- De Marokkaanse militaire bijdrage aan de strijd tegen nazi-Duitsland 1940-1945
- 1940: La Horgne – Chastres – Kapelle
- ‘Heroïsche’ gevechten
- Eerherstel
- Evacuatie
- Springplank Noord-Afrika 1942-1943
- Operatie ‘Torch’
- Drie commandanten
- ‘Goums’
- Kenmerken
- ‘Tabor’
- Sicilië
- Effectieve bergtroepen
- Operatie ‘Overlord’
- Corsica
- De opmars naar Cassino
- Geen gunstige vooruitzichten
- Cruciale fase van de oorlog
- Opgesloten in een bruggenhoofd
- Monte Cassino
- Onherbergzaam gebied
- Stap voor stap, bergtop na bergtop
- Uitputting
- Bombardementen
- Duitse tegenstand
- Bevrijding van Rome
De Marokkaanse militaire bijdrage aan de strijd tegen nazi-Duitsland 1940-1945
Heden ten dage zijn het vakantiebestemmingen: Sicilië, Midden-Italië, Corsica, de Vogezen… Wat deze gebieden militair-historisch bindt is veel minder bekend: mede door de inzet van Marokkaanse troepen zijn ze bevrijd van de Duitse bezetter. Dat Franse koloniale troepen zoals Algerijnen, Tunesiërs, Marokkanen, Senegalezen in grote getale in Europa hebben gevochten, is een minder belicht onderdeel van de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog.

1940: La Horgne – Chastres – Kapelle
Rondom de Noord-Franse stad Sedan speelde zich in mei 1940 een cruciale en beroemde episode af in de opmars van de Duitse pantserlegers door Noord-Frankrijk. De tanks van Heinz Guderian maakten hier hun Maasovergang en brachten de genadeklap toe aan het Franse leger. Het gebied, met zijn verstilde boerendorpen en glooiende groene heuvels, verbergt voor de hedendaagse bezoeker een weinig bekend element uit de Tweede Wereldoorlog: in een piepklein dorpje zo’n kilometer of twintig ten zuidwesten van Sedan bevindt zich een islamitische begraafplaats.
Het is een merkwaardig gezicht, die islamitische symbolen tussen de Franse boerderijen. Het is de erebegraafplaats van de spahis, de Marokkaanse cavalerie van het Franse leger, die in La Horgne op 15 mei 1940 zijn laatste strijd tegen de oprukkende Duitse pantserlegers streed.
‘Heroïsche’ gevechten
De historicus Claude Gounelle stelt dat de Fransen van alle confrontaties van 1940 juist deze gevechten van Marokkanen en Algerijnen als de meest heroïsche beschouwen.1 Achter barricades en vanuit loopgraven hielden de spahis van 9 uur in de ochtend tot 5 uur in de middag de Duitse tanks tegen en vertraagden daarmee de opmars van Guderians Panzerkorps naar de Franse kust. Die hardnekkige strijd kostte de helft van de spahis het leven.
Dit was zeker niet de eerste noch de enige keer dat Marokkaanse troepen in de meidagen van 1940 in zware gevechten verwikkeld waren. Noord-Afrika leverde een substantieel deel van het Franse leger. Dat wil zeggen, de troepen kwamen uit Marokko, Algerije of Tunesië, de officieren waren Frans. Op deze wijze kon het Franse leger een omvang hebben die niet geheel gedragen hoefde te worden door de eigen Franse bevolking. En dat was politiek geen ongewenste situatie. Spahis2, tirailleurs marocains3 of algériens, zouaves en chasseurs d’afrique, het waren vertrouwde onderdelen van de Franse krijgsmacht.

