Nieuwe uitgave reeks Koninkrijk der Nederlanden

Een nieuw koninkrijk, een nieuwe kunst
Een nieuw koninkrijk, een nieuwe kunst
De werkgroep Verenigd Koninkrijk der Nederlanden en het Algemeen-Nederlands Verbond (ANV), een samenwerkingsverband van onderzoekers die de periode 1815-1830 onderzoeken, heeft kortgeleden deel 5 gepubliceerd in de reeks “Noord en Zuid onder Willem I”. De delen in deze informatieve en handzame reeks, die onder redactie staat van Rik Vosters en Janneke Weijermars, zijn voorzien van een cd met daarop een hoorcollege en zijn te bestellen via de link onderaan deze aankondiging.


Het vijfde deel, getiteld Een nieuw koninkrijk, een nieuwe kunst, gaat over de kunst in de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden van 1814 tot 1830. Dit deel is geschreven door de historici Eveline Koolhaas en Anna Rademakers. Centraal in dit deel staat de schilderkunst die in dit tijdvak is geproduceerd en die betrekking had op het bestaan van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden sinds 9 juni 1815, de dag dat de Slotakte van het Congres van Wenen werd ondertekend.

Vlaamse en Hollandse school: essentiële verschillen

De hoop vanuit met name politieke kringen was dat de schilderkunst van de Vlaamse school en de Hollandse school zich zou verenigen. Er zou, zo hoopte men, een nieuwe schilderkunst ontstaan. Sinds de zeventiende eeuw was er een duidelijk onderscheid tussen de schilderkunst in de Noordelijke en in de Zuidelijke Nederlanden, aldus de auteurs. De term ‘Nederlandse school’ is dan ook ongenuanceerd, er moet gesproken worden van enerzijds een Hollandse, anderzijds een Vlaamse school. Zo bleef de Vlaamse school het penseel hanteren in de stijl van Peter Paul Rubens, terwijl de Hollandse school de losse penseel van Rembrandt verruilde voor een uiterst fijne penseel (denk aan de fijnschilder Gerard Dou). De Hollandse school had een sterkere vrijheidsdrang dan de Vlaamse. Maar dat was niet het enige verschil:

“Eén ding hebben de Hollandse schilders wel gemeen, en dat is dat zij, ieder op een eigen manier, de eenvoudige natuur als voorbeeld genomen hebben. De Vlamingen daarentegen hebben altijd meer het ideale schoon nagestreefd. Deze essentiële verschillen laten zien hoe verkeerd het is te spreken van een Nederlandse school als het gaat om de zeventiende-eeuwse kunst, of nog erger, de begrippen Vlaamse en Hollandse school door elkaar te gebruiken, een fout die te vaak is gemaakt.” (14)

Het waren vooral het verschil in godsdienst en staatsvorm die de artistieke afstand tussen het Noorden en Zuiden hadden veroorzaakte. Vanaf 1815 bleven de verschillen bestaan. Tevens was het Zuiden sinds de 18e eeuw, veel sterker dan het Noorden, georiënteerd geraakt op het Franse neoclassicisme.

- advertentie -

Pogingen

Er waren wel theoretische en praktische pogingen om een gemeenschappelijke Nederlandse kunst op de kaart te zetten. Deze kwamen onder meer van de Amsterdamse griffier Jeronimo de Vries (1776-1853) en de Antwerpse literator – alias de ‘Vader van de Vlaamse Beweging’ – Jan Frans Willems (1793-1846). Ook het Koninklijk Instituut van Wetenschappen, Letterkunde en Schoone Kunsten, dat was opgericht door Lodewijk Napoleon en eveneens onder Willem I diende als cultureel adviesorgaan, probeerde een nieuwe nationale kunst te laten opbloeien.

De auteurs concluderen dat het streven naar een gemeenschappelijke Nederlandse kunst uiteindelijk is mislukt:

“Alle optimisme van de tijdgenoten ten spijt, is het nooit echt gekomen tot een nieuwe Nederlandse schilderschool – dat gedroomde ‘uitmuntende geheel van grootheid en bevalligheid’. Voor protagonisten als Willems en De Vries moet dit een bittere pil zijn geweest.” (54)

Dit deel is te bestellen via werkgroepvkn.eu

Bekijk ook onze uitgebreide onderwerpenlijst of het personenregister

Gelijk naar geschiedenisboeken over: