepenzendingen naar de Nederlanden had prioriteit. In 1620 behaalde Spanje successen met de bezetting van de Valtellinapas (de verbinding van Italië met Zwitserland) en werd door het in de Nederlanden gelegerde Spaanse leger, onder aanvoering van de bekwame generaal Ambrosio Spínola, de Palts bezet.

Overgave van Breda
Overgave van Breda
In 1621 liep het twaalfjarig bestand af tussen de Nederlanden en Spanje en dreigde de Tachtigjarige Oorlog nieuw leven ingeblazen te worden. Tot dan toe had de heerser over de Nederlanden, aartshertog Albert van Oostenrijk, gepleit voor voortzetting van het vredesverdrag en die lijn werd na Alberts’ overlijden gevolgd door zijn vrouw Isabella en generaal Spínola, maar Olivares besloot anders. De valido wilde tot elke prijs het conflict met de maritiem sterke Nederlanders winnen, maar ook de Verenigde Provinciën, geleid door prins Maurits van Oranje, voelden weinig voor vrede en dus werd de strijd hervat. Voor de Amsterdamse kooplieden een gunstige wending, want aan oorlog, vooral die tegen de Spaanse koloniën in Amerika verdienden zij meer dan aan vrede. In 1624 zetten de Nederlanders een aanval in op de moeilijk te verdedigen Braziliaanse kust en veroverden Bahia. Niet alleen leverde dat een enorme oorlogsbuit op, ook verkregen zij daarmee een uitvalsbasis voor verdere aanvallen op de Spaanse bezittingen. In 1625 boekte ook Spanje succes. Het leger van Spínola veroverde Breda na een beleg van tien maanden en nog geen jaar later werd Bahia heroverd. Op zee waren de Spanjaarden en Nederlanders aan elkaar gewaagd en hoewel Piet Hein het de Spanjaarden uiterst lastig maakte, bleef het zilver voorlopig Spanje binnenkomen. Toch werd de financiële situatie van Spanje steeds nijpender en moest Olivares alles in het werk stellen om buitenlandse financiers over te halen tot het ter beschikking stellen van leningen. Door rijke Portugese joden en Genuese bankiers tegen elkaar uit te spelen kon hij de rentetarieven laag houden. Tot schrik van de Genuezen volgde in 1627 een bankroet, dat neerkwam op uitstel van betaling.

Engels – Spaanse vrijage

Jacobus I van Engeland
Jacobus I van Engeland
Spanje sloot in 1604 met Engeland het vredesverdrag van Londen, waarmee een einde kwam aan vele jaren van oorlogvoering tussen beide landen. Rond die tijd begon het idee te rijpen van een huwelijk tussen prins Hendrik, de oudste zoon van de Engelse koning Jacobus I met prinses Maria Ana van Oostenrijk, de jongere zuster van Filips IV. Jacobus hoopte daarbij op een flinke bruidsschat die hem de nodige financiële armslag zou geven. De Spanjaarden waren van hun kant geïnteresseerd in de verbintenis omdat die mogelijk zou kunnen leiden tot een tolerantere houding in Engeland jegens de katholieken, wellicht zelfs godsdienstvrijheid voor deze minderheidsgroep in het rijk van Jacobus. In 1612 overleed prins Hendrik, maar dat leek geen belemmering te zijn; Jacobus bood vervolgens zijn tweede zoon Karel aan. Tot 1613 vonden verregaande onderhandelingen plaats die niet tot overeenstemming leidden. Door de Spanjaarden opgeworpen struikelblok was de absolute eis dat de Engelse prins zich zou bekeren tot het rooms-katholicisme, een punt waaraan ook de paus vasthield en zijn toestemming voor het huwelijk was nodig. De Engelse koning wilde wel zover gaan om de prinses toe te staan haar eigen geloof te belijden en gedurende de eerste jaren haar kinderen op te voeden in het rooms-katholicisme, maar van de door Spanje zo begeerde godsdienstvrijheid voor haar geloofsgenoten in Engeland kon volgens hem geen sprake zijn.