Twee Marokkaanse eenheden schreven in die hectische dagen van mei 1940 geschiedenis. In de eerste plaats de genoemde spahis. Terecht worden ze tot op de dag van vandaag in La Horgne geëerd. Maar er was wel iets aan vooraf gegaan. De eigenlijke taak van deze eenheid was verkenningen uit te voeren in de Belgische Ardennen. Op het moment dat de Duitse aanval op 10 mei 1940 van start ging, trok de Franse cavalerie massaal de Ardennen in om de vijandelijke opmars af te tasten en het noordwaarts, naar de Maas oprukkende Franse leger enige tijd te geven zich daar ter verdediging in te richten.
Aan de Maas, zowel in Frankrijk, maar vooral in België zou de Duitse opmars gestuit moeten worden. Tijdens die cavalerie-opmars in de Ardennen ging het wat de spahis betrof, behoorlijk mis. De eenheid, bestaande uit een regiment Marokkanen en een regiment Algerijnen, beide te paard, raakte in de chaos van de onverwacht sterke Duitse opmars de samenhang met de buureenheden kwijt.
Eerherstel
Aan de rivier de Semois in de zuidelijke Belgische Ardennen viel, toen de spahis iets te snel terugtrokken, tijdens de duisternis en de chaos van de terugtocht op 11 mei een gat in de linies. De Duitsers maakten van deze gelegenheid handig gebruik, staken de Semois bij het stadje Bouillon over en bedreigden de Franse cavalerie-eenheden in de rug. Dit versnelde de Duitse opmars naar Sedan. De spahis zagen te laat wat er gebeurde en waren de volgende dagen gebrand op eerherstel.
Die kans kregen ze. Vanaf 13 mei werden de Noord-Afrikanen ingezet aan de westelijke zijde van wat inmiddels het Duitse bruggenhoofd over de Maas bij Sedan was geworden. Vanuit dit bruggenhoofd wilden de Duitsers met hun pantserleger in westelijke richting zo snel mogelijk door Noord-Frankrijk oprukken naar de kust van Het Kanaal. Het was tijdens die opmars dat spahis en tanks elkaar bij La Horgne ontmoetten.
Op die dag, 15 mei 1940, was het de Franse legerleiding duidelijk geworden dat de Duitse inval volgens een geheel ander scenario was verlopen dan zij zich had voorgesteld. De Fransen hadden verwacht dat het zwaartepunt van de Duitse invasie in België zou liggen, ongeveer tussen Brussel en Namen, omdat het glooiende terrein daar veel geschikter was voor optreden van gemechaniseerde eenheden dan de Ardennen.
Daarom stuurde de Fransen hun beste eenheden België in om in de lijn Antwerpen – Brussel – Namen de verdediging te voeren. Het gevaarlijkste deel van deze linie was het zogenaamde gat van Gembloux, ruim dertig kilometer breed, zonder enige natuurlijke hindernissen en zeer geschikt voor inzet van tanks. De Duitse legerleiding wist dat de Fransen daar de Duitse hoofdaanval verwachtten, en daarom kreeg het pantserkorps van Erich Hoeppner de opdracht de Fransen bij Gembloux aan te vallen.
Zo lang mogelijk moesten de Fransen in hun eigen illusies blijven geloven. Hier treffen we ook Marokkanen aan. De Eerste Marokkaanse divisie4 onder generaal Meilier, die zelf lange tijd in Marokko had gediend, was ingedeeld in het Eerste Leger dat tussen Leuven en Namen opgesteld stond. Op 14 en 15 mei 1940 vielen de Duitse pantsers, gesteund door vliegtuigen, van Heeresgruppe B opgerukt via Maastricht, de Fransen aan. De Fransen, minder modern bewapend dan de Duitsers, deden hun uiterste best. In hun ogen was dit de Duitse hoofdaanval en werd hier het lot van Frankrijk beslist.
Twee dagen lang duurde de strijd, de Marokkaanse tirailleur-regimenten verloren twintig tot zelfs vijftig procent van hun manschappen. Zonder het te weten deden ze precies wat de Duitsers wilden: wegblijven uit de Ardennen en Noord-Frankrijk, om Guderians hoofdaanval ruim baan te geven. Evenals in La Horgne resteren tot op de dag van vandaag de islamitische graven in de heuvels van Wallonië. De gesneuvelde Marokkanen zijn begraven in Chastres bij Gembloux.5

Evacuatie
Op 26 mei begon de evacuatie van de geallieerden vanuit het bruggenhoofd van Duinkerken naar Engeland. Hierbij waren verschillende Marokkaanse eenheden betrokken. Velen wisten het vege lijf te redden, maar een aantal moest de vluchtpoging met de dood bekopen. Hun stoffelijke resten spoelden in de weken nadien aan op de kust van België en Nederland.
In het Zeeuwse Kapelle, op een begraafplaats voor Franse militairen die in Nederland zijn gesneuveld, vonden zij hun laatste rustplaats. Van de 23 geïdentificeerde Franse militairen van Arabische afkomst is van een viertal zeker dat het Marokkanen waren.
Springplank Noord-Afrika 1942-1943

