De doge van toen en de CEO van nu

Over de doge van toen en de CEO van nuNa de overname van de Italiaanse bank Antonveneta in 2005 door ABN-Amro zagen de media bestuursvoorzitter Rijkman Willem Johan Groenink als de man die onbegaanbare paden durfde te betreden.

Volgens Aarnout Loudon, de president-commissaris van ABN die achter zijn benoeming zat, was hij de man die verdere groei van de bank kon realiseren. Bij de overname van ABN Amro in 2007 door een buitenlandse bankencombinatie liet de nieuwe Amerikaanse president-commissaris, Arthur Martinez, hem echter vallen.

Corno (dogenhoed)
Corno (dogenhoed)
Commissariaten bij Shell en het ABP liep hij mis en er restte Rijkman Groenink niets anders dan een droeve aftocht. Voor de CEO is de les wellicht dat het werkelijke risico dichter in de buurt is dan een op overname belust hedge-fonds, of boze aandeelhouder. Dat dit iets is van alle tijden bewijst de parallel met een historisch voorbeeld van een Venetiaans bestuurder. Ook die had zich van zijn omgeving meer aan moeten trekken.

Doge Francesco Foscari (1373-1457) en de raad van tien

- advertentie -

Rivalen om de macht?

Inleiding

Francesco Foscari (Portret geschilderd door Lazzaro Bastiani rond 1460)
Francesco Foscari (Portret geschilderd door Lazzaro Bastiani rond 1460)

In Venetië waren afzettingen ongewoon. In 1335 werd alleen doge Marino Falier door de tien wegens verraad ter dood veroordeeld. Veelzeggend is nog diens zwartgemaakt portret in de “sala del maggior consiglio” van het Dogenpaleis. Dankzij de ‘nieuwe en avontuurlijke’ doge Francesco Foscari (1423-1457) werd de Republiek Venetië, bijgenaamd la Serenissima (de doorluchtige) een strategische speler in de Intra-Italiaanse verhoudingen. Ondanks het verlies van een lange kostbare oorlog tegen Milaan, verlegde hij de Venetiaanse grenzen tot aan de Alpen, Istrië en Dalmatië. Maar na ruim dertig jaar regeren vond de raad van tien (consiglio dei dieci) het wel goed zo en dwong hem tot aftreden. Zoals andere bestuurders op hoge leeftijd verwachtte Francesco met respect te worden behandeld. Maar dit was niet zo. Hij overleed jammerlijk twee dagen na de benoeming van de nieuwe doge. Was zijn afzetting een staatsgreep of simpelweg toeval? Omstandigheden van allerlei aard waren van invloed op de rol van de doge. In de volgende uiteenzetting over het Venetiaans bestuur geef ik een mogelijke verklaring.

Doge-families

De stad Venetië is onderverdeeld in zes wijken, Cannareggio, San Polo, Dorsoduro, San Marco, Castello en Santa Croce. Het Ca d’Oro (gouden huis), een koopmanshuis aan de Strada Nova in Cannareggio was ooit het eigendom van de Contarini, een doge-geslacht. Het begrip doge stamt af van het latijnse ‘Dux’€. Hij was de hoogste houder en vertegenwoordiger van de formele, uitvoerende macht in Genua en Venetië. De regels en verplichtingen voor de doge stonden in de “Promissione ducale”€, waarvan elke doge er een kreeg. Om hem te herinneren aan de betrekkelijkheid van zijn positie, werd hem de “promissione” elke twee maanden voorgelezen.

Venetië
Venetië

Niet zelden werd hij gekozen uit eerzame Venetiaanse families voor willekeurige periodes van ten hoogste tien jaar. Langs het Canal Grande staan nog de meeste paleizen van dergelijke geslachten. Het Palazzo Vendramin-Calergi waarin sedert 1638 het Casino gehuisvest is, is goed zichtbaar vanaf het water. Het marmeren interieur met schilderijen van leden van de familie Vendramin geeft een goede indruk van de vroegere praal. Naast het Chiesa St.Stae staat het Palazzo Mocenigo aan de Santa Croce 1992. Alvise Mocenigo, de laatste afstammeling van deze doge-familie liet in 1945 kledingstukken en meubelen van enkele van de Mocenigo dogen na aan de stad Venetië. De Contarini en de Mocenigo leverden elk ruim tienmaal een doge in de duizendjarige Venetiaanse geschiedenis. De Foscari behoorden niet tot die kern van oude families maar wel bij het patriciaat. De meeste patriciërsfamilies kwamen voort uit de overzeese handel. De Foscari kwamen daarentegen uit het vastgoed.