Intussen verslechterde de verhouding tussen Spanje en Engeland vanwege de complexe situatie in Duitsland. Tot dan toe steunden de keurvorsten – die de keizer van het Heilige Roomse Rijk benoemden – in meerderheid de rooms-katholieke Habsburgers, maar rond 1620 dreigde dat mis te gaan. Bohemen, traditioneel katholiek gezind, onttroonde de keurvorst Ferdinand van Habsburg wegens zijn intolerantie jegens de protestanten en offreerden de troon aan de protestantse keurvorst Frederik van de Palts, die gehuwd was met Elizabeth, dochter van de Engels koning. Ferdinand van Habsburg was intussen benoemd tot keizer en er ontstond een conflict tussen hem en Frederik. Jacobus stelde pogingen in het werk om schoonzoon Frederik een minder agressieve houding te laten aannemen, maar dat was tevergeefs. Spanje steunde uiteraard de Habsburgse keizer en bezette zoals al aangegeven in 1620 de Palts. De kans op een duurzame vrede tussen Engeland en Spanje door middel van een huwelijk leek verkeken.

Tegen deze achtergrond besloot prins Karel van Engeland het heft in eigen hand te nemen en samen met de voornaamste gunsteling aan het Engelse hof, de hertog van Buckingham, reisde hij begin 1624 incognito naar Madrid om de hand van de Spaanse prinses te vragen. Dat leidde tot een ingewikkeld diplomatiek spel dat eindigde in het afblazen van het huwelijk. Olivares, die vanaf het begin geen fiducie had in deze verbintenis, wierp tal van bureaucratische barrières op en vertraagde op die manier het onderhandelingsproces met maanden. Uiteindelijk beloofde prins Karel tot stomme verbazing van de Spanjaarden en vooral van zijn vader Jacobus, dat hij in ruil voor de prinses de katholieken in de Engelse gebieden vrijheid van godsdienst zou geven, mits hij haar direct mocht meenemen naar Engeland. Daarmee ging hij te ver en Olivares eiste dat de vrijheid van godsdienst formeel werd geregeld voordat sprake zou zijn van het vertrek van de prinses. Prins Karel, die zich gegijzeld voelde, gaf het op en keerde terug naar Engeland. Hij volgde zijn vader in maart 1625 op als koning Karel I van Engeland.

Gevecht op vele fronten

In het najaar van 1625 verscheen er een Engelse vloot voor de Spaanse kust bij Cádiz. De aanval op de stad liep voor de Engelsen uit op een mislukking, maar Spanje en Engeland waren daarmee wel in oorlog. Een oorlog die Karel I begon als reactie op de weigering van Filips IV de Palts op te geven en dit protestantse bolwerk in ere te herstellen. Ook raakte Spanje slaags met Frankrijk dat probeerde de voor de Spanjaarden zo belangrijke Valtellinapas te bezetten om zo de doortocht van Spaanse troepen naar het noorden te blokkeren. De Fransen werden echter teruggedrongen en de doorgangsroute bleef in Spaanse handen. Deze successen leidden in Spanje tot een sfeer van triomfalisme en uit die tijd dateert de betiteling van Filips IV als Rey Planeta. Na deze successen stokte het Spaanse offensief, vooral vanwege gebrek aan financiële middelen.

Olivares richtte vervolgens zijn blik op het noorden en smeedde een plan om de Nederlanders uit het Baltisch gebied te verdringen, waar zij het monopolie hadden over de voor elke West-Europese staat zo belangrijke grondstoffen als graan en timmerhout. Onderdeel van dit plan was ergens aan de Baltische Golf een haven te stichten, die als springplank kon dienen om de Nederlanden van dichtbij te kunnen aanvallen. Ook werd met de gedachte gespeeld een alliantie aan te gaan met de Polen die Zweden zouden kunnen binnenvallen. Het waren gewaagde plannen die op niets uitliepen vanwege de aarzelingen van keizer Ferdinand. Bovendien alarmeerden deze plannen de Zweedse koning Gustaaf II Adolf die in 1630 besloot Duitsland binnen te vallen om de protestanten bij te staan in hun strijd tegen de oprukkende legermacht van de keizer.