Operatie ‘Torch’
Waar lag de loyaliteit van de Franse troepen? Bij De Gaulle, die op eigen houtje in Londen was begonnen of bij Vichy, de wettige regering, maar aan Duitse leiband? Het duurde tot eind 1942 totdat er weer enig licht in de duisternis kwam. In november 1942 voerden de geallieerden de operatie Torch uit; de landing in Noord-Afrika. De Franse bevelhebbers in Marokko en Algerije, aanvankelijk trouw aan Vichy, besloten zich niet tegen de geallieerden te verzetten maar samen met hen te strijden tegen de Duitsers die zich nog in Tunesië en verder oostelijk daarvan bevonden.
Met de invasie in Noord-Afrika begon een nieuwe fase in de geschiedenis van de Marokkaanse eenheden in Europa. Noord-Afrika werd in 1943 de bakermat voor het nieuwe Franse leger dat zou deelnemen aan drie invasies op het Europese continent, geplaatst onder bevelhebbers die vaak erg vertrouwd waren met de magreb en zijn troepen. Bovendien waren ze gebrand op een prominente rol voor Franse troepen in de bevrijding van Europa, en in het bijzonder natuurlijk van Frankrijk zelf.
De schandvlek van de chaotische ineenstorting van mei 1940 moest zo snel mogelijk uitgewist worden. Dat in dit nieuwe Franse leger ruimschoots plaats was voor koloniale troepen stond buiten elke discussie. Frankrijk had ze nodig en kende hun militaire kwaliteiten.
Drie commandanten

De drie commandanten die de eerder genoemde drie invasies met de daarop volgende opmars leidden, waren Alphonse Juin, die het Franse leger in Italië commandeerde, Jean de Lattre de Tassigny, wiens eenheden via Zuid-Frankrijk en het Rhónedal noordwaarts naar de Vogezen oprukten en ten slotte Jean Leclerc die de Franse Tweede pantserdivisie vanaf het strand van Normandië dwars door Frankrijk commandeerde tot Straatsburg.
In alle drie deze strijdmachten waren Marokkaanse eenheden vertegenwoordigd. De nadruk lag op het leger van Juin in Italië. In de onherbergzame berggebieden van Midden-Italië speelden de Marokkanen hun hoofdrol van de Tweede Wereldoorlog. Vanaf begin 1943 begonnen de Amerikanen in Marokko met de formatie en bewapening van Franse eenheden.
De eerste grote eenheid die ontstond was het Corps Expéditionnaire Francais onder Juin. Hierin namen twee Marokkaanse divisies een prominente plaats in: de Tweede Marokkaanse divisie en de Vierde Marokkaanse bergdivisie. Zij zouden de harde kern van het Franse leger in Italië vormen. Maar er was nog een eenheid onder Juins commando, die de reputatie van de Marokkanen in Europa nadrukkelijk zou bepalen, en dat waren de zogenaamde goums. Zij verdienen een toelichting.
‘Goums’
Vanaf de negentiende eeuw gebruikten de Fransen de stammen van het Atlasgebergte voor politie- en verkenningstaken. Vanaf 1908 werden zij door generaal D’Amade formeel in pelotons infanterie en cavalerie georganiseerd en staan ze bekend als goums (afgeleid van Arabische woord qum dat groep of eenheid betekent).

Kenmerken
Goums, grotendeels afkomstig uit het Chaouia-gebied onderscheidden zich door hun extreme uithoudingsvermogen, schietvaardigheid, terreinkennis en hun trouw aan Frankrijk. Daarnaast onderscheidden ze zich door hun kleding: hun authentieke gestreepte wollen uniform (de djebella), hun tulband (rezza), sandalen en mes (koumia). Juin wilde juist deze troepen inzetten in de bergachtige frontlijn van Italië. Behalve met muilezels werden de goums uitgerust met jeeps, mortieren, radio’s en vervingen stalen helmen met een halve-maanembleem de rezza.
‘Tabor’
Een goum was een compagnie van ongeveer tweehonderd man. Drie goums samen vormden een tabor, een bataljon. Daarom worden deze eenheden ook wel aangeduid als tabors. Drie tabors vormden op hun beurt een groupement de tabors marocains (GTM) onder een Franse kolonel.
De vier GTM stonden, als onderdeel van het Franse Expeditionaire leger, onder bevel van generaal Augustin Leon Guillaume, afkomstig uit de Franse Alpen, een zeer ervaren koloniaal officier met vele functies in het Franse leger in Marokko. Aan zijn krijgsgevangenschap in de Eerste Wereldoorlog had hij bovendien weinig positieve gevoelens tegenover Duitsers overgehouden. Guillaumes strijdmacht omvatte aanvankelijk 7880 man, waaronder 700 Fransen. Waarschijnlijk zijn gedurende de oorlog tussen tien en twaalf duizend Marokkaanse goums ingezet. Dat juist de inzet van deze troepen in de bergachtige streken van Zuid-Europa een gelukkige keuze was is duidelijk, maar er zat ook een keerzijde aan, zoals later zal blijken.

