| Partij van de Arbeid (PvdA) |
| Door Michel Ketelaars | |||||
Pagina 1 van 3 Nederlandse politieke partij op sociaal-democratische grondslag. Opgericht in 1946 als opvolger van de Sociaal Democratische Arbeiderspartij (SDAP).
Wanneer kort na de Tweede Wereldoorlog de verzuilde politieke organisaties van voor de oorlog opnieuw worden opgezet, leefde bij veel aanhangers van de vooroorlogse SDAP de wens om op te gaan in een nieuw op te richten 'doorbraakpartij'. De doorbraakgedachte was tijdens de oorlog, onder andere in het interneringskamp in Sint-Michielsgestel, ontstaan en omvatte het idee dat na de bevrijding de maatschappij opnieuw moest worden ingericht. Oude scheidslijnen moesten worden doorbroken en er moest een nieuw elan van samenwerking tussen verschillende maatschappelijke groeperingen komen. Sleetse dogma's moesten kortom overboord en er moest in harmonie worden samengewerkt om bestaanszekerheid voor de bevolking te creëren. Op die grondslag werd op 9 februari 1946 de Partij van de Arbeid (PvdA) opgericht. In de partij fuseerden, naast de SDAP, de Vrijzinnig Democratische Bond (VDB) en de Christelijk-Democratische Unie (CDU) tot één geheel. De partij hoopte tijdens de eerste naoorlogse verkiezingen in mei 1946 direct een enorme overwinning te behalen door haar vermeende aantrekkingskracht op grote lagen van de bevolking. Het resultaat, ruim 28 procent, was dan ook een bittere teleurstelling: de doorbraak was mislukt. De schouders moesten er zo kort na de oorlog toch direct onder, en onder het motto 'Het Nieuwe Bestand' werd er, samen met de aartsrivalen van de Katholieke Volkspartij (KVP), een kabinet van nationale eenheid samengesteld. Deze samenwerking zou tot 1958 standhouden, en zou vanaf 1948, wanneer ook de Christelijk Historische Unie (CHU) en de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie (VVD) tot de opeenvolgende regeringen zouden toetreden, bekend komen te staan als de kabinetten op de 'brede basis'. ![]() Willem Drees ![]() Jaap Burger De verkiezingen van 1963 brachten de partij nog meer ellende. De aanhang liep terug van 30,4 naar 28 procent, en na de formatie zag de partij zich opnieuw veroordeeld tot een rol in de oppositie. De val van het gevormde kabinet-Marijnen over de omroepkwestie in 1965 maakte de weg vrij voor een terugkeer van de PvdA in de regering. Samen met de KVP en de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) werd het ambitieuze kabinet-Cals gevormd, een kabinet dat grote investeringen in de maatschappij en infrastructuur wilde doorvoeren, maar dat gekenmerkt werd door de sociale onrust waarin het moest opereren. De ambities konden niet worden waargemaakt, omdat het kabinet anderhalf jaar later al viel tijdens de beruchte Nacht van Schmelzer. De PvdA werd, zoals wel vaker in de parlementaire geschiedenis, vervolgens vakkundig buitenspel gezet, en KVP en ARP regeerden, na de verkiezingen met de VVD en de CHU, verder. |
|||||
|
||||
|