De Richelieu
Kardinaal de Richelieu
Door het mislukken van de Baltische plannen kon Olivares zijn aandacht richten op Noord-Italië. Dat was nodig vanwege het overlijden van de hertog van Mantua die rechtmatig werd opgevolgd door de hertog van Nevers. Olivares vertrouwde deze Fransman niet en vreesde het verlies van de controle over de strategisch essentiële verbindingsroute met het Noorden. Hij gaf opdracht aan de gouverneur van Milaan om Monferrat te bezetten, gelegen aan de Milanese grens in Mantua. Daarbij maakte hij twee inschattingsfouten. In de eerste plaats bleek de verovering van Monferrat geen sinecure; voordat de Spaanse troepen ter plaatse waren, hadden de verdedigers zich stevig verschanst in de Casale (vesting) van Monferrat en wisten zich goed te verdedigen. Tweede fout van Olivares was zijn overtuiging dat Frankrijk niet zou reageren. Zijn tegenstrever, kardinaal de Richelieu, eerste minister van de Franse koning Lodewijk XIII, had immers zijn handen vol aan het beleg van La Rochelle in de strijd met de Hugenoten. Maar het liep anders. La Rochelle viel Richelieu trok onmiddellijk met zijn legers de Alpen over en dwong de Spanjaarden zich terug te trekken. Tijdens deze strijd overleed de fameuze Spaanse generaal Spínola aan een ziekte. Olivares moest genoegen nemen met een wapenstilstand die leidde tot de vredesovereenkomst van Cherasco in 1631, het einde van deze successieoorlog, waarmee de Spanjaarden zichzelf grote schade hadden toegebracht.

Kardinaal-prins Ferdinand
Kardinaal-prins Ferdinand
In 1630 drong het Zweedse leger Duitsland binnen en bedreigde de posities van de Habsburgers. Zelfs Nederlandse steden langs de Maas werden veroverd en Spanje moest er alles aan doen om het voor hen cruciale bezit van de Palts veilig te stellen. In 1632 sloot Olivares met de Weense Habsburgers een pact tot wederzijdse hulp, met als resultaat de formering van een sterk leger dat onder aanvoering stond van kardinaal-prins Ferdinand, de jongere broer van Filips IV. Ferdinand rukte vanuit Milaan op naar het noorden en versloeg de Zweden in 1634 in de slag van Nördlingen. Het deed de Zweden van het toneel verdwijnen, maar bracht geen zicht op vorderingen in de Nederlanden. Integendeel, bang voor een te sterke positie van de verenigde Habsburgers, mengde Frankrijk zich een jaar later in de strijd en bedreigde Richelieu de voor Spanje essentiële communicatielijnen vanuit Italië met de Nederlanden. Olivares en zijn Franse tegenhanger Richelieu bonden de strijd aan met elkaar.

Spanje en de lasten van de Dertigjarige Oorlog

Rond 1635 was Spanje op vele fronten in oorlog. Het was volop betrokken bij de Dertigjarige Oorlog waarin Frankrijk de dominante positie in Europa trachtte te veroveren die de Spanjaarden vele jaren hadden ingenomen. Ook moest Spanje zich in Zuid-Amerika de Nederlanders van het lijf houden, die met de verovering van Pernambuco in Brazilië een geslaagde aanval deden op de Spaans-Portugese hegemonie op het overzeese continent. De kosten van al deze militaire inspanningen waren enorm en hoewel er nog altijd zilver binnenkwam uit de mijnen van Amerika, was de belangrijkste bron van inkomsten voor de Spaanse kroon die van belastingen, opgebracht door de Castiliaanse bevolking. In het Spaanse imperium bestond geen uniforme wetgeving, wat inhield dat bijvoorbeeld Catalonië en Portugal weinig of niets bijdroegen om de onkosten te dekken die de verdediging van het wereldrijk met zich meebracht.