Sicilië
Zaterdag 10 juli 1943 was het zover. Na het Afrikakorps van Erwin Rommel verslagen te hebben, konden de geallieerden eindelijk de sprong naar Europa wagen. Met operatie Husky, de omvangrijke sea- en airborne operatie onder de twee vooraanstaande generaals Bernard Montgomery en George Patton, betraden de Britten en Amerikanen Europa. Vier dagen later, op woensdag 14 juli – een mooie datum voor Fransen – betraden de eerste Marokkaanse militairen Europa. Het waren de goums, het enige Marokkaanse legeronderdeel dat in 1940 niet in Frankrijk had gevochten, die deze eer te beurt viel.
58 Fransen en 678 Berbers samen met 117 paarden en 126 muilezels betraden het Middellandse Zee-eiland om ingedeeld te worden bij de Amerikanen onder Patton, die Palermo en Messina als prijzen voor ogen hield. Het bergachtige, droge terrein zal hen zeker aan Noord-Afrika hebben doen denken, maar de moderne bewapening van de Duitse tegenstander was hen heel wat vreemder.
Effectieve bergtroepen

De Marokkanen hadden hun visitekaartje afgegeven, in moeilijk terrein konden ze goed uit de voeten. Nu was het aan generaal Juin een zo sterk mogelijke Franse inbreng in het verdere verloop van de strijd in het Middellandse Zeegebied te bewerkstelligen. De situatie was gecompliceerd. Eigenlijk wilden de Amerikanen zo snel mogelijk naar het hart van Duitsland doorstoten, en daarvoor was een operatie aan de Franse westkust noodzakelijk. Maar zo’n omvangrijke en zeer risicovolle operatie wilden de Britten nog even uitstellen. Zij geloofden eerder in een binden en uitputten van Duitse troepen in Italië en wensten een invasie in Normandië naar een later tijdstip te verschuiven, wanneer de kans op succes groter zou zijn.
De Britten waren de gruwelijkheden van de Eerste Wereldoorlog in Frankrijk nog niet vergeten en waren niet van plan opnieuw een generatie te verliezen op slagvelden in Noord-Frankrijk. Bovendien had voortzetting van de strijd in Italië het voordeel dat een bondgenoot van Duitsland verslagen kon worden, dat vanuit Italiaanse vliegvelden Zuid-Duitsland gebombardeerd kon worden, en dat een stevige westerse presentie in het Middellandse Zeegebied voor de toekomst verzekerd was.
Vanouds was dit gebied immers onderdeel van de Britse maritieme invloedssfeer. Britse garnizoenen lagen in Gibraltar, op Malta en Cyprus en bij het Suezkanaal.

Operatie ‘Overlord’
Dit nam niet weg dat in dezelfde periode van de gevechten op Sicilië de geallieerden als plandatum voor de operatie Overlord – de invasie in Normandië – 1 mei 1944 vastlegden. Hiermee kwamen ze ook tegemoet aan Russische kritiek dat het Westen het wel prima vond dat Stalin alleen de kastanjes uit het vuur haalde. De oorlog aan het oostfront woedde immers in alle hevigheid.
Aangezien voorlopig de middelen voor een invasie in Normandië nog ontbraken, besloot de geallieerde legerleiding de strijd in het Middellandse Zeegebied voort te zetten. Inmiddels was de politieke en militaire situatie in Italië danig aan verandering onderhevig. Mussolini had de invasie van Sicilië in politieke zin niet overleefd. Hij had het veld moeten ruimen voor een nieuwe regering die bereid was met de geallieerden te onderhandelen.
Na enige tijd, op 8 september, leidde dit tot de Italiaanse capitulatie. Voor de Duitsers was dit het signaal de verdediging van Italië over te nemen, vijf dagen nadat de geallieerden aan de uiterste zuidelijke hiel van de Italiaanse laars, Calabrië, waren geland (operatie Baytown).
Terwijl de Duitsers met een planmatige efficiency alle strategische punten in Italië bezetten, landde de geallieerde vloot bij Salerno (Napels) om een Brits-Amerikaans strijdmacht aan land te zetten (operatie Avalanche, 9 september).
Corsica

