Verbod op ‘onderling kijven, twisten of schelden’

Serie: Verhalen uit de Koloniën van Weldadigheid
De Maatschappij van Weldadigheid wilde de armen ‘opbeuren’ uit de ‘zedelijke verbastering’ waar zij door hun jarenlange armoede in terecht gekomen waren. Zij stichtte van 1818 tot 1825 de koloniën Frederiksoord, Wilhelminaoord, Willemsoord, Ommerschans en Veenhuizen. Wil Schackmann schreef over die koloniën van weldadigheid vier boeken: De proefkolonie, De bedelaarskolonie, De kinderkolonie en De strafkolonie. Dertien weken lang publiceert hij op deze plek Verhalen uit de koloniën, afkomstig uit die boeken en uit het restmateriaal.


Kijven, twisten en schelden

Een van de zaken waarmee de diverse raden van tucht in de koloniën van weldadigheid zich bezig houden, is het handhaven van het verbod op ‘onderling kijven, twisten of schelden’. Ruzie maken is verboden, ook als het blijft bij woorden. Die laatsten zijn soms curieus. Een kolonistenzoon in Frederiksoord verdedigt zich voor de tuchtraad dat hij een andere jongen niet geslagen heeft – ‘ik heb hem op school alleen voor Hakselmes uitgescholden’. Een hakselmes is een zwaar mes met twee of drie omlaaggebogen punten, geschikt voor het in stukken hakken van bijvoorbeeld braamstruiken. Als scheldwoord is het in onbruik geraakt.

Datzelfde geldt voor de woorden ‘jij mierennest’ waar een vijftienjarige kolonistendochter een wat oudere, 21 jaar, kolonistendochter voor uitmaakt. Het is een onbegrijpelijke uitdrukking, maar het komt wel aan want laatstgenoemde begint meteen klappen toe te dienen.

Als de vader van de vijftienjarige zijn dochter ontzet, voegt hij de ander toe ‘soldatenhoer’ en bij het weggaan: ‘Laat je weder opligten van de soldaten.’ Het is onduidelijk waar hij naar verwijst. Het lijkt erop te duiden dat de jonge vrouw verkering heeft gehad met een of meerdere soldaten die er daarna vandoor gegaan zijn. Als dat een gedachte is die leeft, zou het ook een duiding geven voor het scheldwoord ‘mierennest’: een plek waar iedereen zomaar in en uit loopt.

Plattegrond Maatschappij van Weldadigheid in de tweede helft van de 19e eeuw: Willemsoord, Frederiksoord, Wilhelminaoord en kolonie VII (Publiek Domein - wiki)
Plattegrond Maatschappij van Weldadigheid in de tweede helft van de 19e eeuw: Willemsoord, Frederiksoord, Wilhelminaoord en kolonie VII (Publiek Domein – wiki)

‘Sodomsgoed’

De viering van oud en nieuw 1829-1830 bij het derde etablissement te Veenhuizen ontaardt. Een kolonistenvrouw uit Den Haag wil een ook andere kolonist de hand schudden om hem een gelukkig nieuwjaar te wensen. Maar de man geeft te kennen ‘geene Schelmen Dieven en Sodomsgoed de hand te geven’. Later ontkent hij iets onbehoorlijks te hebben gezegd, maar een getuige bevestigt de scheldpartij, met dien verstande ‘dat hij het verfoeide derde woord niet gebezigt had’.

De man van de vrouw wier hand versmaad is, meldt in zijn eigen woorden ‘zich op dergelijke gezegdes niet gelaten te hebben kunnen houden’ en stormt het huis van de ander binnen om eerst hem en daarna diens vrouw ‘erge slagen aan deszelfs hooft’ toe te brengen. Hij wordt gevolgd door zijn vrouw, die het tafereel opsiert met ‘scheldwoorden en verwijtingen’, en daarna door zijn dochter, die de ruit van de woning inslaat en van buitenaf ‘geweldige scheldwoorden’ aan het geheel toevoegt.

Ruzie om een duif

Twee andere Veenhuizenaren hebben ruzie over een duif. De ene vangt de vogel in een dakgoot ‘bij gelegenheid van het schoonmaken der gooten van het hoofdgebouw’, waarop de ander de duif reclameert omdat die van hem is. Daarop had de eerste gezegd: ‘Haal hem dan vandaan, waar ik hem gevonden heb’, en hij laat de vogel wegvliegen. ‘Hierover ontstond krakeel.’

Boeken van Wil Schackmann over de Koloniën van Weldadigheid
Boeken van Wil Schackmann over de Koloniën van Weldadigheid
Dat vindt plaats in het huis van de duivenvanger, en daarbij speelt een mes een rol. Alleen is lang onduidelijk welke rol. Volgens de duivenvanger heeft de ander ‘een mes van de tafel gegrepen, om hem daarmede aanteranden’, terwijl die dat ontkent en juist de echtgenote van de duivenvanger aanwijst als degeen ‘welke een mes had gegrepen’. Een getuige, die ‘als middelaar’ het huis in komt en de partijen uit elkaar haalt, verklaart geen mes gezien te hebben.

Maar een zoon van een andere kolonist kan uitsluitsel geven. Hij ‘getuigt dat een oud mes hetwelk op de tafel lag op de grond viel’. Uit angst dat de duifeigenaar dat tegen hen zou gebruiken raapt de vrouw des huizes het snel op, waarop de duifeigenaar weer denkt dat zij hem te lijf wil gaan en ook hij naar het mes grijpt. ‘Uit welk een en ander dus blijkt,’ constateert de raad van tucht bij het derde etablissement te Veenhuizen, ‘dat beiden een en hetzelfde vrees voor dat mes hebben gehad.’

En uit opluchting geeft ze in dit geval geen straf. Bij andere zaken wordt degene die scheldt of kijft of slaat veroordeeld tot een paar dagen opsluiting in de strafkamer op de kolonie. Of men krijgt van de voorzitter van de raad een ‘ernstige vermaning’. Is er sprake van aanhoudende twist tussen twee families, dan heeft de tuchtraad een efficiënte oplossing: ze plaatst een van de gezinnen over naar het andere eind van de kolonie.

~ Wil Schackmann

Reeks: Verhalen uit de Koloniën van Weldadigheid
Overzicht van boeken van Wil Schackmann


Archiefstukken:

Meer tips ➱

Verder speuren:

Bekijk ook onze uitgebreide onderwerpenlijst of het personenregister