Konrad Morgen, de SS’er die misdaden in Auschwitz onderzocht

…en zijn strijd tegen corruptie en ‘illegale’ moorden in de concentratiekampen
Een rechter in AuschwitzWOII-kenner Kevin Prenger beschrijft in zijn nieuwste boek het bijzondere verhaal van de SS-rechter Konrad Morgen. In het najaar van 1943 bezocht hij concentratiekamp Auschwitz. Aanleiding was een vanuit het kamp verzonden pakketje met goudklompen, dat door de douane was onderschept. In het kamp ontdekte Morgen dat deze smokkelzaak het topje van de ijsberg is. Terwijl in de gaskamers van nazi-Duitsland miljoenen Joden vermoord werden, hield Konrad Morgen zich bezig met het verzamelen van bewijs van ‘illegale’ moorden. Het juridische onderzoek van Konrad Morgen toont hoe in nazi-Duitsland het onderscheid tussen recht en onrecht vervaagde. Op Historiek een uitgebreid fragment uit het boek van Kevin Prenger.

Hoofdstuk 1

Huiveringwekkende taferelen

“Hopen, van enkele meters hoog, geen mensen meer, alleen droge botten”, dat was wat de in Tsjechië geboren Holocaustoverlevende Jan Hartman voor zich zag toen hij terugdacht aan het voorjaar van 1945 in concentratiekamp Buchenwald. Hij zag hoe Russische krijgsgevangenen in het kamp “als vliegen stierven”. Zelfs in Auschwitz, waar hij eerder gevangen had gezeten, had hij niet zoveel doden gezien. Ook zelf was hij meer dood dan levend. Hij was wat de gevangenen onderling een muzelman noemden, iemand die tot op het bot vermagerd was en door uitputting nauwelijks meer kon staan en lopen. De eveneens in Tsjechië geboren Buchenwald-overlevende John Chillag deelde zijn lot. Hij was verzwakt en ziek en verbleef voorafgaand aan de bevrijding van het kamp in de ziekenboeg. De gevangenen die daar bovenin de stapelbedden lagen waren volgens hem zo verzwakt dat ze niet meer naar beneden konden om te eten of hun behoefte te doen. Hij en zijn medegevangenen “lagen daar maar gewoon op die britsen, te zwak om iets te doen, en ik zou het nog maar een dag of twee hebben overleefd.”1

De bevrijding van Buchenwald had voor mensen als Hartman en Chillag niet langer op zich moeten laten wachten. Het kamp vlakbij Weimar was overvol nadat er in januari 1945 meer dan 10.000 verzwakte gevangenen (veelal Joden) vanuit Auschwitz en Gross-Rosen waren gearriveerd na uitputtende voettochten en treintransporten. Eind maart bevonden zich 80.436 gevangenen in het kamp. Met het naderen van Amerikaanse troepen werden de gevangenen die daartoe nog in staat waren vanuit Buchenwald te voet en onder erbarmelijke omstandigheden geëvacueerd. Tijdens deze dodenmarsen kwam ongeveer één derde van de geëvacueerde gevangenen om; ze konden, uitgeput en ondervoed als ze waren, het tempo niet bijhouden en werden doodgeschoten en langs de weg achtergelaten door hun bewakers. In de ochtend van 11 april 1945 hadden de overgebleven gevangenen de macht in het kamp overgenomen en later die dag arriveerden de eerste Amerikanen. Ze troffen er nog 21.000 overlevenden aan. Jan Hartman herinnerde zich dat “er op een dag in de zonneschijn aan het eind van de barak een goed geklede Amerikaanse soldaat opdook. Dat was de bevrijding.” Hij en zijn broer spraken Engels en verwelkomden de bevrijders. “Het was fantastisch voor hen en het was fantastisch voor ons.”2 Maar van een feeststemming was geen sprake. Daarvoor waren de gruwelijkheden die de Amerikanen in Buchenwald en eerder in andere concentratiekampen aantroffen te groot.

Gevangenen in Buchenwald, 16 April 1945 National Archives Washington / Publiek domein
Gevangenen in Buchenwald, 16 April 1945 National Archives Washington / Publiek domein

Buchenwald was niet het eerste concentratiekamp dat door de westerse geallieerden bevrijd werd. Dat was het concentratiekamp Vught in Noord-Brabant, waar de Canadezen op 26 oktober 1944 slechts lege barakken aantroffen, nadat de gevangenen de vorige maand door de SS waren geëvacueerd naar kampen in Duitsland. Op 4 april 1945 werden de Amerikanen voor het eerst met eigen ogen geconfronteerd met de huiveringwekkende taferelen die tegenwoordig alom bekend zijn. In een subkamp van Buchenwald in het stadje Ohrdruf troffen de troepen van de 4th Armoured Division van generaal George Pattons Third Army tientallen lijken en meerdere ernstig verzwakte gevangenen aan. Het meest gruwelijke dat hier werd aangetroffen, waren half verkoolde lichamen op brandstapels van spoorwegbielzen. Het waren de overblijfselen van de poging van de kampbewakers om de sporen van hun misdaden uit te wissen. Ze hadden de massagraven gedolven en getracht alle lichamen te verbranden, maar waren er niet in geslaagd hun werk op tijd af te maken.

- advertentie -

De geallieerde opperbevelhebber Dwight Eisenhower en Patton, die kamp Ohrdruf op 12 april gezamenlijk bezochten, waren geschokt door wat ze aantroffen. Om de wereld deelgenoot te maken van de misdadigheid van de nazi’s kregen fotografen en cameramensen de opdracht de bevrijding van de Duitse kampen vast te leggen. Gefilmd werd hoe Duitse burgers op bevel van Patton in Buchenwald moesten ervaren welke misdaden er onder hun neus hadden plaatsgevonden. Met zakdoeken voor hun mond en tranen in hun gezicht liepen ze zo vlug als mogelijk langs een stapel uitgemergelde lijken. Voor hen uitgestald op een tafel lagen getatoeëerde stukken mensenhuid, menselijke lichaamsdelen op sterk water en een lampenkap die van mensenhuid gemaakt zou zijn.

Eisenhower en de generaals Patton en Bradley bekijken in kamp Ohrdruf een brandstapel met gedeeltelijk verbrande lijken, 12 april 1945. Colonel Meches / National Archives Washington / Publiek domein
Eisenhower en de generaals Patton en Bradley bekijken in kamp Ohrdruf een brandstapel met gedeeltelijk verbrande lijken, 12 april 1945. Colonel Meches / National Archives Washington / Publiek domein

Buchenwald, waar tijdens de oorlog ten minste 56.000 gevangenen waren omgekomen, was echter nog maar het topje van de ijsberg. In elk concentratiekamp dat in het voorjaar van 1945 werd bevrijd, troffen de geallieerden soortgelijke taferelen aan. De hoeveelheid lijken was in concentratiekamp Bergen-Belsen zo groot dat de Britten een bulldozer moesten inzetten om de lichamen in massagraven te verplaatsen om een verdere uitbraak van een tyfusepidemie te voorkomen. In de door de westerse geallieerden bevrijde kampen waren tijdens de oorlog circa 600.000 gevangenen gestorven. De sterfteaantallen in de kampen die door de Sovjet-Unie werden bevrijd waren nog groter. Alleen al in Auschwitz waren 1,1 miljoen mensen omgebracht, merendeels Joden die in de gaskamers waren vermoord. De gruwelijke beelden van de bevrijde kampen verspreidden zich over de wereld en werden getoond tijdens het proces van Neurenberg, waar de nog levende nazikopstukken ter verantwoording werden geroepen voor oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid. De concentratie- en vernietigingskampen van nazi-Duitsland groeiden uit tot symbool van de misdadigheid van het regime van Hitler. Vele honderden kampcommandanten en -bewakers stonden na de oorlog terecht voor de gruweldaden waaraan zij zich schuldig hadden gemaakt.

