Koningin Wilhelmina wilde af van partijstelsel

Politiek experiment: kabinet zonder partijen (1945)
Bij Boom Geschiedenis verschijnt vandaag het boek ‘Coalitievorming – Een vergelijking tussen Duitsland en Nederland‘. In dit boek geeft politicoloog Peter Bootsma een essentieel inzicht in het hedendaagse politieke klimaat van Nederland en Duitsland. In de naoorlogse periode duurde het vormen van een coalitie in Nederland gemiddeld twee keer zo lang als in Duitsland. Door beide landen te bekijken, maakt Bootsma zichtbaar waarom het vormen van een regering in Nederland steeds ingewikkelder is geworden. Op Historiek een fragment over het eerste naoorlogse kabinet dat vanwege het ontbreken van duidelijke partijen heel anders was dan alle kabinetten daarna.

Terug naar de ‘oude’ Grondwet en partijen

Het eerste Nederlandse naoorlogse kabinet vormde qua coalitievorming meteen een uitzondering op de overige naoorlogse coalities. In 1945 ging daar namelijk geen verkiezing aan vooraf: toen in mei 1946 de eerste naoorlogse Kamerverkiezingen werden gehouden, was er al bijna een jaar een kabinet aan het bewind. Dit onderzoek richt zich op (het aangaan van) de band tussen parlement en regering in een coalitie, maar met het onvermeld laten van deze uitzondering in de parlementaire geschiedenis zou de coalitievorming van 1946 minder goed te begrijpen zijn. Daarom wordt er toch stilgestaan bij het eerste naoorlogse kabinet. De herverkaveling van het politieke landschap had tot gevolg dat diverse ministers tijdens de rit voor een andere en/of nieuw opgerichte politieke partij kozen, en daarom is het moeilijk de indeling van departementen per partij in een tabel inzichtelijk te maken, zoals dat vanaf 1946 wel kan.

Pieter Sjoerds Gerbrandy (1885-1961), minister-president in Londen.
Pieter Sjoerds Gerbrandy (1885-1961), minister-president in Londen.
Al in februari 1941 had koningin Wilhelmina vanuit Londen haar denkbeelden over het naoorlogse Nederland uiteengezet in een brief aan haar dochter Juliana. Het zittende oorlogskabinet van Pieter Sjoerds Gerbrandy zou bij de bevrijding meteen plaats moeten maken voor een overgangsperiode met een ‘in constitutionelen zin koninklijk kabinet’, dat Wilhelmina niet alleen zelf wilde samenstellen maar ook geregeld wilde voorzitten ‘om ’t noodige tempo erin te brengen’. Ze wilde steeds meer taken overdragen aan Juliana en voorzag voor haar schoonzoon prins Bernhard een centrale rol. Weliswaar was politiek niets voor hem, maar voor de militaire en economische wederopbouw vond ze hem geknipt. Wilhelmina-biograaf Fasseur bestempelde dit als ‘gedachtenspinsels’.

Feit is dat de vorstin er aan het eind van de oorlog van overtuigd was dat er iets moest veranderen. Een meer dan veertig jaar vervuld koningschap had haar gefrustreerd gemaakt over haar staatsrechtelijke machteloosheid door een steeds verdere uitholling van, wat zij zag als, haar grondwettelijke rechten, ook ten aanzien van de coalitievorming. Grondwettelijk benoemde de Koning weliswaar de ministers (thans artikel 43), maar de feitelijke invloed van het staatshoofd daarop was sinds 1813 onder opeenvolgende staatshoofden steeds verder teruggebracht. In Wilhelmina’s ogen had het vooroorlogse partijstelsel geleid tot een economische crisis die langer had geduurd dan elders, tot elkaar snel opvolgende kabinetten, en tot een jarenlang verwaarloosde defensie. Ze pleitte voor systematische ‘vernieuwing’ na de oorlog. Niet voor iedereen was duidelijk wat zij daarmee precies bedoelde, maar het partijstelsel van voor de oorlog was voor haar in elk geval het voorbeeld van hoe het niet weer moest worden.

