Geloofsbepalingen in de grondwet van 1795

Staatsregeling voor het Bataafsche Volk, 1795
(art 19 t/m 23)


19. Elk burger heeft vryheid, om god te dienen naar de overtuiging van zyn hart. De maatschappy verleent ten dezen opzigte aan allen gelyke zekerheid en bescherming, mids de openbaare orde door de wet gevestigd, door hunnen uiterlyken eerdienst nimmer gestoord worde.

20. Geene burgerlyke voordeelen of nadeelen zyn aan de belydenis van eenig kerklyk leerstelsel gehegt.

21. Elk kerkgenootschap zorgt voor het onderhoud van zynen eerdienst, deszelfs bedienaaren en gestigten.

22. De gemeenschaplyke godsdienstoefening word verrigt binnen de daartoe bestemde gebouwen en wel met ontsloten deuren.

23. Niemand zal met eenig ordeskleed of teeken of van een kerklyk genootschap buiten zyn kerkgebouw verschynen.