Karl Otto Koch, de gevreesde commandant van Buchenwald. U.S. National Archives / Publiek Domein
Karl Otto Koch, de gevreesde commandant van Buchenwald. U.S. National Archives / Publiek Domein
Een naam die ontbreekt in de lange lijst van na de oorlog berechte kamppersoneelsleden is die van Karl Otto Koch. Hij was van 1937 tot 1941 kampcommandant van Buchenwald. Onder zijn leiding was het sterftepercentage onder gevangenen opgelopen tot boven de 30%. Niet een geallieerd tribunaal of een rechtbank van het naoorlogse Duitsland, maar een rechtbank van de SS sprak de doodstraf tegen hem uit. Nog op 5 april 1945, terwijl de Amerikanen het kamp naderden, werd hij in Buchenwald ter dood gebracht door een executiepeloton van de SS. De zaak tegen Koch was begonnen met een gerechtelijk onderzoek naar corruptie in Buchenwald, dat werd uitgevoerd door de SS-rechter Konrad Morgen. Hij was verbolgen over de feiten die hij ontdekte: samen met enkele medestanders had Koch gevangenen bestolen, mishandeld en vermoord. Om deze redenen werd hij samen met enkele medeverdachten, waaronder zijn om haar wreedheid beruchte vrouw Ilse, ter verantwoording geroepen door de SS.

Met alle kennis die we tegenwoordig hebben van de misdaden van nazi-Duitsland lijkt het uitzonderlijk dat Koch en zijn vrouw vervolgd werden voor misdaden die voor ons synoniem zijn met het systeem van de Duitse concentratiekampen, waar diefstal, mishandeling en moord de dagelijkse praktijk waren. Maar Koch was niet het enige kamppersoneelslid dat te maken kreeg met een soortgelijk gerechtelijk onderzoek door Konrad Morgen. Na Buchenwald stelde Morgen in meerdere grote concentratiekampen een onderzoek in naar misdaden begaan door kamppersoneel, zelfs in Auschwitz, de locatie van de grootste massamoord door de nazi’s. Tegen meerdere beruchte kampcommandanten werden door Morgen juridische stappen ondernomen. Bijvoorbeeld tegen Amon Göth, de sadistische commandant van kamp Plaszów in Polen, en tegen Rudolf Höss, die de leiding had gehad over de systematische vergassing van Joden in Auschwitz.

Morgen beschreef zichzelf na de oorlog als een strijder voor rechtvaardigheid, die er alles aan gedaan had om gevangenen te beschermen tegen de gewelddadige uitspattingen van hun bewakers. Zijn gerechtelijke onderzoek naar de misdaden van concentratiekamppersoneel en de daaruit resulterende vervolging van bewakers en commandanten lijken niet te passen in de geschiedenis van het Derde Rijk, waar de meest ernstige misdaden onderdeel waren van het overheidsbeleid. De stapels lijken die bij de bevrijding van Buchenwald en andere kampen aangetroffen werden, vertellen een ander verhaal dan dat van Morgen. Toch maakte zijn rol net zo goed onderdeel uit van de geschiedenis van nazi-Duitsland als die van de beulen die hij vervolgde.

Met het scheppen van wat grond geeft Hitler de symbolische start van de aanleg van de Autobahn van Frankfurt naar Darmstadt. Bundesarchiv, Bild 183-R27373 / CC-BY-SA 3.0
Met het scheppen van wat grond geeft Hitler de symbolische start van de aanleg van de Autobahn van Frankfurt naar Darmstadt. Bundesarchiv, Bild 183-R27373 / CC-BY-SA 3.0

Hoofdstuk 2

Meegesleept door Hitlers successen

Hij had volgens Konrad Morgen een warme en vriendelijke blik, de man die op 19 mei 1935 in zijn blinkende Mercedes cabrio langsreed terwijl de zon op zijn gezicht scheen. Met zijn lange leren jas en militaire pet maakte hij een krachtige indruk. Morgen had hem in 1931 voor het eerst in levende lijve gezien op een politieke bijeenkomst, maar hij kende zijn gelaat vooral van de portretten die overal in Duitsland hingen. Was hij in 1931 nog een politicus zonder macht geweest, inmiddels was Adolf Hitler de onaantastbare leider van het herboren Duitsland. Op die meidag in 1935 opende hij het zoveelste succes van zijn regeringsperiode, de Autobahn van Frankfurt naar Darmstadt. Het was nog geen twee jaar geleden dat hij met het scheppen van wat grond de symbolische start had gegeven van de aanleg van de snelweg.3 De officiële inwijding was een knap staaltje staatspropaganda; staand in zijn auto met hakenkruisvlaggetje op het rechter voorspatbord werd de Führer langs de uitzinnige mensenmenigte gereden, die zich langs de weg verzameld had en massaal de Hitlergroet bracht. Morgen was er die dag om samen met andere studenten het publiek op afstand te houden. Hij was verrast door de sympathieke uitstraling van Hitler, de man die Duitsland in de jaren 30 zijn trots teruggaf.