Koningin Wilhelmina spreekt tot het volk via Radio Oranje (cc - Nationaal Archief)
Koningin Wilhelmina spreekt tot het volk via Radio Oranje (cc – Nationaal Archief)
Ook de Grondwet moest volgens Wilhelmina vernieuwd worden, en daarin stond zij niet alleen: zowel in het bezette Nederland als bij de naar Londen gevluchte ministers vond tijdens de oorlog volop discussie plaats over de vraag of de Grondwet gewoon kon blijven gelden, waar die bijvoorbeeld in artikel 21 bepaalde: ‘In geen geval kan de zetel der regering buiten het Rijk worden verplaatst.’ Toch was de bestaande Grondwet in Londen niet zonder betekenis. Een voorstel van Gerbrandy bijvoorbeeld om de positie van de minister-president te versterken, vond geen genade bij zijn collega’s, omdat zij meenden dat alleen het hoogstnodige besloten kon worden in Londen (en dus buiten het parlement om). ‘Al het overige kon wachten tot de normale verhoudingen waren hersteld’, aldus Karin van Leeuwen in haar proefschrift over grondwetsherziening en staatsvernieuwing in Nederland.

Centraal stond de vraag door wie het parlement bemenst zou moeten worden: door ‘oude’ parlementsleden, of juist ‘nieuwe’ leiders, bijvoorbeeld uit het verzet?

De discussies in Londen zouden zich toespitsen op het overbruggen van de periode tot de eerste Kamerverkiezingen. Dat zou enige tijd kosten omdat velen zich in het buitenland bevonden en de benodigde persoonsadministratie natuurlijk niet op orde was. Centraal stond de vraag hoe lang die overgangsperiode zou moeten duren en door wie een tijdelijk parlement bemenst zou moeten worden: zo veel mogelijk door de ‘oude’ parlementsleden, of juist door ‘nieuwe’ leiders, bijvoorbeeld uit het verzet?

Een vergelijking van de verkiezingsresultaten van 1937 en 1946 geeft aan dat er op dit gebied, net als in Duitsland, relatief veel continuïteit bestond:

De verkiezingsuitslagen voor de Tweede Kamer in 1937 en 1946. Bron: Coalitievormingen
De verkiezingsuitslagen voor de Tweede Kamer in 1937 en 1946. Bron: Coalitievormingen

De eerste verkiezingen voor de Tweede Kamer waren voorzien voor mei 1946, pas een jaar na de bevrijding van 5 mei 1945. Tot die tijd werden de beide Kamers der Staten-Generaal hersteld op basis van de samenstelling op 10 mei 1940. Voor de Tweede Kamer golden dus als basis de laatste Kamerverkiezingen die daarvoor hadden plaatsgevonden (in 1937).

Op 25 september 1945 vond de eerste bijeenkomst plaats van de Tijdelijke Staten-Generaal, die als enige taak had het doen aanvullen van de beide Kamers tot het grondwettelijke ledental in een Voorlopige Staten-Generaal (100 voor de Tweede Kamer, 50 voor de Eerste Kamer, zoals vastgelegd in de toenmalige Grondwetsartikelen 84 en 85). De aan de Duitse nationaalsocialisten gelieerde NSB keerde uiteraard niet terug in de Kamer, en hetzelfde gold voor degenen die overleden waren of hadden bedankt. Ook degenen die geen positieve verklaring hadden gekregen voor hun gedrag gedurende de bezettingsjaren mochten niet terugkeren.

Dirk Stikker in 1948. Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid
Dirk Stikker in 1948.
Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid
Dit alles bleek 24 vacatures in de Tweede Kamer op te leveren. De vraag hoe deze moesten worden vervuld, bleef controversieel. In de Tweede Kamer meenden ARP en SGP consequent dat dit moest gebeuren op basis van de lijsten bij de laatste Kamerverkiezingen van voor de oorlog, maar de Kamermeerderheid volgde het voorstel van de regering om plaats te maken voor leidende figuren uit het verzet en de samenleving. Hiermee werd Wilhelmina’s wens tot ‘vernieuwing’ gevolgd. Het ging om mensen als Jaap Burger, Jan Smallenbroek, freule Wttewaall van Stoetwegen, Paul de Groot en (voor de Eerste Kamer) Dirk Stikker. Zij traden echter vrijwel allen tevens toe tot een fractie (resp. die van de SDAP, ARP, CHU, CPN en de Partij van de Vrijheid – niet te verwarren met de huidige Partij voor de Vrijheid – die een voorloper was van de in 1948 opgerichte VVD), zodat het partijenstelsel van voor de oorlog eigenlijk al hersteld was. Op 20 november 1945 opende koningin Wilhelmina de zitting van de Voorlopige Staten-Generaal, de opvolger van de Tijdelijke.