Olivares was zich ervan bewust dat deze onevenwichtige lastenverdeling niet eerlijk was en hij ontwikkelde plannen om de belastingwetgeving te unificeren. Dat hield in dat belangrijke provincies van Spanje zoals Aragón, Catalonië en Valencia hun oude rechten (fueros) zouden verliezen, een proces dat alleen langs geleidelijke weg te realiseren viel en geen oplossing was voor de in de jaren twintig en dertig opgelopen schuldpositie van de Spaanse kroon. Om toch de lasten van de oorlogvoering enigszins te spreiden lanceerde Olivares in 1625 zijn plan voor de Unión de Armas, ofwel een gezamenlijk leger van 140.000 man dat overal zou kunnen worden ingezet om de grenzen te verdedigen en ook gezamenlijk gefinancierd zou worden. Na de nodige druk te hebben uitgeoefend kwamen er bijdragen uit de Amerikaanse koloniën, uit de Spaanse Nederlanden, Italië, Aragón en Valencia, maar Catalonië weigerde hardnekkig om ook maar een enkele toezegging te doen en hield zich afzijdig van de Unión de Armas. Dit betekende dat toen in 1635 Frankrijk aan Spanje de oorlog verklaarde, het Castilië was dat de rekening gepresenteerd kreeg van de Catalaanse weigerachtigheid in termen van nieuwe lastenverzwaring en gedwongen rekrutering van manschappen.

Invasie en de opstanden in Catalonië en Portugal

Indertijd strekte Catalonië zich in het noorden uit tot over de Pyreneeën: de provincie Roussillon, waar in 1639 de Fransen succesvol aanvielen en de vesting van Salses veroverden. Tot verbijstering van de koning en zijn valido deden de Catalanen niets om dit te voorkomen, waarop Olivares bevel gaf Salses te heroveren, een operatie die in 1640 slaagde ten koste van enorme verliezen onder de Catalaanse soldaten. Het was de druppel die de emmer deed overlopen en de arme boeren kwamen in opstand; een protest tegen de aanwezigheid van koninklijke troepen in hun provincie, maar vooral ook tegen de lokale bestuurders die in de afgelopen jaren van geen enkel verantwoordelijkheidsbesef jegens de bevolking hadden blijk gegeven. Eind mei drongen de boeren Barcelona binnen waar de zogeheten segadores ofwel dagloners zich bij hen aansloten. Naar hen is deze opstand vernoemd: Guerra de los Segadores, die aan tal van notabelen het leven kostte.

Opstand in Catalonië 1640
Opstand in Catalonië 1640

Madrid was geschokt door dit geweld, maar had op dat moment geen reserves om de opstand in eigen land de kop in te drukken. Ook de Catalaanse lokale overheid was niet in staat de orde te handhaven en in de burgeroorlog die daarop ontstond tussen de arme agrarische bevolking en de provinciale oligarchen dolven laatstgenoemden het onderspit. Een ware revolutie brak uit en hun leiders, niet bij machte om op eigen kracht de felbegeerde zelfstandigheid van Catalonië te bewerkstelligen, wendden zich tot de Franse koning om hen te beschermen tegen mogelijke acties vanuit Madrid. Door zich onder Franse protectie te plaatsen werd Catalonië voor Lodewijk XIII een uitvalsbasis voor offensieven op Spaans grondgebied. De Franse koning benoemde een eigen onderkoning en net zoals Olivares had gedaan, dwong hij de Catalanen bijdragen te leveren aan wat in feite een bezettingsleger was. De lokale bevolking was daarmee zelfs slechter af onder de nieuwe beschermheren dan daarvoor onder het Madrileense gezag.

Johan IV van Portugal
Johan IV van Portugal
Catalonië was in strategisch opzicht voor Spanje van belang, maar had economisch gezien weinig betekenis. Dit gold niet voor Portugal met zijn uitgebreide handelsimperium. Dit wereldrijk genoot bescherming van de Spaanse defensie – zowel voor wat betreft de eigen landsgrenzen als in Brazilië – en profiteerde dus net als Catalonië van de door de Castilianen opgebrachte belastingen. Het lag in de lijn der verwachting dat Olivares ook Portugal wilde laten deelnemen aan de Unión de Armas, maar de Portugezen hadden in tegenstelling tot de Catalanen zelf wel degelijk bijgedragen aan de verdediging van hun rijk en het verzoek van Olivares viel dan ook slecht. Toen Olivares van Portugal de levering van milities eiste om ingezet te worden in Catalonië en zelfs de edelen dwong tot deelname aan de strijd, beraamden dezen rond 1640 plannen om zich van de Spaanse overheersers te ontdoen. Hertog Johan II van Bragança, die dynastieke rechten kon laten gelden op de Portugese troon, was hun leider. Toen de Spanjaarden al hun aandacht moesten schenken aan de strijd met Frankrijk in Catalonië, grepen de Portugese samenzweerders hun kans. Verzekerd van de steun van de Franse eerste minister Richelieu verklaarden zij Portugal onafhankelijk en riepen zij de hertog van Bragança uit tot koning als Johan IV.

De val van Olivares

De interne strubbelingen op het Iberisch schiereiland, de tegenvallende zilveropbrengsten en de teruglopende handel met de Amerikaanse koloniën deden de positie van Olivares wankelen. Weliswaar werden al geruime tijd op grote schaal koninklijke bezittingen (realengos), verkocht, maar deze opbrengsten konden het tij niet keren. Opmerkelijk is dat de Spaanse kroon in feite vrijwel al zijn binnenlandse bezittingen opgaf om te trachten buitenlandse territoria te behouden. Filips IV, die in 1620 nog Rey Planeta werd genoemd, was rond 1640 geworden tot een Rey Aldeano ofwel een koning van niks. Ook in militair opzicht waren de jaren 1640-1642 somber voor de Spanjaarden, want Olivares was niet in staat voldoende troepen te rekruteren en te trainen ter bestrijding van de opstandelingen en de aanvallen geïnitieerd door zijn Franse tegenstrever Richelieu. In 1642 heroverden de Fransen de vesting Salses en wisten zij ook Perpignan in te nemen. Een met moeite op de been gebracht Spaans leger trachtte Lérida weer voor Filips IV te winnen, maar werd verslagen en leed enorme verliezen.

Vanaf 1640 begon het bewind van Olivares dictatoriale trekken te krijgen en, nadat hij koning Filips IV had verzocht alle edelen onder de wapens te roepen, begon het verzet van de aristocratie te groeien. Zo trachtte een neef van Olivares, de hertog van Medina Sidonia, middels een opstand Andalusië tot een zelfstandig rijk te maken, maar het meest effectief was het lijdelijk verzet van alle hoge edelen, wat Olivares en ook de koning in een isolement bracht. Toen de valido in 1642 zich aan het Aragónese front bevond, zagen de edelen hun kans schoon. Zij zetten Filips IV onder druk en verzochten hem zijn valido te ontslaan. Dat ging Filips te ver, maar Olivares was voldoende realist om in te zien dat zijn positie onhoudbaar was geworden en hield de eer aan zichzelf. In januari 1643 accepteerde de koning het ontslagverzoek van Olivares die zich terugtrok op zijn landgoed. Hij overleed in 1645, gebroken en mentaal verward. Na de val van Olivares besloot Filips IV zijn macht niet meer over te dragen aan een valido en nam, naar voorbeeld van zijn grootvader Filips II, zelf het roer in handen.

Filips IV aan het front

Olivares en de Raad van State hadden zich altijd verzet tegen het voornemen van Filips IV om eigenhandig zijn troepen aan te voeren, iets wat voor zijn overgrootvader Karel V heel gewoon was, maar sinds diens dood in onbruik raakte. Toch had de koning zijn zin doorgezet en in 1642 aanstalten gemaakt om af te reizen naar het Aragónese front om ter plekke leiding te geven aan de strijd tegen de Fransen die diep doordrongen op Aragónese bodem en zelfs de hoofdstad Zaragoza bedreigden. Het feit dat in de loop van 1643 het Spaanse leger tot een tegenoffensief kwam, was ongetwijfeld voor een deel te danken aan de aanwezigheid van de koning. Dat hij daardoor weinig of geen aandacht kon schenken aan de gebeurtenissen in het westen, waar de Portugezen roofovervallen pleegden op Spaans grondgebied, nam hij voor lief. Ook in 1644 vertrok Filips IV naar Zaragoza waar een vers Aragónees leger begon aan een beleg van het in 1642 door de Fransen veroverde Lérida. Toen een Frans ontzettingsleger naderde en Filips IV zich in de gevarenzone bevond, stelde de bevelhebber van de Spaanse troepen, de Portugees Filips da Silva, voor om het leger terug te trekken, maar Filips IV gebood hem door te vechten. Da Silva wist de Fransen te verslaan, wat voor de koning het bewijs was dat hij door zijn aanwezigheid – niet zonder risico’s – zijn stempel kon drukken op het verloop van de strijd. Na inname door de Spanjaarden werd Lérida nog diverse keren door de Fransen belegerd en kon slechts met enorme inspanningen voor Spanje behouden blijven (1646-1647). Tegenover dit (dure) succes stond het verlies van Duinkerken (1646) in de Nederlanden.