Toen Valentin Georg Konrad Morgen op 8 juni 1909 in Frankfurt am Main werd geboren, was Hitler nog slechts een onbeduidende jongeman die zonder vaste verblijfplaats rondzwierf in Wenen. Met een treinmachinist als vader moest ook Konrad op eigen kracht de maatschappelijke ladder beklimmen. Dat ging hem echter goed af. Na in 1929 zijn examen aan de Oberrealschule met succes te hebben afgelegd, liep hij een halfjaar stage als vrijwilliger bij het Bankhaus Goldschmidt in zijn geboortestad. Daarna ging hij studeren en onttrok hij zich aan het kleinburgerlijke leven van zijn ouders. Morgens belangstelling ging uit naar buitenlandse talen en geschiedenis en hij studeerde rechten aan de universiteiten van Frankfurt am Main, Rome en Berlijn. Tevens was hij student aan de Academie voor Internationaal Recht in Den Haag en het Instituut voor Wereldeconomie en Scheepvaart in Kiel. Als uitwisselingstudent verbleef hij in Frankrijk. Na succesvolle afronding van zijn studies mocht hij zich doctor in de rechten noemen.4

Als specialist in het internationale recht stond hem een mooie carrière te wachten in het “nieuwe” Duitsland van Hitler, waar jonge academici als hij volop carrièremogelijkheden hadden, mits ze zich gedienstig opstelden ten opzichte van het nationaalsocialisme en zich aansloten bij de partij of een daaraan gelieerde organisatie. Morgen beweerde na de oorlog dat hij voordat Hitler aan de macht kwam weinig enthousiast was over het nationaalsocialisme. Hij beschouwde zichzelf als een “nationaal-liberaal”. In 1931 had hij een bijeenkomst bezocht waar Hitler sprak, enkel omdat hij hem eens wilde horen spreken. De toespraak stelde hem teleur omdat hij vond dat Hitler “altijd over zichzelf sprak” en beloftes maakte zonder dat hij aangaf hoe hij deze ging uitvoeren. Een vijand van de partij vond Morgen zichzelf niet, maar hij verwachtte nog niet veel van het nationaalsocialisme.5 Zijn vader stond eveneens kritisch tegenover het nationaalsocialisme, maar zijn moeder niet:

“Zij liet zich wat meeslepen door al het vlaggenvertoon, de toespraken en het marcheren van zingende colonnes. Ze hoopte dat er met Hitler een groot keerpunt was gekomen.”6

Het was niettemin niet lang na de benoeming van Hitler tot rijkskanselier in januari 1933 dat Konrad Morgen zich aansloot binnen de gelederen van de nationaalsocialisten. Op 1 maart 1933 werd hij lid van de Allgemeine-SS7, de civiele tak waaruit mannen werden gerekruteerd voor de Waffen-SS, Sicherheitsdienst en andere onderdelen van Heinrich Himmlers SS. Vanwege zijn opleiding en krachtige lichaamsbouw werd hij meteen benoemd tot SS-Rottenführer. Zelf beweerde hij na de oorlog dat hij nooit echt lid was geweest van de Allgemeine-SS, maar dat hij slechts kandidaat-lid (Bewerber) was. Dat wordt echter tegengesproken door zowel het feit dat hij een lidmaatschapsnummer als de rang van SS-Rottenführer had, wat allebei uitgesloten was voor kandidaten.8 Ook beweerde Morgen dat zijn inschrijving bij de Allgemeine-SS niet vrijwillig maar gedwongen was. In 1933 was hij naar eigen zeggen wel lid geworden van het Reichskuratorium für Jugendertüchtigung, een organisatie die Duitse jongeren door middel van sport “tucht, ordelievendheid en kameraadschap en […] offerbereidheid voor de gemeenschap”9 bijbracht. Na de machtsovername veranderde het karakter van deze organisatie omdat de SA en de SS zich ermee gingen bemoeien. Morgen verklaarde:

“We kregen een nieuwe sportinstructeur en hoorden dat deze instructeur een voormalige officier was, nu gestoken in burgerkleren. De sport en de gymnastische oefeningen kregen steeds meer het karakter van voorbereidende militaire oefeningen, en uiteindelijk werden het militaire exercities.”