Eerste coalitievorming na de oorlog

Al op 10 mei 1945 begon Wilhelmina haar consultaties over een nieuw te vormen kabinet. De eerste potentiële formateur met wie ze sprak op haar tijdelijke verblijf, Anneville in Ulvenhout, was Willem Schermerhorn. Deze Delftse hoogleraar in de Cartografie was in de oorlog opgevallen door zijn pleidooien voor meer eenheid en het slechten van partijpolitieke tegenstellingen, onder meer als gegijzelde in Sint Michielsgestel waar hij had meegedacht over politieke en maatschappelijke vernieuwing. Daarmee paste hij precies in Wilhelmina’s straatje. Mede op diens aanraden sprak ze onder meer ook met Willem Drees, die zich tot spreekbuis van het verzet had ontpopt. Dat Drees vanaf 1939 ook fractievoorzitter van de SDAP was geweest, maakte hem volgens Wilhelmina echter te veel tot partijman: ‘wel fatsoenlijk, geen geestelijke bewogenheid’, noteerde ze over hem. De beide Kamervoorzitters werden niet uitgenodigd voor een oriënterend gesprek – ofschoon Wilhelmina’s moeder, Emma, die gewoonte als koningin-regentes in 1897 had gevestigd –, evenmin als de fractievoorzitter van de RKSP, omdat Wilhelmina hen te zeer ‘oude koek’ vond.

In aansluiting op de vooroorlogse praktijk wilde zij een formateur opdracht verlenen tot het vormen van een kabinet. Ze had daarbij een voorkeur voor Schermerhorn, voorman van de Nederlandse Volksbeweging die juist géén politieke partij wilde zijn, maar in plaats daarvan een ‘doorbraak’ wilde bewerkstelligen door te streven naar een progressieve partij. De vooroorlogse scheidslijn tussen christelijke en niet-christelijke partijen moest naar haar mening worden doorbroken. De oplossing diende zich voor de koningin aan op 28 mei, toen Schermerhorn en Drees zich bereid toonden om samen het formateurschap te aanvaarden van een ‘Nationaal Kabinet van Herstel en Vernieuwing’, zoals hun opdracht luidde.

Willem Schermerhorn in 1946
Willem Schermerhorn in 1946
Schermerhorn werd minister-president en Drees vicepremier. Ze probeerden alle politieke stromingen (behalve de SGP) een plek in hun kabinet te geven, maar gingen voorbij aan de fracties in de Tijdelijke Tweede Kamer die overigens nog niet eens bijeen was gekomen. Met de politieke leiding van de ARP werd geen overeenstemming bereikt, onder meer op het punt van de aanvulling van Kamerleden, nodig voor de overgang van de Tijdelijke naar de Voorlopige Tweede Kamer. Ook de CPN werd benaderd, maar die viel af, onder andere omdat de partij twee ministersposten eiste, waaronder die van Voedselvoorziening. Dat weigerden Schermerhorn en Drees; zij wantrouwden de communisten toch al en gunden hun geen al te grote invloed.

De RKSP leverde drie ministers, waaronder Louis Beel die op Binnenlandse Zaken minister bleef (dat was hij in het laatste oorlogskabinet ook). In dit kabinet waren de sociaaleconomische hoek en binnenlandhoek te beschouwen als de belangrijkste. Doordat de KVP (de eind 1945 opgerichte opvolger van de RKSP) ook de minister van Justitie leverde, kwam de gehele inrichting en bemensing van het binnenlandse bestuur (inclusief de zogeheten ‘bijzondere rechtspleging en zuivering’) in handen van die partij, wat tot enige gefronste wenkbrauwen bij de sociaaldemocraten leidde.

De minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen vormde in zijn eentje de sociaal-culturele hoek. De buitenlandhoek en de ruimtelijke hoek waren evenmin onbelangrijk, verre van dat zelfs: tot augustus 1945 was Nederland immers nog in oorlog met Japan, en meteen daarna begon de strijd over de onafhankelijkheid van Indonesië te spelen. Het departement van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening – waar Sicco Mansholt aantrad – was misschien zelfs wel het belangrijkste: zijn hoofdtaak was ‘de bevolking te eten te geven’, en dat was in deze periode meer een verdelingsvraagstuk dan een van ruimtelijke inrichting.