De bestuurlijke carrières van het nageslacht van Francesco’s overgrootvader Niccolo Foscari legde de basis voor de opkomst van Francesco. Zijn achtergrond bracht een nieuwe op het vasteland gerichte visie mee. In Francesco’s ambtelijke carrière werden de zeeheld Pietro Loredan en diens familie grote tegenspelers.

Het Venetiaans bestuur

De wetgevende macht werd gevormd door de driehonderd-koppige Senaat en de grote raad. De grote raad overvleugelde de Senaat. De lage adel was erin vertegenwoordigd naast diverse soorten bestuurders. Het werd maggior consiglio genoemd. Onder de honderd leden waren zestien ministers, de savi del consiglio en zes procuratoren.

De procuratoren heetten de minor consiglio of collegio. Elke wijk had een procurator. De savi en procuratoren adviseerden de doge. Daarentegen lag de regeringsmacht bij de procuratoren. Eerder dan de Senaat, behandelden zij de wetten. Met de raad van tien deelden zij de bevoegdheid de doge af te zetten. Bij conflicten tussen de procuratoren en de doge had de raad het laatste woord. Venetië werd een olicharchie bij de serata (sluiting) in 1296.

Canal Grande, geschilderd door Antonio Canal rond 1730
Canal Grande in Venetië geschilderd door Antonio Canal rond 1730

Voor het lidmaatschap van de grote raad moest men ingeschreven zijn in het Libro d’oro (gouden boek). Dit lidmaatschap was erfelijk en voorbehouden aan enkele families. Door de gestage groei van de raad twijfelden Venetianen intussen wel aan de functionaliteit ervan. De doge werd zodoende gekozen uit een kleine groep van rijke families.

Voor de rol van doge stonden de Romeinse keizers model. Vrij van barbaarse invallen in de lagune voelden de oude Venetianen zich opvolgers van de Romeinen. Zij vergeleken hun instituten graag met die van het oude Rome. De rechterlijke macht bestond uit drie hoven van beroep, de Quarantia. De drie hoofden ervan, de doge en de zes procuratoren vertegenwoordigden tenslotte de uitvoerende macht.

De “raad van tien” (consiglio dei dieci)

In de Scuola San Rocco in het Dorsoduro bevinden zich onder andere enkele houten afbeeldingen van sinister ogende spionnen. De raad van tien was een geheime dienst met rechterlijke bevoegdheden, die gebruik van hen maakte. De zittingen vonden meestal ‘s nachts plaats. Bij het verkrijgen van bekentenissen werden folteringen niet gemeden. De doge werkte samen met hen. Sedert 1335 was deze raad blijvend onderdeel tussen Senaat en grote raad. Weliswaar tijdelijk opgericht in 1310 om volksopstanden en samenzweringen te beteugelen, kreeg het een permanent karakter. De raad van tien werd uit de Senaat gekozen voor halfjaarlijkse termijnen en stond onder driehoofdige leiding. De raad trad op tegen bedreigingen van de interne staatsveiligheid, zoals complotten en aanslagen.
Het controleerde bovendien de Senaat, de grote raad en de doge. Aan het begrip staatsveiligheid gaven zij hun eigen uitleg. De tien oefenden terreur uit en grepen elke omstandigheid aan om het eigen belang te vergroten.