Op een bepaalde dag werd er volgens hem een inspectie gehouden waarbij de jongere kinderen te horen kregen dat ze vanaf dat moment lid waren van de SA, terwijl de ouderen vernamen dat ze werden ingelijfd in de Allgemeine-SS. Zo trad Morgen naar eigen zeggen toe tot de SS.10

Of zijn inlijving in de Allgemeine-SS werkelijk zo gegaan is als Morgen beweerde is niet na te gaan. Weliswaar werd het Reichskuratorium für Jugendertüchtigung na de machtsovername ingelijfd door de SA en kwamen veel leden uiteindelijk terecht in de SS, maar in principe was het lidmaatschap van de SS vrijwillig. De organisatie was tenslotte bedoeld als eliteorganisatie waarbinnen aanvankelijk enkel mannen die voldeden aan hoge eisen werden opgenomen. Het is dus niet uitgesloten dat Morgen er vrijwillig voor koos om zich bij de SS aan te sluiten. Juist op goed opgeleide, jonge mensen als hij oefende de eliteorganisatie een grote aantrekkingskracht uit. Terwijl de bruinhemden van de SA werden geassocieerd met straatgeweld en vechtpartijen in bierhallen werden de zwarthemden van de SS beschouwd als gedisciplineerde vertegenwoordigers van het nieuwe regime. Uit het feit dat Morgen tot 1939 dezelfde rang behield, kan echter wel geconcludeerd worden dat hij niet bijzonder actief is geweest en geen leidende rol heeft vervuld in de Allgemeine-SS.11

Op 1 april 1933, een maand na zijn toetreding tot de SS, werd Morgen lid van de NSDAP met als lidnummer 2.536.236.12 Naar eigen zeggen deed hij dit op advies van zijn ouders. Een andere reden die hij na de oorlog noemde voor zijn lidmaatschap was dat dit noodzakelijk was voor de voortzetting van studie (hij zat in zijn zesde semester). “In de universiteit van Frankfurt moest men kunnen aantonen dat men lid van de partij en één van haar afdelingen was”, zo zei hij13. Ook was het lidmaatschap noodzakelijk om in overheidsdienst te treden. Hij beweerde niet aan het partijleven deelgenomen te hebben. Wel was hij lid van de NSDSTB (nazistudentenvereniging) en de NS-Rechts-wahrenbund (nazi-advocatenbond). Hij lijkt één van de vele opportunisten te zijn geweest die zich pas bij de partij aansloten nadat deze aan de macht was gekomen. De aanwas van nieuwe leden was zo groot dat de partij in mei 1933 zelfs besloot tot een ledenstop omdat men bang was dat de beweging werd overspoeld door mensen die de nationaalsocialistische zaak niet werkelijk toegedaan waren. Mensen zoals Morgen die zich kort voor de ledenstop aansloten bij de NSDAP werden door de oudgedienden van de partij spottend Märzgefallenen genoemd, een ironische verwijzing naar de slachtoffers van de maartrevolutie van 1848 in Wenen en Berlijn en de Kapp-Putsch van maart 1920.

Naar eigen zeggen stond Morgen ook na de machtsovername nog kritisch ten opzichte van Hitler. Na de dood van Rijkspresident Hindenburg op 2 augustus 1934 werd het Duitse volk opgeroepen om te stemmen voor de uitbreiding van Hitlers bevoegdheden: de functie van rijkspresident en rijkskanselier zouden worden verenigd. Dit betekende dat Hitler niet langer enkel partij- en regeringsleider was, maar ook staatshoofd en opperbevelhebber van het leger. Dat gaf hem een verstrekkende macht, aangezien de rijkspresident onschendbaar was en hij via nooddecreten maatregelen kon doorvoeren. Volgens de officiële cijfers steunde 89,9%14 van de kiezers op 19 augustus Hitlers benoeming tot Führer en rijkskanselier, maar Morgen niet. De vereniging van de twee hoogste staatsambten in één persoon ging “dwars tegen [zijn] juridische overtuiging [in]”. Hij weigerde daarom voor Hitlers machtsverruiming te stemmen, maar durfde ook niet tegen te stemmen, laat staan dat hij hier openlijk voor uitkwam. Hij was bang dat als hij zijn kritiek openlijk uitte hem dan “iets gruwelijks” zou overkomen. “Aangezien ik geen zelfmoord wilde plegen,” zo beweerde hij met enige dramatische overdrijving, “heb ik tegen mezelf gezegd: als je niet gaat stemmen, hoef je niet tegen je overtuiging in te gaan.”15 Door de lokale afdeling van de partij was hij aangesproken op zijn weigering om te stemmen: “Eindelijk had men mij ontmaskerd”16, zo verklaarde hij. Er werd een zaak tegen hem aangespannen tot uitsluiting uit de partij, maar dankzij de hulp van door hem niet bij naam genoemde SS’ers werd hij niet geroyeerd.

