Held van de maand augustus: Jan de Rek

Jan de Rek – Foto: NIOD
Onder de helden in de bezettingstijd zijn er vrouwen en mannen met spectaculaire en verreikende verdiensten. Niet minder heldhaftig zijn zij die op kleinere schaal hun taak hebben verricht zonder daarmee nationale bekendheid te krijgen: de politieagent die een paar kinderen uit een deportatietransport liet vluchten, de Joodse verzetsman die anderen de weg naar de onderduik wees, de vrouw die het klaar speelde talloze joden in haar huis te verbergen. Ook zijn er verzetsgroepen geweest die nooit in de schijnwerpers van de publieke belangstelling hebben gestaan. Dat geldt voor de verzetsgroep van Jan de Rek, hoofdonderwijzer van de school met de Bijbel in Overwoud, een plaatsje bij Lunteren.

In het jaar 2010 verscheen postuum de roman van historicus Jacques Presser (1899-1970), Homo Submersus.



- advertentie -



Het boek is tijdens de bezetting geschreven, maar werd pas twee jaar geleden gepubliceerd. Het handelt in geromantiseerde vorm over de oorlogservaringen van Presser, die tijdens de bezetting in het huis van meester Jan de Rek zat ondergedoken. De mogelijkheden en moeilijkheden van een kleine verzetsgroep als die van De Rek komen bij nadere analyse goed in de roman van Presser naar voren.

De Rek was leider van een organisatie voor hulp aan onderduikers in de buurt van Ede en Wageningen. Hij en zijn vrouw Kootje brachten niet alleen zelf in hun huis in Overwoud verschillende Joden onder, maar waren ook het centrum van een organisatie die Joden uit Amsterdam naar de streek rond Lunteren bracht. Naast zijn werk als hoofdonderwijzer vervulde De Rek met veel energie en overtuiging deze zelfgekozen taak.

Jan de Rek heeft in de periode tussen 1941 en 1943 tientallen Joden in veiligheid gebracht. Hij haalde ze persoonlijk op uit Amsterdam. Met hele gezinnen nam hij de Amsterdamse tram en daarna de trein naar Lunteren. Meestal reisden de vluchtende Joden zonder ster, en anders begeleidde De Rek ze in een uniform van de Duitse hulppolitie. Soms ondervond De Rek dan geklaag uit het publiek als hij bij een loket voorrang opeiste.

Rond Lunteren bracht hij zijn gasten onder en wees ze op mogelijke vluchtwegen in geval van gevaar. In hun eigen huis gaven Kootje en Jan hun logees vrije beweging, maar als er onbekend bezoek kwam moesten zij zich terugtrekken. Op sommige adressen vroegen onderduikgevers een fiks bedrag voor kost en inwoning. De Rek schroomde niet in te grijpen wanneer dat in zijn ogen onredelijke vormen aannam. De onderduikgevers konden eveneens voor problemen zorgen bij het formuleren van voorkeuren voor soort en aantal onderduikers. De Rek vond steeds een oplossing.

Ook onder de onderduikers waren er, hoe begrijpelijk ook, die de organisatie voor problemen stelden. Sommigen eisten meer comfort voor hun geld of wensten niet met zo maar iedereen samen te worden ondergebracht. Anderen zorgden voor gevaar door bij controles in onvervalst Amsterdams Joods accent te antwoorden, of door vogels Jiddische scheldwoorden te leren (zonder erbij stil te staan dat die ook bij de NSB-buurman naar binnen konden fladderen). Weer een ander probleem was het hartstochtelijk gedrag van een verliefd, maar ongetrouwd koppel onderduikers; dat werd in de zwaar christelijke omgeving niet gewaardeerd. De Rek vond een oplossing door plechtig zelf een huwelijksceremonie te ensceneren. Hij moest eveneens zorgen voor een goede afhandeling van sterfgevallen onder de onderduikers. In het geheim moest hij het lijk dan verplaatsten, om vervolgens via contacten met betrouwbare functionarissen de begrafenis van ‘een zwerver’ te organiseren.

De organisatie van Jan de Rek bestond uit een tiental medewerkers, die allen moesten groeien in hun nieuwe, illegale nevenactiviteiten. Dat betekende dat er wel eens adressen rond slingerden. De Rek zelf liet in zijn klas eens per ongeluk persoonsbewijzen op de grond vallen. Uit de noodzaak voortdurend nieuwe onderduikadressen te ronselen blijkt dat velen in de omgeving van de illegale activiteiten op de hoogte moeten zijn geweest. Deze dorpsgenoten konden een gevaar vormen. De organisatie probeerde hen door onverbloemde chantage onder controle te houden, bijvoorbeeld door zwarte handel publiek te maken.

Homo submersus – Jacques Presser

Toch bleef het gevaar voor ontdekking groot. In augustus 1943 moesten Presser en De Rek na een waarschuwing samen vluchten en een nacht in de bossen doorbrengen. De maand erna werd het De Rek te heet onder de voeten en verhuisde hij naar Amsterdam, waar hij vele jaren geschiedenisleraar zou zijn aan het Hervormd Lyceum. Voor Presser en de anderen had hij intussen andere onderduikadressen geregeld.

Sommigen hebben De Rek wel onvoorzichtigheid verweten. Zo liet hij zijn leerlingen openlijk het Wilhelmus zingen, terwijl de veiligheid van zijn organisatie op het spel stond. Tegelijk trok hij onvermoeibaar door de omgeving om de boeren ervan te overtuigen van hun plicht om Joden onder te brengen. Presser vertelt dat een oud Joods echtpaar zich eens volkomen onverwacht bij de voordeur van de familie De Rek meldde en om onderdak vroeg. Iedereen had ze naar De Rek verwezen. Jan de Rek heette ze hartelijk welkom, stelde ze gerust en zei dat ze voorlopig bij hem konden blijven. Presser: ‘Ik had hem wel om zijn hals kunnen vallen.’

Jan de Rek: niet grootschalig, nauwelijks bekend, maar: een held.

~ Wichert ten Have, NIOD

Margit Rijnaard, Een papieren labyrint, 2003 - Foto: Gert…
[caption id="attachment_2378" align="alignleft" width="290"]Willekeurige foto van een WOII-vliegtuigbomEen wijk in de Duitse…

Dit atikel is afkomstig van online geschiedenismagazine www.historiek.net