Onwillige volksgenoten
Sinds de jaren negentig is onder zowel historici als in het Duitse maatschappelijke debat de duidelijke tendens zichtbaar om de mate van steun van de Duitse bevolking voor het nationaalsocialistische regime in te schatten als bijzonder hoog. Ook gerenommeerde historici zijn het hierover eens. Deze tendens wordt geïllustreerd door formuleringen zoals Backing Hitler (de titel van een Engelstalig geschiedkundig werk van Robert Gellately) of Zustimmungsdiktatur (van Frank Bajohr en Götz Aly). Hans-Ulrich Wehler constateert in zijn omvangrijke maatschappijhistorische studie dat het NSDAP-regime kon bogen op de ‘onstuimig groeiende en uiteindelijk geestdriftige instemming van de Duitse samenleving’.
Hij durft zelfs te speculeren dat als er op het hoogtepunt van de populariteit van het regime (in 1940) verkiezingen zouden zijn gehouden, ‘de nazi’s misschien niet alle, maar toch zeker 95 procent van de stemmen hadden gekregen’.

In zijn onderzoek naar de ‘noodlottige aantrekkingskracht van het nationaalsocialisme’ gaat Thomas Rohkrämer er als vanzelfsprekend van uit ‘dat een meerderheid steun verleende aan een moorddadige en uiteindelijk ook suïcidale politiek’. En Norbert Frei geeft eveneens lucht aan zijn overtuiging ‘dat destijds bijna de gehele Duitse natie zich identificeerde met Hitler en zijn doelen, en zelfs in hoge mate met zijn beleid ten opzichte van de Joden.’
In recente overzichtsstudies, die vooral voor studenten zijn bedoeld, wordt deze voorstelling van zaken inmiddels gepresenteerd als een kennelijk onomstotelijk feit. Jörg Echternkamp schrijft bijvoorbeeld:
De meeste Volksgenosse […] waren het fundamenteel eens met het beleid van het regime. Hun instemming werd niet afgedwongen door controle of repressie. En evenmin door propaganda, waarvan de gevolgen beperkt bleven.’
Ook Michael Wildt twijfelt er niet aan dat de nationaalsocialisten erin waren geslaagd om ‘een op volk, ras en Führer gebaseerde dictatuur op te tuigen die steunde op de instemming van een grote meerderheid van de Duitsers.’
De beschreven tendens steunt op de vele publicaties waarin wordt gesteld dat het nationaalsocialistische concept van Volksgemeinschaft in elk geval als ‘belofte’ buitengewoon aantrekkelijk en invloedrijk is geweest.
Niet toereikend onderbouwd
En toch vertoont deze in de recente historiografie zo prominente voorstelling dat de Duitsers, aangetrokken als ze werden tot de utopie van de ‘Volksgemeinschaft’, in grote meerderheid met het beleid van het regime instemden, een fundamentele zwakke plek: ze is helemaal niet toereikend onderbouwd met historische bronnen en bewijsmateriaal.
Wat wel buiten kijf staat is dat een grote meerderheid in het dagelijks leven het nationaalsocialistische beleid de facto mede mogelijk maakte of op z’n minst accepteerde, natuurlijk met uitzondering van die enkele gevallen waarin kritiek en protesten het regime ertoe noopten om maatregelen terug te draaien of aan te passen (zoals gebeurde met de aanpassing van het ‘euthanasie’-programma in de zomer van 1941 en de herziening van verschillende antikerkelijke besluiten). Waar het in feite steeds op aankomt, is de vraag in hoeverre de bereidheid tot medewerking of beter gezegd volgzaamheid van mensen een signaal was van de werkelijke instemming van een duidelijke meerderheid, of dat de Duitsers uit opportunisme, uit angst voor repressie of omdat ze anderzijds onder meer of minder druk stonden, hun houdingen fundamenteel aanpasten aan de nationaalsocialistische richtlijnen.

Sommige auteurs menen dat de hoge percentages ja-stemmen bij de bevolkingsreferenda en ‘verkiezingen’ die het regime in 1933, 1934, 1935, 1936 en 1938 organiseerde een aanwijzing zijn dat het regime inderdaad bijzonder populair was. Maar daarbij negeren of onderschatten ze toch echt zowel de mate waarin de kiezers werden geïntimideerd en onder druk gezet, als de mate waarin de uitslagen werden gemanipuleerd (zoals in sommige gevallen aantoonbaar is gebeurd).
De citaten uit brieven en dagboeken uit die tijd die blijk geven van een enthousiaste loyaliteit aan het regime, dan wel uit later geschreven memoires die deze houdingen proberen te verklaren, hebben ten hoogste illustratieve waarde. Omvangrijkere analyses van dit soort getuigenissen, zoals de studie die Janosch Steuwer maakte van 140 dagboeken, kunnen inderdaad bepaalde patronen blootleggen van de manieren waarop individuen zich een plek binnen het Derde Rijk probeerden te verschaffen. Maar ook die rechtvaardigen nog geen verstrekkende conclusies over de omvang van de instemming met het regime.
Lage- und Stimmungsberichte
En toch beschikken we over een rijke bron aan informatie over de opstelling van mensen ten opzichte van de nazi’s. Dat zijn de zogenoemde Lage- und Stimmungsberichte, rapporten over de stemming onder de bevolking die ten tijde van het Derde Rijk en op basis van grootschalig onderzoek door verschillende instanties werden opgesteld. Meestal gebeurde dit met intervallen van een maand. De hieruit afkomstige getuigenissen kunnen tot op zekere hoogte worden gecontroleerd aan de hand van de rapporten die de SPD in ballingschap opstelde op basis van evenzo periodiek uit het Derde Rijk gesmokkelde informatie.