Ook hier waren – onder de officieuze lijfspreuk: wie het laatst lacht lacht het best – de goums (2e groep) weer present, een andere groep dan degenen die op Sicilië (4e groep) vochten. Ditmaal vochten reguliere Marokkaanse eenheden aan hun zijde. Corsica, waar de gevechten doorgingen tot l oktober, werd de vuurdoop voor de Vierde Marokkaanse bergdivisie en de nieuwe eskadrons spahis, uitgerust met modern gemechaniseerd verkenningsmaterieel. Op 4 oktober 1943 kon deze operatie feestelijk worden afgerond met de intocht in Bastia. De goums bleven nog enige tijd om de pacificatietaak te voltooien.
De opmars naar Cassino
Vanwege de bevrijding van Corsica had Juin nog slechts twee andere divisies in de aanbieding om met de Britten en Amerikanen in Italië mee te vechten en dat waren de Tweede Marokkaanse en Derde Algerijnse divisie. Juin lobbyde om deze divisies zo snel mogelijk in Italië aan land te krijgen. De Amerikaanse bevelhebber in Italië, Mark Clark, wist hoe goed deze eenheden in bergachtig terrein konden optreden en steunde Juin in diens pogingen scheepsruimte ter beschikking te krijgen om de eenheden vanuit Algerije te verschepen.
Pas eind november was het zover. De gevechten in Italië waren toen al zo’n tien weken aan de gang, en dat waren geen gemakkelijke weken geweest. Eerst was het geallieerde bruggenhoofd bij Salerno bijna door de Duitsers terug de zee in gedreven, pas op 1 oktober konden de geallieerden Napels bevrijden, en de opmars naar Rome stuitte in de bergen achter Napels direct op omvangrijke, goed uitgebouwde Duitse verdediginglinies.
Geen gunstige vooruitzichten
De Duitsers hadden precies voldoende tijd gehad zich op alle tactisch belangrijke punten te nestelen. Met de wintermaanden in aantocht was dat voor de geallieerden geen gunstig vooruitzicht. Kleine riviertjes die door het Italiaanse berglandschap stroomden werden schier onoverkomelijke hindernissen door mijnenvelden, bunkers, opstellingen van mitrailleurnesten, en overstromingen vanwege de overvloedige regenval.
Namen als Volturno, Sangro, Rapido en Garigliano kregen een onheilspellende klank. De slagen om deze riviertjes te overwinnen (vanaf oktober 1943) behoren tot de zwaarste en meest dramatische van de oorlog. Na het overwinnen van de Volturno (12- 19 oktober), toen de geallieerden hun tanden in de verdediging van de Sangro zetten (19-24 november), verschenen de Noord-Afrikanen ten tonele. Op 19 november kwamen de verzorgingseenheden voor de Marokkanen en Algerijnen in Napels aan, de volgende dag, uiteindelijk ver voor op het schema, de troepen zelf.