Naar de vrede van Westfalen

Gedurende de Dertigjarige Oorlog had Filips IV als telg uit het Habsburgse huis de keizers van het Heilige Roomse Rijk, eveneens Habsburgers, trouw gesteund, maar vanaf 1640 liepen hun belangen uiteen. De keizer had in die periode de Zweden als voornaamste vijand en Filips IV was in strijd met Frankrijk en de Verenigde Provincies. De Spaanse steun aan de keizer verminderde, maar desondanks verkeerde Spanje in grote financiële nood, wat directe gevolgen had voor de slagkracht van de Spaanse strijdkrachten in de Nederlanden. Dit onvoldoende toegeruste leger, dat onder aanvoering stond van de toenmalige gouverneur, de Portugees Francisco de Melo, dolf in 1643 het onderspit tegen de Fransen in de slag bij Rocroi. Dit was een vernedering voor de lang als onoverwinnelijk beschouwde Spaanse tercios, maar het betekende niet het einde van de heerschappij van de Spanjaarden in de zuidelijke Nederlanden. Toch zag Filips IV zich rond 1644 genoodzaakt de bakens te verzetten en te streven naar een vredesovereenkomst met de Verenigde Provincies omdat het tegelijk oorlog voeren met de Hollanders en de Fransen een te zware opgave bleek. Ook trachtte hij onderhandelingen te openen met de Fransen, maar de opvolger van de in 1642 overleden Richelieu, kardinaal Mazarin, wees dit af. Een economische crisis en een misoogst – die in Andalusië opstanden teweegbracht – leidden in 1647 tot een financiële crisis en een bankroet van Spanje, waarvan met name Joods-Portugese geldschieters de dupe waren.

In 1648 werd de vrede van Westfalen getekend die een eind maakte aan zowel de Dertigjarige als de Tachtigjarige Oorlog en uit drie verdragen bestond. In mei van dat jaar werd de vrede van Munster getekend door Spanje en de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden dat daarmee formeel onafhankelijk werd van de Spaanse kroon. De zuidelijke Nederlanden bleven in Spaanse handen en de splitsing van de Nederlanden was daarmee een feit. Ook werd in dit verdrag bepaald dat de Nederlanders het recht hadden Portugese bezittingen in Amerika te claimen en te veroveren. Niet vreemd als men bedenkt dat op dat moment Spanje in oorlog was met het in opstand gekomen Portugal. Enkele maanden later volgden de overeenkomsten van de keizer van het Heilige Rooms Rijk met de Fransen en de Zweden. De verdragen van Westfalen maakten een eind aan de positie die de Duitse keizer gedurende lange tijd had ingenomen in Europa en veranderde het Heilige Roomse Rijk in een conglomeraat van zelfstandige staten en staatjes. Frankrijk begon vanaf 1648 het Europese toneel te domineren en kon zich volledig concentreren op de strijd met aartsrivaal Spanje.

De vrede van de Pyreneeën en oorlog met Portugal

Ondertekening van het verdrag van de Pyreneeën
Ondertekening van het verdrag van de Pyreneeën
Na de vrede van Westfalen nam de belangstelling van de Fransen voor Catalonië af. Net als de Spanjaarden verkeerden zij in financiële nood. Bovendien werd het land geteisterd door interne opstanden, bekend als La Fronde. Zo kon Filips IV beginnen aan de herovering van Catalonië die succesvol werd afgesloten met de inname van Barcelona in 1652 door Juan José van Oostenrijk. Filips IV benoemde hem tot onderkoning van Catalonië. Wel bleef de controle over het ten noorden van de Pyreneeën gelegen Roussillon in handen van Frankrijk. In datzelfde jaar wisten de Spanjaarden ook Duinkerken weer in handen te krijgen. Op dat moment waren de vooruitzichten op een vredesregeling voor Spanje gunstig, maar die werden niet benut. Frankrijk herstelde zich niet alleen, maar sloot ook een pact met Engeland, waar een burgeroorlog een eind had gemaakt aan de monarchie en Oliver Cromwell aan de macht was gekomen.