Rijkskanselier Hitler met rijkspresident von Hindenburg, 1 mei 1933. Bundesarchiv, Bild 102-14569 / CC BY-SA 3.0
Rijkskanselier Hitler met rijkspresident von Hindenburg, 1 mei 1933. Bundesarchiv, Bild 102-14569 / CC BY-SA 3.0

Ondanks dat Morgen zich waarschijnlijk om opportunistische redenen aansloot bij de partij en hij mogelijk staatsrechtelijke bezwaren had tegen de verruiming van Hitlers macht, werd ook hij zoals miljoenen andere Duitsers meegesleept door de successen die Hitler in de jaren ‘30 behaalde. Morgen vertelde na de oorlog dat hij eraan gewend was geraakt dat politieke partijen hun beloftes niet waarmaakten, maar dat de nationaalsocialistische partij dat wel deed. Hij had vrienden en bekenden die vijf tot acht jaar werkloos waren geweest en niemand had daar een oplossing voor gevonden. Omdat “de Duitser is geboren om te werken” beschouwde hij de grote werkloosheid in de Weimar-periode als een groot probleem.17 Hitler beloofde volgens Morgen “werk en brood op de plank, voor de miljoenen mensen die werkloos waren en honger leden […] en hij slaagde daar werkelijk in, hoewel niemand dat voor mogelijk had gehouden. Zelfs in betrekkelijk korte tijd! Al die mensen die tot dan toe min of meer hadden gevegeteerd, zonder enige toekomst, konden met eigen ogen zien dat hun leven weer zin had en dat zij een plicht hadden – door te werken kon je je gezin weer te eten geven en onderhouden in plaats van steun te trekken.”18

Kraft durch Freude-vlag
Kraft durch Freude-vlag
Onderweg naar de universiteit kwam Morgen altijd langs een machinefabriek waar het voorafgaand aan de machtswisseling steeds een rommel was en waar de arbeidsomstandigheden slecht waren. Toen Hitler aan de macht kwam, zag Morgen dit veranderen: alles werd opgeruimd en er werden bloemen geplant en bankjes neergezet waar de arbeiders konden roken. Morgen prees ook de goedkope vakanties voor arbeiders die door de nationaalsocialistische vrijetijdsorganisatie Kraft durch Freude werden georganiseerd. Daarnaast was hij vol lof over de moed die Hitler had gehad om opdracht te geven tot de aanleg van de Autobahnen, een investering die volgens hem tot dusver geen enkele politicus aangedurfd had vanwege de hoge kosten. Door de positieve veranderingen die Morgen in Duitsland ervoer, veranderde hij van mening over Hitlers politiek. Een fanatieke Hitleraanbidder was hij niet, maar een tegenstander van de nazi’s net zo min.

Er zijn echter geen aanwijzingen dat hij zich ook aangesproken voelde tot het antisemitisme van de partij, evenmin is er echter onweerlegbaar bewijs dat aantoont dat hij zich hier van gedistantieerd heeft. Na de oorlog verklaarde hij dat het antisemitisme “één van de punten in het programma [was] die over het algemeen weerzin wekten en waartegen je je in zekere zin verzette.” Maar verontrust was hij niet:

“Je zei […] bij jezelf, er is nog nooit een partij aan de macht gekomen die haar programma voor de volle honderd procent heeft uitgevoerd. Met andere woorden, veel vermeend ijzeren principes raken ondergesneeuwd of worden afgezwakt. De soep wordt immers nooit zo heet gegeten als ze wordt opgediend.”19

Synagoge in Frankfurt am Main tijdens Kristallnacht. Center for Jewish History, NYC / Publiek
Synagoge in Frankfurt am Main tijdens Kristallnacht. Center for Jewish History, NYC / Publiek Domein