De gevangenname van de graaf van Carmagnola

De zaken van deze raad werden in speciale toegevoegde ad-hoc commissies (zonta) in twee maanden afgehandeld. In de zonta werd gestemd over voorstellen van de voorzitters. De grootte van de commissie was afhankelijk van de ernst van het dossier. Leden van een zonta kwamen vaak uit de Senaat. Niet zelden namen de tien het werk van de Senaat over. Naast defensie aangelegenheden ontplooiden zij ongevraagd initiatieven op allerlei terreinen. Het spreekrecht in de Senaat, electorale fraude, verkiezingsprocedures, patroon-cliënt relaties, banenverdeling, geen onderwerp werd door hen vermeden. De zorg voor staatsveiligheid ging alleen zover dat de
tien meenden het laatste woord in de Republiek te hebben. Hun optreden was niet altijd even ondubbelzinnig. Een aarzelende of té zelfstandige huurgeneraal werd vriendelijk uitgenodigd door de tien voor overleg met de doge. Eenmaal in Venetië aangekomen werd hij gevangen genomen, en terechtgesteld. Dit lot viel graaf Francesco Carmagnola ten deel. Juist vanwege zijn geconcentreerde macht werd de raad van tien een rivaal van de grote raad en de doge. Een intern conflict kon niet uitblijven.

Doge Francesco Foscari (1423-1457)

Doge Foscari trad aan op 23 april 1423 als de 68e doge. Hij werd de eerste doge met een prinselijk aanzien. Het Dogenpaleis beschikte dankzij hem over eigen werk- en slaapvertrekken. Geknield voor de Venetiaanse leeuw staat zijn beeld boven de ingang van het paleis, aan de porta della carta. De verkiezing van de doge vond plaats middels een ingewikkeld systeem van stemmingen. De doge had weinig salaris en geen beroep, maar betaalde wel belasting. Het voorzitterschap van de raden deelde hij met de grote raad.

Wapen van doge Francesco Foscari
Wapen van doge Francesco Foscari

Hij was slechts gewoon lid van alle raden. Alleen in de grote raad kon hij sprekers het woord ontzeggen. Hij mocht Venetië alleen uit in geval van oorlog en las en verstuurde zijn brieven onder begeleiding. Doge Foscari was een sociaal en intelligent, verantwoordelijk man. Hij was eloquent met een goed politiek, procedureel inzicht. Als gelovige had hij mededogen met de sociaal zwakken. Als voormalig officier van justitie (avogadori di commun) en procurator van San Marco verbeterde hij de positie van de lage adel en de gildes. Hij streefde naar meer werkgelegenheid voor de verarmde adel in het Venetiaans bestuur en het veroverd vasteland. Hij verhielp sociale noden in alle geledingen en bouwde zo zijn steun op in de grote raad.

Als procurator beheerde hij de staatsfinanciën en de Venetiaanse landgoederen aan het Canal Grande. Zijn bestuurlijke ervaring, als lid van de tien en beleidsadviseur (savi) kwam hem als doge goed van pas. Hij herstelde kerken en bouwde ziekenhuizen. In het jaar dat hij aantrad liet hij het pesthuis (lazaretto) bouwen. Foscari was vaardig in het verkrijgen van overheidssteun voor zijn bouwprojekten. Het was aan Foscari’s persoonlijkheid te danken dat hij zo invloedrijk was. Toch zou hij in strijd komen met staatsbelangen in zijn rol als pater familias.

“Terraferma” politiek

Het vrij transport van goederenstromen langs wegen en rivieren naar het Italiaans achterland en Noord-Europa was in het Venetiaans belang als locale overslaghaven. In 1418 beschikte Venetië over een buffer van satellietstaten op het vasteland. Om het vervoer niet te hinderen werd de interne politiek in de bufferzone met rust gelaten. Onder invloed van Milaan maakten deze staten zich echter los. Door de erop volgende “herovering” van Padua, Vicenza en Verona raakte de Republiek begin vijftiende eeuw met Milaan in oorlog (1426-1454).

Tomasso Mocenigo
Tomasso Mocenigo

Bij het aantreden van doge Foscari op 23 april 1423 bepleitten twee stromingen elk een verschillende koers in de buitenlandse politiek. De Foscari kwamen op als bestuurders en “terra ferma”-specialisten door hun bezit op het vasteland. Met woordvoerder Francesco stonden zij uitbreiding op het land voor en zochten een alliantie met Florence. Doge Foscari probeerde werkgelegenheid voor de lage adel op het land te verzekeren. Dit was opvallend. Het Venetië van vóór 1400 voerde (op enkele territoriale schermutselingen na) hooguit het beheer over zijn overzeese koloniën.

Francesco’s voorganger, doge Tomasso Mocenigo (1414-1423), waarschuwde zijn stadgenoten echter de zee als basis van hun macht te blijven zien. Binnen het patriciaat bestond aanvankelijk brede steun voor de uitbreiding en oorlog op het vasteland, de zogenaamde “terra-ferma”-politiek. Onder dreiging van Milaan vonden de republieken Venetië en Florence elkaar kort.

Het verdrag van Lodi (1454)

Venetië
Venetië

Het verdrag van Lodi (1454) en de erop volgende Italiaanse Bond vormde een belangrijke pauze in het langdurig conflict met Milaan. In het Middellandse Zeegebied werden de Venetianen intussen door de Ottomaanse Turken getolereerd. Eigentijdse Venetianen karakteriseren de vroegere Venetiaans-Ottomaanse verhouding als een haat-liefde-relatie. Om handelsredenen hadden de Venetianen meer belang bij goede betrekkingen met de Ottomanen dan omgekeerd. Het verlies van Constantinopel in 1453 aan de Turken betekende de teloorgang van een strategisch handelssteunpunt. De kredietcrisis die erop volgde veroorzaakte de val van de Soranza-bank. Uit vrees voor de Ottomaanse Turken wilde Venetië de oorlog met Milaan beëindigen.

De Italiaanse bond was een non-agressie pact tussen Florence, Milaan en Venetië. De strijd die in 1426 begon bracht economische en administratieve nadelen als hoge kosten, recessies en een overbelast bestuursapparaat met zich mee.

De ineenstorting van de Monte, het systeem van verplichte leningen waarmee ondermeer oorlogen betaald werden en het tekort aan graan en retourgoederen vergrootten de financiële problemen. Als deelnemer aan de Italiaanse Bond versterkte de Republiek haar positie op het vasteland. Sterker dan Rome, Milaan of Florence was zij echter niet. Tegelijk met het verdrag van Lodi, sloten de Venetianen een pact met sultan MehmedII. Hierin werden handelsprivileges vastgelegd. De Venetianen wisten zich te handhaven door verdragen te sluiten. De tegenvallende resultaten in de twee-fronten strijd onder Francesco tastte daarentegen zijn rol in de bureaucratie geleidelijk aan.

Familieperikelen

De open communicatie tussen de Venetianen door het verbeterd contact met het vasteland, maakte de factiestrijd tussen de Loredan en Foscari-clans zichtbaar. De Loredan vervulden bestuurlijke functies in de raad van tien. In 1445 en 1447 werden familieleden van de doge vervolgd door de tien. Zoon en schoonzoon Jacopo Foscari en Andrea Donato werden er door Francesco Loredan van beschuldigd giften te hebben aangenomen van Milaan.

Francesco Sforza
Francesco Sforza

Jacopo vluchtte naar Triëst en werd bij verstek veroordeeld tot verbanning naar Kreta. Andrea, gouverneur van Kreta, werd veroordeeld tot één jaar cel en mocht zijn functie nadien niet meer uitoefenen. Vaderlijk beschermde de doge Jacopo, die Venetië en zijn ouderlijk huis nog regelmatig bezocht, aanvankelijk tegen vervolging, maar werd daardoor kwetsbaar. Volgens een Milanese spion zocht de raad van tien een argument om de doge af te zetten. Als dat zo was dan maakten de manoeuvres van de doge dat onbedoeld eenvoudiger.

In 1450 werd een lid van de tien vermoord. Na een vage beschuldiging werd Jacopo daarop toch verbannen naar Kreta. In 1456 keerde hij echter weer terug in Venetië op beschuldiging van een briefwisseling met de Milanese heerser Francesco Sforza. Jacopo werd weer teruggestuurd naar Kreta waar hij in 1457 overleed. Voor Jacopo’s vertrek bezochten de doge en dogaressa hem in de gevangenis. De doge was nadien een aangeslagen man. Door zijn hoge leeftijd functioneerde hij bovendien moeizaam. Dit was de reden voor de tien hem weg te sturen. Zij verzochten de doge af te treden, omdat hij de staatstaken verwaarloosde. Wegens zijn steun in de grote raad, wierp hij tegen dit verzoek hooguit van deze raad te accepteren. Jacopo Loredan stelde voor dat alleen de tien de afzettingsprocedure zou behandelen. De tien stemde voor en de grote raad bleef er buiten. Met de vernietiging van zijn ring, en het wegnemen van zijn hoed, de corno trad Foscari op 23 oktober 1457 af. Hij overleed twee dagen na de installatie van de nieuwe doge op 1 november 1457.

Conclusie

ABN-kantoor in Zwolle
ABN-kantoor in Zwolle

De tien, Senaat, grote raad en de doge beconcurreerden elkaar om de macht. De tien controleerde de overige ‘stakeholders’ maar breidde tevens zijn invloed uit. De doge was primus inter pares (eerste onder gelijken), maar de regeringsmacht lag bij de zes procuratoren. Zowel de tien als de procuratoren konden de doge afzetten. Doge Foscari had zijn grootste aanhang in de grote raad. De raad kon echter formeel niet tussenbeide komen in conflicten tussen de doge en de tien. Aan de veroveringen op het vasteland ontleende doge Foscari zijn prinselijke status.
De maritieme familie Loredan werd zijn voornaamste tegenstander. De tegenvallende resultaten van de land- en zee oorlogen en privé omstandigheden verzwakten echter zijn bureaucratische rol als “stakeholder’ om de macht.

De Loredan-clan, vertegenwoordigd in de tien, beschuldigden familieleden van de doge van corruptie. De doge voorzag niet dat hij de tien gelegenheid bood hem af te zetten door zijn zoon te beschermen. Zij vonden een argument in zijn verminderd functioneren na de dood van Jacopo. Door zijn hoge leeftijd kon hij immers zijn taken niet meer aan. Het handelen zonder bewijzen van Jacopo’s schuld aan een moord, alsmede het onnodig buiten spel zetten van de grote raad doet vermoeden dat de tien van de doge af wilden. Dit alles had de schijn van kwade opzet. De afzettingsprocedure van doge Francesco Foscari was daarom geen toeval. Het was een coupe.

Rijkman Groenink had geen grote raad die hem steunde, zoals doge Foscari die wel had. Veel maakte het niet uit. De tien negeerde immers de raad. Voor de doge en de bankpresident kwam het gevaar niet van buiten maar helaas van binnen. De bureaucratie adviseerde hen in goede tijden, maar stuurde hen weg toen het tij keerde. De les voor de huidige CEO is daarom dat de inzet van bijvoorbeeld veelbelovend beleid (terra-ferma politiek) of succesvolle overnames van concurrenten (Antonveneta) blijkbaar geen garanties bieden voor de eigen toekomst. Wat dat betreft komen politiek en bedrijfsleven overeen. De ervaringen van Eelco Brinkman, Ed van Thijn, Arthur Doctors van Leeuwen, en Ella Vogelaar die vanuit de directe omgeving ten val werden gebracht lijken dit te bevestigen.

~ Archibald van Willigenburg

Literatuur:

  • J.Smit, De prooi, blinde trots breekt ABN-AMRO (Prometheus, Amsterdam 2008)
  • D.Romano, The likeness of Venice, a life of doge Francesco Foscari 1373-1457
    (Yale University Press 2007)

  • P.F.Brown, The renaissance in Venice (George Weidenfeld & Nicolson ltd 1997)
  • G. Lorenzetti, Venice and its lagoon (Edizioni Lint Trieste 1975)
  • J.Morris, The Venetian empire, a sea voyage ( Clays ltd, 1980)
  • M.Kaminsky, Kunst & Architecture Venetie, (Konemann 2000)

© 2009, A.l.van Willigenburg, All rights reserved

Archibald van Willigenburg (04-01-1961) is publicist. Dit artikel is o.a. ontstaan op basis van zijn doctoraal-scriptie Economische Geschiedenis, “merchant-banking, een onderzoek in projectfinanciering 1792-1887” (Archief Bank Mees & Hope Rotterdam, 1988), Cursus Italiaans (1999) te Venetië en zijn interesse in de Dogen. Hij schreef eerder ‘De EU maakt het Middellandse – zeegebied interessanter’ (Schuttevaer 2005) en ‘Doris biedt kansen voor Shortsea’ (Schuttevaer 2006).

Dit atikel is afkomstig van online geschiedenismagazine www.historiek.net

Meer van dit soort berichten? Like ons dan!

Gelijk naar geschiedenisboeken over:
Ook adverteren op Historiek?
Goede keus! Klik hier