Filips IV had zich gedurende dit Britse interne conflict neutraal opgesteld en direct de republiek erkend na Cromwells overwinning op de Stuarts. Hij verwachtte dan ook eenzelfde opstelling van de Engelsen inzake de Spaans-Franse oorlog of hoopte zelfs op een alliantie met Cromwell. Diens eisen – onder andere de overgave van Calais en Duinkerken – waren echter buiten proporties en bedoeld om te worden afgewezen. Cromwell wilde oorlog met Spanje en dreef Filips IV in het nauw. In 1656 onderschepte admiraal Robert Blake de Zilvervloot, wat een enorme oorlogsbuit opleverde en het jaar erop werd de naar Tenerife uitgeweken Spaanse vloot door Blake geheel vernietigd. Dat betekende voorlopig geen zilverinkomsten voor de Spanjaarden. Ondanks deze tegenslagen lagen er opnieuw kansen op vredesonder-handelingen met Frankrijk, maar tegen alle adviezen in zette Filips de strijd voort, wat hem duur kwam te staan. In 1658 versloeg een gecombineerd Frans-Engels leger de Spanjaarden in de slag bij Duinkerken. De stad werd op de Spanjaarden veroverd en door Frankrijk aan Cromwell overgedragen als dank voor zijn hulp.

Filips IV besloot tot het aangaan van een vredesakkoord met de Fransen en op 7 november 1659 werd het verdrag van de Pyreneeën getekend. Spanje moest zijn bezittingen op Frans grondgebied die bij Catalonië behoorden opgeven, waardoor de grens tussen beide landen definitief door de Pyreneeën werd gevormd. Met het sluiten van dit verdrag meende Filips IV zijn handen vrij te hebben voor de oorlog met Portugal, maar ook die verloor hij. Ondanks een laatste verhoging van alle belastingen en een nieuw bankroet in 1662, slaagde hij er niet in de Portugezen eronder te krijgen. De door de Spanjaarden verloren slag in 1665 bij Villaviciosa betekende de definitieve afscheiding van Portugal. Enkele maanden later, op 17 september overleed Filips IV. Hij liet het land achter met een lege schatkist en een torenhoge staatsschuld.

Dynastieke problemen

Filips IV was in 1605 uitgehuwelijkt aan prinses Isabella, de dochter van de Franse koning Hendrik IV en Maria de Medici. Tien jaar later werd het huwelijk gesloten en er werden acht kinderen geboren. Alleen Theresa, hun laatste kind, zou Filips IV overleven en trouwde zoals aangegeven met de Franse koning Lodewijk XIV. Lang leefde de Spaanse koning in de hoop dat zijn zoon Balthasar Karel, geboren in 1629, hem zou opvolgen. De prins groeide op in goede gezondheid en was intelligent. Nauwelijks echter was Filips IV begonnen aan zijn taak om de prins in te leiden in moeilijke taken – hij nam hem in 1645 en 1646 mee naar Zaragoza ten tijde van de strijd in Catalonië – toen Balthasar Karel in oktober ’46 bezweek aan de pokken, twee jaar na het overlijden van zijn moeder Isabella. Op dat moment wist Filips zich de enig overgebleven mannelijke Spaanse Habsburger, wat hem ertoe dreef opnieuw een huwelijk aan te gaan. In 1649 trouwde hij met de voor een huwelijk met Balthasar Karel voorbestemde Marianne van Oostenrijk, zijn volle nicht. Zij schonk hem vijf kinderen waaronder de troonopvolger Karel II, die als laatste kind in 1661 het levenslicht zag.

~ Willem Peeters

Lees ook: Olivares – Vertrouweling van Filips IV
…en: Filips III – Koning van Spanje
Boeken over Spanje
Meer artikelen over de geschiedenis van Spanje

Carl Gustaf Mannerheim (1867-1951) - De Finse winterkoning
De Finse opperbevelhebber Carl Gustaf Mannerheim speelde een belangrijke rol in de…
Kim Philby (1912-1988) - De beroemdste dubbelspion uit de Koude Oorlog
Kim Philby staat bekend als een van de grootste dubbelspionnen aller tijden.…

Dit atikel is afkomstig van online geschiedenismagazine www.historiek.net

Ook adverteren op Historiek?
Goede keus! Klik hier