Een dergelijke houding was niet ongewoon: ook andere oud-partijleden verklaarden na de oorlog dat ze waren gegrepen door Hitlers beloften om van Duitsland weer een krachtige, gezonde natie te maken, maar dat het rabiate antisemitisme hen iets tijdelijks leek dat wel weer zou overwaaien. Na de openlijke protesten tegen Joden gedurende het voorjaar van 1933, met de anti-Joodse boycot op 1 april als dieptepunt, bleven de daaropvolgende jaren massale, publieke protestacties tegen de Joden uit. Het kwam pas tot een gewelddadige escalatie tijdens de Kristallnacht van 9 op 10 november 1938, toen in heel Duitsland synagogen in rook opgingen en Joodse winkels en woningen vernield werden. In de tussenliggende jaren was antisemitisme niet afwezig, maar kwam dit vooral tot uiting in discriminerende wetten, waaronder in het bijzonder de Neurenberger rassenwetten van september 1935, die het Joden onmogelijk maakte om te trouwen en seksuele relaties te onderhouden met niet-Joden. Tegen dergelijke uitingen van het antisemitisme werd niet geprotesteerd: veel Duitsers vonden het noodzakelijk dat er maatregelen genomen werden om de invloed van Joden op de samenleving te verminderen, zolang dat maar op “fatsoenlijke” wijze gebeurde.

~ Kevin Prenger
Fragment uit zijn boek Een rechter in Auschwitz

Bestel dit boek bij:

Noten

1 – Smith, L., Vergeten stemmen van de Holocaust, p. 322-323.
2 – Smith, L., Vergeten stemmen van de Holocaust, p. 323.
3 – Vaak wordt Hitler ten onrechte als bedenker van de Autobahn aangewezen. Al voordat hij aan de macht kwam, waren er echter al ontwikkelingen en plannen om Duitse steden met elkaar te verbinden door snelwegen. Zie bijvoorbeeld: De Hitler mythes van S. J. de Boer.
4 – IMT Neurenberg, verhoor Konrad Morgen, 07-08-1946; Denazificatie Ludwigsburg 1948, EL 90313, Bü2196, Landesarchiv Baden-Württemberg; Personeelsdossier Konrad Morgen, U.S. National Archives.
5 – Geluidsopname interview met John Toland, 25-10-1971, Franklin D. Roosevelt Library.
6 – Holmes, R., De wereld in oorlog, p. 47.
7 – Personeelsdossier Konrad Morgen, U.S. National Archives.
8 – Denazificatie Ludwigsburg 1948, EL 90313, Bü2196, Landesarchiv Baden-Württemberg.
9 – Bundesarchiv, “Ministerbesprechung vom 12. September 1932”, op: www.bundesarchiv.de/aktenreichskanzlei/1919-1933/1011/vpa/vpa2p/kap1_1/kap2_3/para3_5.html.
10 – Holmes, R., De wereld in oorlog, p. 48.
11 – Denazificatie Ludwigsburg 1948, EL 90313, Bü2196, Landesarchiv Baden-Württemberg.
12 – Personeelsdossier Konrad Morgen, U.S. National Archives.
13 – Denazificatie Ludwigsburg 1948, EL 90313, Bü2196, Landesarchiv Baden-Württemberg.
14 – Kershaw, I., Hitler: Hoogmoed 1889-1936, p. 680.
15 – Holmes, R., De wereld in oorlog, p. 53.
16 – Denazificatie Ludwigsburg 1948, EL 90313, Bü2196, Landesarchiv Baden-Württemberg.
17 – Geluidsopname interview met John Toland, 25-10-1971, Franklin D. Roosevelt Library.
18 – Holmes, R., De wereld in oorlog, p. 49.
19 – Holmes, R., De wereld in oorlog, p. 54.

Bestel dit boek bij:

Kolonialgesellschaft
Lebensraum, leefruimte. Het Duitse begrip dat in één woord weergeeft wat de…
Deze week verschijnt bij uitgeverij De Bezige Bij het boek 'Irena's kinderen',…

Dit atikel is afkomstig van online geschiedenismagazine www.historiek.net

Meer van dit soort berichten? Like ons dan!

Ook adverteren op Historiek?
Goede keus! Klik hier