Achteraf bezien bleek er een rooms-rood kabinet met enkele partijlozen uit de bus te zijn gekomen.

Enkele partijlozen, een CHU’er en toch nog één ARP-lid completeerden de ministersploeg die op 25 juni door Wilhelmina werd beëdigd – ruim zes weken na de eerste consultatie, maar niet vergelijkbaar met enige andere kabinetsformatie omdat er nog geen functionerend parlement was. Twee dagen later leidde de vorstin op de radio (in 6 minuten) een toespraak in van minister-president Schermerhorn (van anderhalf uur), die gold als het regeringsprogramma; een regeringsverklaring afleggen in de Kamer was immers nog niet mogelijk.

Achteraf bezien bleek er een rooms-rood kabinet met enkele partijlozen uit de bus te zijn gekomen. ‘Rooms’ in rooms-rood betekende: politiek vertegenwoordigd door de Katholieke Volkspartij (KVP), ‘rood’ betekende: behorend tot de Partij van de Arbeid (PvdA) na de oprichting van die partij in februari 1946. Zij was een fusie van drie partijen van voor de oorlog, waarvan de SDAP verreweg de belangrijkste was. Schermerhorn en andere ministers sloten zich bij die partij aan, waardoor gedurende de rit niet alleen de premier en vicepremier van PvdA-huize bleken te zijn, maar bijna de helft van alle ministers (7 van de 15). Zo’n overwicht zou die partij daarvoor en daarna nooit meer verkrijgen. De PvdA bezette daarmee de gehele sociaaleconomische hoek, die de basis legde voor een sociaaleconomisch beleid.

Piet Lieftinck. Zijn bezuinigingspolitiek liep in 1952 af.
Piet Lieftinck.
In positieve zin viel daarbij minister Pieter Lieftinck van Financiën op, vooral door de geldzuivering die hij doorvoerde. Op 26 september 1945 moest iedereen al zijn papiergeld inleveren, werden banktegoeden geblokkeerd en kreeg iedereen een nieuw biljet van tien gulden om een week van rond te komen: het beroemde ‘tientje van Lieftinck’. Daarna werd het ingeleverde contante en girale geld weer geleidelijk gedeblokkeerd. Opvallend was dat deze gehele operatie buiten het parlement om ging; de toen nog Tijdelijke Kamer hield zich alleen bezig met haar omvorming naar een Voorlopige Kamer. Het staatsnoodrecht werd toen maximaal benut, zoals Van den Berg en Vis opmerkten. Drees zelf legde op Sociale Zaken de grondslag voor de latere verzorgingsstaat, met zijn noodwet die de voorloper vormde van de latere Algemene Ouderdomswet (AOW). Zijn loonbeleid en regelingen voor de arbeidsverhoudingen behielden tot ver in de jaren zestig hun geldigheid. In minder positieve zin viel minister Hein Vos van Handel en Nijverheid – voorloper van Economische Zaken – op (vooral bij de KVP), vanwege zijn vergaande plannen voor nationalisaties van delen van het bedrijfsleven, bijvoorbeeld voor de gehele transportsector.

In 1946 bouwde de coalitievorming na de verkiezingen voort op de portefeuilleverdeling in dit eerste naoorlogse kabinet, dat er was gekomen zonder overleg met de Tweede Kamer. Bij herstel van de verhoudingen voor de oorlog hoorde natuurlijk echter een nieuwgekozen Kamer.

~ Peter Bootsma

Boek: Coalitievorming – Een vergelijking tussen Duitsland en Nederland
Meer politieke geschiedenis

Bestel dit boek bij:

Otto von Bismarck (Franz von Lenbach, 1890)
De Duitse staatsman Otto von Bismarck vervulde een centrale rol bij de…
Uitzicht op Rotterdam
Bij Prometheus verschijnt dinsdag het boek 'Rotterdam, bruid van de Maas'. In…

Dit atikel is afkomstig van online geschiedenismagazine www.historiek.net

Ook adverteren op Historiek?
Goede keus! Klik hier