Volgens de Kerk kon de ziel van ketters alleen gered worden door de louterende werking van de vlammen. (cc0 - Pixabay - Alexas_Fotos)

De heksenvervolging van paus Innocentius VIII (1432-1492)

Van sinds haar ontstaan had de Rooms-Katholieke Kerk het niet zo begrepen op andersdenkenden die gemakkelijkheidshalve al vlug bestempeld werden als ketters en heksen. Op initiatief van paus Innocentius VIII begon de inquisitie einde vijftiende eeuw een ware kruistocht tegen hekserij, een ideologische strijd die in heel Europa nog lang zou nazinderen. Hieronder een beklijvende kijk op een weinig fraai hoofdstuk uit onze geschiedenis:

De pauselijke bul “Summis desiderantes affectibus”1

Summis desiderantes affectibus, de pauselijke bul van Innocentius VIII
Innocentius die door zijn levenswandel en nepotisme nu niet bepaald zelf een voorbeeld was van spiritualiteit, vaardigde in 1484 hoger vernoemde bul uit waarin hij uitvoerig beschreef hoe heksen vervolgd, berecht en gestraft moesten worden.

Twee Dominicanen broeders, Heinrich Kramer (ca. 1430-1505), beter bekend onder zijn gelatiniseerde naam Henricus Institor, en Jacobus Sprenger (ca. 1437-1495), zagen in de pauselijke bul een legitimatie om een niets ontziende heksenjacht te ontketenen. In een berucht geworden driedelig handboek met als veelzeggende titel: “Malleus Maleficarum”2, beschreven ze nauwgezet hoe men heksen herkende, moest ondervragen en welke folteringen het best toegepast konden worden om ze tot bekentenissen te dwingen. De foltermethodes die beide fraters in hun leidraad bedachten behelsden verschillende gradaties en gingen, om er maar enkele te vernoemen, van het aandraaien van duimschroeven en het uittrekken van ledematen op de pijnbank tot het verbrijzelen van handen, armen en benen.

Algauw kweten overijverige rechtbanken zich zowat overal te lande om heksen op te sporen en te berechten. Vele onschuldigen bekenden, uit vrees gefolterd te worden spontaan alle beschuldigingen, waarna ze na een schijnproces dat meestal slechts enkele minuten duurde, veroordeeld werden tot de dood op de brandstapel. Volgens de toen gangbare katholieke kerkleer kon de ziel van heksen en duivelaanbidders immers enkel gered worden door de louterende werking van de vlammen.

Het heersende idee om zich over het zielenheil te bekommeren was dermate groot dat diegenen die tijdens hun ‘ondervraging’ berouw betoonden en een spijtbekentenis aflegden, bij wijze van clementie eerst gewurgd werden alvorens alsnog verbrand te worden…

Impact van een dogmatische leerstelling

Vrij snel hadden heksenvervolgingen grote delen van het Europese continent in hun greep. De vrees voor rondtrekkende inquisiteurs die overal het werk van de duivel zagen, was bij de bevolking zozeer ingeworteld dat niemand nog zeker was van zijn leven. In tegenstelling tot wat men vaak denkt, dient het hoogtepunt van de vervolgingen niet gezocht te worden in de middeleeuwen, maar wel tussen het begin van de zestiende tot ver in de achttiende eeuw. Precieze cijfers zijn er niet, maar naar schatting zijn in die periode vele tienduizenden onschuldigen op de brandstapel terecht gekomen of op één of andere manier het slachtoffer geworden van deze tot dan toe ongeziene repressie.

Vervolging van Josyne Van Vlasselaer

In de daaropvolgende decennia na het verschijnen van Innocentius’ bul gingen, net zoals in de meeste Europese landen, de heksenvervolgingen ook in onze contreien onverdroten verder. In het Brussel van 1595 beroerde op een bepaald moment een geval van hekserij de goegemeente.

Josyne, een eenvoudige plattelandsvrouw werd in de zomer van dat jaar op verdenking een pact met de duivel gesloten te hebben, aangehouden en naar de gevangenis van Brussel overgebracht. Daar werd ze dagenlang hardhandig ondervraagd en hoewel ze met de moed der wanhoop alle aantijgingen met klem ontkende, ging ze uiteindelijk verzwakt en uit angst voor verdere folteringen toch tot bekentenissen over. Daarmee was haar lot bezegeld. Kort daarna werd de ongelukkige bij wijze van afschrikwekkend voorbeeld op de Brusselse Grote Markt levend verbrand…

Schilderij met daarop een afbeelding van Anna Göldi (Goeldi) – cc
Ook in tal van andere dorpen en steden werd een meedogenloze jacht gevoerd op van hekserij verdachte vrouwen. Aangenomen wordt dat in de periode tussen 1590 en 1648, alleen al in de Zuidelijke Nederlanden, meer dan honderddertig zogenaamde heksen werden vervolgd, vaak met instemming van de ‘Grote Raad van Mechelen’, het hoogste rechtscollege in de Nederlanden.

Pas onder invloed van de Verlichting groeide halverwege de achttiende eeuw bij theologen en rechtsgeleerden het besef dat de kerkelijke opvattingen over heksen en duivelaanbidders aan herziening toe waren. Toch werd in juni 1782 Anna Göldi, een Zwitsers dienstmeisje, op beschuldiging van hekserij nog ter dood veroordeeld en publiekelijk onthoofd. Daarmee was ze de laatste persoon die in Europa als heks aan haar einde kwam…

~ Rudi Schrever
Brusselse stadsgids | Rondleidingen op aanvraag | rudi.schrever@skynet.be

Bronnen

1 – Vrij vertaald naar het Nederlands: “Omdat we (er) ten zeerste (naar) verlangen”.
2 – In een Nederlandse vertaling: “De hamer (of kwade daad) van de boosdoeners”. Het boek werd nadien bekend onder de benaming van “De heksenhamer”.