Held van de maand mei: Johan van Hulst

Johan van Hulst – Foto: Fred Lucas
In 1945 besloot J.W. (Johan) van Hulst (1911) het boek dicht te doen. Nederland was bevrijd en achteromkijken wilde hij niet. Maar het liep anders: de nu 101-jarige Van Hulst is inmiddels vele malen geïnterviewd over zijn verzetsactiviteiten tijdens de oorlog. In de meimaand zochten we hem op. Onze rubriek Held van de maand bestaat op de kop af een jaar, een mooie gelegenheid om een van de weinige nog levende Nederlandse verzetshelden te laten reflecteren op het begrip ‘heldendom’.

“Ik was verbaasd over de naam van de rubriek,” is de eerste reactie van Van Hulst. “We hebben niet verzet gepleegd om de Held te spelen.

Je probeert je plicht te doen. Dat de mensen later niet kunnen zeggen: hij stond erbij en hij keek ernaar.” We leggen hem een citaat voor van W.F. Hermans: Een held is iemand die





straffeloos onvoorzichtig is geweest. Zuinig zegt hij: “Daar zit iets in. Ik kan het in ieder geval niet tegenspreken.”

Van Hulst was in de oorlog directeur van de Hervormde Kweekschool aan de Amsterdamse Plantage Middenlaan. Aan de overkant van de school lag de Hollandsche Schouwburg, de centrale verzamelplaats voor Joden die op transport zouden worden gesteld. Naast de school was een crèche die officieel Vereeniging Zuigelingen-Inrichting en Kinderhuis heette, waar Joodse kinderen tot dertien jaar gescheiden van hun ouders deportatie moesten afwachten. In samenwerking met de leidsters van de crèche, Henriëtte Pimentel en Virrie Cohen, redde Van Hulst honderden kinderen door ze door de zijingang van de kweekschool te laten ontsnappen.

Maar er ging iets aan vooraf, zo benadrukt Van Hulst. Het begon allemaal in januari 1942 op een christelijke school in Arnhem. Daar schorste het schoolbestuur een NSB-leraar omdat hij zijn leerlingen vergiftigde met de ideologie van de Nieuwe Orde. De schorsing had onmiddellijke gevolgen. De Duitsers arresteerden twee bestuursleden en voerden hen af naar kamp Amersfoort. Daarop besloot dominee Jacobus Overduin in de Oosterkerk van Arnhem voor het lot van de arrestanten te bidden en te preken over gerechtigheid. In de kerk zaten op dat moment twee SD-agenten die driftig aantekeningen maakten. Diezelfde dag werd Overduin gearresteerd. Hij werd eveneens naar Amersfoort afgevoerd en kwam via omwegen in Dachau terecht.

Na deze gebeurtenissen wilden de Duitse autoriteiten het christelijk onderwijs in het hart treffen. In augustus 1942 kwam het bevel om de Rijkssubsidies van zeven kweekscholen in te trekken, waaronder Van Hulsts Hervormde Kweekschool in Amsterdam. Geen subsidie betekende in de praktijk sluiting. Maar Van Hulst liet het er niet bij zitten en toog – “ik was een brutale Amsterdamse jongen van 31 jaar en voor de duvel niet bang” – naar Den Haag om de Duitsgezinde secretaris-generaal van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming, J. van Dam, te spreken. Tot zijn verbazing lukte dat. Van Dam zei dat hij niet van plan was de maatregel ongedaan te maken. Dat had Van Hulst ook wel begrepen, maar daar kwam hij niet voor. Hij wilde weten of Van Dam de school zou sluiten wanneer deze zonder subsidie door zou gaan. “Van Dam glimlachte minzaam,” herinnert Van Hulst zich, “en zei: dat hoef ík niet te doen, u zal in dat geval de school over enkele maanden zélf moeten opheffen wegens geldgebrek. En dan krijgen uw leraren geen wachtgeld meer.” Maar Van Hulst hoefde de school niet op te heffen.

Johan van Hulst

Het gerucht dat de Kweekschool in Amsterdam ondanks de Duitse bezettingsmaatregelen stug doorging met haar werk, leidde tot een stroom van gulle donaties uit het hele land. “Zo heb ik drie jaar lang de salarissen kunnen doorbetalen van de veertien leraren die les gaven op mijn school.”

Volgens van Hulst is het christelijk schoolverzet onderbelicht gebleven in de geschiedenisboeken, terwijl het openblijven van ‘zijn’ school de redding van de Joodse kinderen mogelijk maakte. Geen school, geen ontsnappingsroute, aldus Van Hulst.

Van Hulst is in de oorlog uit handen van de Duitsers gebleven. Een aantal keren is hij naar eigen zeggen door een wonder gered. De eerste keer was bij het afnemen van examens in juni 1943. Op een gegeven moment begonnen de baby’s die als gevolg van ruimtegebrek in de crèche in de kweekschool waren opgevangen, in het belendende lokaal te huilen. De aanwezige rijksgecommitteerde vroeg Van Hulst of het hier ging om Joodse kinderen. Toen Van Hulst hierop weigerde antwoord te geven, dacht de ambtenaar even na. Van Hulst: “Hij kwam naar me toe, gaf me een hand en zei: ‘Man, wees in Godsnaam voorzichtig!'”

De tweede keer was aan het einde van de oorlog, toen op de deur van de kweekschool werd gebonkt. Er stond een jonge vrouw die tegen Van Hulst zei dat ‘ze’ onderweg waren. Hij vluchtte naar het huis van zijn ouders en werd wonderlijk genoeg niet gevonden. Van Hulst heeft nooit geweten wie de vrouw is geweest die hem waarschuwde en zodoende zijn leven redde. “Ships that pass in the night…” mijmert hij.

Over heldendom hebben we het met Van Hulst niet meer. Wel over de vraag of hij in 1945 werkelijk dacht dat hij het boek kon sluiten:

“Voor mij gaat de oorlog nooit voorbij. Ik heb met eigen ogen gezien hoe al die kinderen vertrokken met tramlijn 9. En hoe twee SS’ers een Joods meisje haar speelgoedpop afpakten. Die beelden staan voor altijd op mijn netvlies gebrand.”

~ Jaap Cohen en Hinke Piersma, NIOD

Barak in Kamp Vught
Foto: CC/PJL LaurensNationaal Monument Kamp Vught brengt met een…
Grünwald-stadion in MünchenOnder de grasmat van het Grünwald-stadion in…

Dit atikel is afkomstig van online geschiedenismagazine www.historiek.net