Natuurlijk hebben historici deze verslagen al intensief bestudeerd. Daarbij moet in de eerste plaats het werk worden genoemd van Marlis Steinert, Hitlers Krieg und die Deutschen, evenals dat van de Britse historicus Ian Kershaw, die de Beierse rapporten tot op plaatselijk niveau grondig onder de loep heeft genomen. Uit beide studies blijkt dat in deze officiële rapporten een aanzienlijke mate van onvrede over het nationaalsocialistische beleid naar voren komt, maar ook dat dit misnoegen niet werd gekanaliseerd in een brede oppositiebeweging.
Bovendien beklemtoont Steinert, en Kershaw trouwens ook, maar dan in The ‘Hitler Myth’, dat deze officiële rapporten duidelijk maken dat de brede onvrede ruimschoots wordt gecompenseerd door het grote vertrouwen in de charismatische ‘Führer’, Adolf Hitler. Dat vertrouwen zou tot diep in de oorlog voortbestaan. Steinert en Kershaw hechten in de regel geloof aan deze informatie, al vragen beiden zich ook regelmatig af of bepaalde passages niet domweg de typische holle frasen van de nazipropaganda nabauwen. Daarnaast zijn er sinds de jaren zeventig een reeks regionale, in tijdsvakken afgebakende, of thematisch gerichte onderzoeken naar de ‘stemming onder de bevolking’ verschenen, waarbij de focus vaak lag op de reacties van de Duitsers op de Jodenvervolging.
Tot dusver heeft nog niemand geprobeerd om op basis van dit materiaal een verstrekkende ‘stemmingsgeschiedenis’ over de periode 1933 tot en met 1945 te schrijven. Dat zal niet in de laatste plaats te maken hebben met zowel de reusachtige omvang van het beschikbare materiaal als het gegeven dat het verstrooid ligt over tal van archieven. Inmiddels wordt het de historicus echter wel makkelijker gemaakt. Zo zijn er ondertussen meer dan een tiental boeken over afzonderlijke regio’s verschenen. Bovendien kunnen omvangrijke informatiebestanden, zoals de goed bewaard gebleven ‘Berichte der bayerischen Regierungspräsidenten’ en de informatie uit het Reichssicherheitshauptambt van het Bundesarchiv, tegenwoordig online worden geraadpleegd.
Ook werden de rapporten over de reacties op de Jodenvervolging door Otto Dov Kulka en Eberhard Jäckel uitvoerig besproken in Die Juden in den geheimen NS-Stimmungsberichten. Bijgevolg konden er voor deze studie, met inbegrip van aanvullend archiefonderzoek, zo’n vijfduizend rapporten worden geanalyseerd. Daardoor kon een grote meerderheid van de overgeleverde documenten op het niveau van de Regierungsbezirke (regio’s binnen de deelstaten; of op het niveau van vergelijkbare dan wel grotere gebieden, die toen nog Altreichsgebiete heetten) uit 1937 worden behandeld. De rapporten van de afdelingen van de Beierse regiopresidenten vormen weliswaar de enige reeks verslagen die gedurende de periode 1933-1945 aaneengesloten werden opgesteld, maar doordat de andere rapportenreeksen verschillende perioden beslaan, kunnen ze elkaar aanvullen. Zo ontstaat alsnog een relatief evenwichtig beeld. Al moeten we voor de jaren 1936 tot en met 1939 een zekere ‘overhelling’ naar Beieren voor lief nemen.
(…)
Uit de analyse van de informatierapporten in hun context en bovenal uit de vergelijking van het materiaal dat tegelijkertijd door uiteenlopende instanties in verschillende delen van Duitsland werd verzameld, komt een totaalbeeld naar voren dat veel gedifferentieerder is dan het beeld van een ‘Zustimmungsdiktatur’, oftewel een dictatuur waarmee de overgrote meerderheid instemde. Sterker nog: bij deze conclusie moeten nadrukkelijk vraagtekens worden geplaatst.
Uit de rapporten blijkt namelijk dat de meerderheid van de bevolking zich helemaal niet kon vinden in de centrale ideologisch-politieke principes van de nationaalsocialisten. Op belangrijke vlakken bestond er zelfs vergaande ontstemming over, en onvrede met het NSDAP-beleid. Dat de grote meerderheid zich desondanks op meer of minder volgzame wijze schikte naar de koers van het regime en het daarmee mede mogelijk maakte dat het zijn door en door ideologische doelstellingen in de praktijk kon omzetten, wil zeggen dat de ‘Duitse catastrofe’ aan een herwaardering toe is.

Duitse ‘ongehoorzaamheid’ na Operatie Walküre
De 42 aanslagen op Adolf Hitler
Nazi-regime werd eerder gedoogd dan gesteund
De Britse nachtbombardementen op Rotterdam, 1940-1942
Raoul Wallenberg (1912-1952) – Zweedse oorlogsheld
Schuldig landschap in Beieren