Onze-Lieve-Vrouw-ter-Zavelkerk in Brussel

Onze-Lieve-Vrouw-ter-Zavelkerk in Brussel – Foto: Jean-Pol Grandmont
Op amper een steenworp van het koninklijk paleis in Brussel en binnen de historische vijfhoek van de stad, bevindt zich de van oorsprong vijftiende-eeuwse Onze-Lieve-Vrouw-ter-Zavelkerk. Een miraculeuze legende bezorgde dit godshuis haar vermaardheid. Hier werd in 1505 Maria van Hongarije, de zuster van Keizer Karel gedoopt en later werd dit kerkgebouw de geliefde bidplaats van Margaretha van Oostenrijk, de landvoogdes der Nederlanden. Adel en gegoede burgers lieten er zich dan ook met pracht en praal begraven. Een historisch overzicht:

De ontstaansgeschiedenis

Begin dertiende eeuw erkent Hendrik I (1165-1235), de toenmalige Hertog van Brabant, het ‘Edel Serment der Kruisboogschutters’ als gilde en verleent hen een aantal privileges, onder andere het recht om een perceel aan de Zavel (een zanderig kleiland buiten de omwalling) te gebruiken als oefenterrein. Zowat een eeuw later, in 1304, verwerft de gilde van de broeders en zusters van het Sint-Jansgasthuis een aanpalend terrein waarop ze prompt een bescheiden kapel laten bouwen ter ere van de moeder Gods. Tot zo ver niets bijzonder, ware het niet dat door een legende waarin een zekere Beatrijs Soetkens de hoofdrol speelt, het bedehuisje heel snel te klein wordt om de stroom van pelgrims en andere vrome lieden het hoofd te bieden. Vrij vlug wordt dan ook besloten om de kapel te vervangen door een heuse kerk. Die kerk geldt vandaag de dag als een schoolvoorbeeld van de Brabantse gotiek.

De legende van ‘Onze-lieve-Vrouw op ’t Stocxken’

We schrijven 1348. Onder Hertog Jan III van Brabant (ca. 1300-1355) is Brussel op dat moment in volle ontwikkeling en groeit de stad in belang. Zij telt op dat moment binnen haar stadsomwalling zo’n 40.000 inwoners, of om een vergelijk te maken, evenveel als het toenmalige Londen. Volgens de overlevering zou in dat jaar Beatrijs Soetkens, een zeer godsvruchtige Brusselse vrouw, een visioen hebben gekregen waarbij de Maagd Maria haar opdroeg om in Antwerpen het miraculeus beeldje van ‘O-L-V op ‘t Stocxken’ te ontvreemden en naar Brussel over te brengen waar het in de kapel van de kruisbooggilde moest geplaatst worden. Daarop haastte deze Beatrijs zich onverwijld per boot naar de Antwerpse O-L-V kathedraal waar ze het beeld wegritste. De koster die de diefstal bemerkt had en haar wilde tegenhouden stond plotseling stokstijf als door de hand Gods geslagen en moest de roof machteloos aanzien. Beatrijs spoedde zich daarna terug naar Brussel, maar vanwege een flinke tegenwind en het nu stroomopwaarts roeien verliep de terugtocht maar moeilijk, tot hemelse krachten haar plotseling te hulp kwamen en het bootje moeiteloos voortstuwden en lieten stranden vlak bij het oefenterrein van de schuttersgilde.

Karel V van het Heilige Roomse Rijk

Geïntrigeerd door de onverwachte komst van een boot, omhuld door een mystiek waas van licht en hemelse muziek ondervroegen de notabelen haar naar het hoe en waarom van deze vreemde gebeurtenis, waarop Soetkens haar verhaal vertelde. Iedereen was het erover eens dat er een heus mirakel was geschied. Het Mariabeeld werd plechtig in de kapel ondergebracht en voortaan als beschermpatrones van de gilde vereerd. Bovendien beloofde men om vanaf dat moment jaarlijks het wonderlijk beeldje in een processie, de zogenaamde ‘Ommegang’, rond te dragen.

Wat echter van oorsprong een religieus optocht was, kreeg evenwel doorheen de daaropvolgende decennia langzamerhand een meer wereldlijke toets. Vanaf halverwege de zestiende eeuw evoceerde de praalstoet immers niet enkel de wonderbaarlijke legende maar werd de processie eveneens verweven met de plechtige intrede in Brussel van Keizer Karel V (1500-1558) die er in 1549 aan de bevolking zijn zoon Filips II (1527-1598) voorstelde. Sinds verscheidene jaren trekt in Brussel op de eerste donderdag van juli en de dinsdag daaraan voorafgaand, deze ‘Ommegang’ opnieuw door de stad. Het evenement ,waarbij meer dan duizend figuranten en talrijke folkloristische groepen de historische gebeurtenis reconstrueren, vormt nog steeds een prachtig spektakel dat heel wat toeristen trekt.

Van bedehuis tot kerk

Foto: CC/Myrabella

Hoewel de juiste bouwdatum van de kerk niet met zekerheid is vast te stellen, wordt algemeen aangenomen dat de kerk rond het begin van de vijftiende eeuw gebouwd werd. Kronieken en documenten daterend uit 1435 verwijzen immers naar de muurschilderingen van heiligen in het koor en bewijzen zo dat dit gedeelte van de kerk toen al af was. Opmerkelijk hierbij zijn de bundelpijlers die, doordat ze geen kapiteel hebben, bijdragen aan het vertikaliserend effect. Het triforium in het middenschip valt dan weer op door zijn geritmeerde visblaasmotieven die als ornament worden gebruikt. Rond 1450 werd het transept (dwarsschip ) overwelfd met de bouw van een ranke vieringtoren en konden de werkzaamheden aan de zijbeuken starten. Vermoedelijk werd het bedehuis de daaropvolgende jaren reeds voor erediensten gebruikt, want in 1470 liet Hertog Karel de Stoute (1433-1477) een toegangsweg aanleggen tussen zijn paleis op de Coudenberg en de kerk ofschoon volgens de meeste historici de werkzaamheden aan de kerk, met name de westelijke traveeën en het hoofdportaal pas omstreeks 1529 werden voltooid. In 1549, wordt er door Lodewijk van Boghein echter opnieuw bijgebouwd, ditmaal een sacrarium (bewaarplaats voor onder meer liturgisch vaatwerk).

Pracht en praal alom

De mystiek van het wonderbaarlijk Mariabeeldje was zo groot dat vrij snel heel wat adellijke families zich in de onmiddellijke omgeving van het nieuwe godshuis vestigden, hetgeen trouwens grotendeels ook de verklaring is voor de rijke binnenafwerking van het kerkgebouw. Zelf de meest argeloze bezoeker bemerkt bij het betreden van de kerk dat het hier geen gewoon doordeweekse parochiekerk betreft. In de hoek van de rechterbeuk treft de kunst- en geschiedenisliefhebber al een eerste verrassing, namelijk de grafsteen van Claude Bouton (ca. 1473-1556), kamerling en lid van de Raad van State onder Karel V en toeziend voogd over prins Willem van Oranje (1533-1584), alias Willem de Zwijger.

Vlak daarbij is het reliekschrijn van de heilige Wivina (patrones tegen koorts, mond- en klauwzeer) te zien. Het verhaal wil dat zij het ouderlijk huis ontvluchtte op zoek naar God en in Brussel aan het hof van de toenmalige Hertog van Brabant, Godfried I met de Baard (ca. 1063-1139), terechtkwam aan wie ze een geschikte plaats vroeg om een congregatie te stichten. Godfried, diepgelovig als hij was, gaf haar een terrein buiten de Brusselse stadsomwallingen waar zij prompt als abdis een nonnenklooster stichtte volgens de regels van Benedictus. Tijdens de Franse overheersing moesten de kloosterzusters de abdij ontruimen en vertrouwden zij de relieken van hun eerste abdis toe aan de priester van de Zavelkerk.

De huidige gebrandschilderde ramen zijn relatief recent en voornamelijk het werk van de glazeniers Samuel Coucke (1833-1899), Louis-Charles Crespin (1892-1953) en Jacques Colpaert (1923-1998). In het kerkinterieur zijn voorts twaalf apostelbeelden te bewonderen, daterend uit medio zeventiende eeuw, alsook een schitterend drieluik van de Vlaamse kunstschilder Michiel Coxie (1499-1592): ‘De verrijzenis van Christus’. Daarnaast bevindt zich in de rechterzijbeuk het barokke grafmonument van Michael Angeliwenoni, de heelmeester van de aartshertogen Albrecht en Isabella.

Sint-Marcoenkapel – Foto: CC/Michel Wal

Maar de kerk is vooral bekend omwille van de twee schitterende barokke rouwkapellen die de familie Thurn und Taxis aan beide zijden van het koor in de tweede helft van de zeventiende eeuw liet bijbouwen, namelijk een aan Sint-Ursula gewijde kapel naar een ontwerp van Lucas Fayd’Herbe (1617-1697) met sierlijke in zwart en wit marmer uitgevoerde sculpturen van Gabriël Grupello (1644-1730) en Hiëronymus Duquesnoy de Jonge (1602-1654), en de zogenaamde Sint-Marcoenkapel. Sint-Marcoen geldt onder ander als de patroon van apothekers en lakenhandelaars. Pal rechtover de kerk herinnert een gedenkplaat eraan dat de familie Thurn und Taxis hier hun residentie had en er als keizerlijke postmeesters in 1516 de eerste internationale postdienst stichtte.

De opeenvolgende restauraties

Een eerste ingrijpende restauratie van het kerkgebouw onder leiding van de architecten Auguste Schoy, Jules-Jacques en Martin Van Ysendijck vond plaats in de negentiende eeuw. De gebeeldhouwde ornamenten werden niet alleen volledig hernieuwd, maar er werd eveneens een overvloed van pinakels, torentjes, balustrades en luchtbogen toegevoegd. Dit in de geest van de toen heersende neogotische stijl waarbij vooral Franse Euvillesteen werd gebruikt ter vervanging van de Balegemse en Gobertangesteen. Dit bleek op langere termijn echter geen al te best idee, want de kristallijne en relatief vrij poreuze Euvillesteen bleek geen partij te zijn voor de oprukkende grootstedelijke luchtvervuiling van de twintigste eeuw.

Een tiental jaren geleden zette de stad Brussel dan ook een totaalrestauratieplan op touw om in opeenvolgende fases dit godshuis zijn vroegere luister terug te geven. Het dak werd onder handen genomen, waterspuwers en gevelbeelden gerestaureerd, verweerde pinakels, kruisbloemen en sokkels vervangen, maar ook de brandglasramen werden onder handen genomen en voorzien van nieuwe windroeden of brugstaven om deze beter tegen de winddruk te vrijwaren. Daarnaast kreeg de ganse kerk een waterafstotende en graffitiwerende transparante beschermingslaag op basis van siliconen. De hele restauratie duurde zo’n veertien jaar en kostte bijna zestien miljoen euro.

Rudi Schrever
Brusselse stadsgids
Rondleidingen op aanvraag
e-mail: rudi.schrever@skynet.be

Meld je aan voor de nieuwsbrief