Ondanks dat aan de training van vooral de lagere niveaus nog wel een en ander ontbrak, maakten de Marokkanen indruk op het Amerikaanse oppercommando. Vanaf het begin vielen zij in positieve zin op wat betreft het kunnen doorstaan van ontberingen en optreden in gebieden die voor gemechaniseerde legers zo goed als onbegaanbaar waren.
Cruciale fase van de oorlog
In januari 1944 kwam de oorlog in Italië in een cruciale fase. De geallieerden stonden voor de zwaar versterkte Duitse Gustav-linie die dwars door Italië liep. ledere opmars in noordelijke richting moest zich door Duitse bunkerstellingen, mijnenvelden en artillerieopstellingen heenslaan. Vooral de opmarsroute naar Rome, door het dal van het riviertje de Liri, werd zwaar verdedigd.
De bergen, waarin zich het imposante kloostercomplex van Monte Cassino bevond, domineerden het terrein. In die bergen was praktisch ieder militair optreden uitgesloten, op moeizaam en kleinschalig infanterieoptreden na, dat uitermate zwaar was en veel slachtoffers voor minimale terreinwinst zou kosten.
De landing bij Anzio, veertig kilometer ten zuiden van Rome, op 22 januari 1944 was een geallieerde poging om de opmars door Italië weer enige snelheid te geven. Britten en Amerikanen moesten vanuit Anzio in zuidelijke richting de Gustav-linie in de rug aanvallen terwijl tezelfdertijd een offensief de linie frontaal aanpakte. Een mooi plan, maar het pakte slecht uit.
Opgesloten in een bruggenhoofd
De invasie bij Anzio kwam voor de Duitsers als een volslagen verrassing. Zonder enige tegenstand konden de geallieerden het Italiaanse strand betreden. Maar in plaats van snel door te stoten – waaraan zeker enig risico was verbonden – besloot de commandant eerst een grote macht op het strand te verzamelen en dan pas verder landinwaarts te gaan. Dit gaf de Duitsers juist voldoende tijd een legermacht naar Anzio te sturen en de invasietroepen te omsingelen.
Met de rug naar de zee moesten Britten en Amerikanen de Duitse pogingen hen terug de zee in te drijven weerstaan, in plaats van op te rukken naar de Gustav-linie. Meer dan drie maanden zaten enkele divisies opgesloten in een bruggenhoofd onder voortdurende Duitse beschietingen. De doorbraak van de Gustav-linie bij Monte Cassino zou volledig neerkomen op de troepen die toch al voor de linie stonden.
Monte Cassino
In de ijselijke omstandigheden van januari 1944 begon, parallel aan de invasie bij Anzio, de grote aanval op de Gustav-linie. Op 20 januari openden de Amerikanen de gevechten bij het plaatsje Cassino. Het zou uitlopen op een catastrofe, een van de meest dramatische nederlagen van de Amerikanen in Europa. Een klein riviertje als de Rapido bleek door de Duitsers tot zo’n krachtige hindernis te zijn uitgebouwd dat de Amerikanen erop stuk liepen ten koste van grote verliezen aan personeel en materieel.
Onherbergzaam gebied

Al op 12 januari waren de Marokkanen, Algerijnen en Tunesiërs begonnen, met Amerikaanse luchtsteun, zich gunstige uitgangsposities voor het grote offensief te bevechten. Bergtoppen als de Costa San Pietro en Monte San Croce en bergdorpjes als San Biaggio werden aanvalsdoelen voor de Tweede Marokkaanse divisie, maar ook de goums kwamen hier goed tot hun recht.
Stap voor stap, bergtop na bergtop
Het waren bijzonder felle gevechten. De Duitsers gaven nauwelijks terrein prijs. Handgranaten en bajonetten waren hier de wapens, zo dichtbij was de vijand. In vier dagen kon de Gustav-linie zes kilometer dichter benaderd worden, maar in de linie zelf zaten de Marokkanen toen nog niet. De druk op de Duitse stellingen was hevig. Stap voor stap, bergtop na bergtop weken de Duitse eenheden totdat inderdaad de Noord-Afrikanen voor het riviertje de Rapido stonden, de kern van de Gustav-linie.

Op 24 januari was het zover. De Franse aanval als onderdeel van het grote offensief ging van start. Juin kreeg van generaal Clark de opdracht de Rapido over te steken, de Gustavlinie te doorbreken en door te stoten noordelijk van de Amerikaanse hoofdaanval die door de Liri-vallei naar Rome zou moeten gaan. Juin kreeg een grotere frontsector in bijzonder zwaar terrein en moest noordelijk van het klooster van Monte Cassino Duitse aanvallen op de Amerikaanse opmars blokkeren.
Aangezien de Amerikanen vastliepen op de Rapido waren de Fransen de enigen die daadwerkelijk door de Gustav-linie heenbraken. Zij bevochten de bergen aan de overzijde van de Rapido. Belmonte, Belvédère, mooie namen voor verschrikkelijke oorden. De enige plaats waar het geallieerde front daadwerkelijk een uitstulping in Duits gebied maakte was de noordelijke, Franse sector. Gelukkig voor Juin kon hij juist in deze fase beschikken over versterkingen van eenheden die voordien op Corsica gevochten hadden. Zo kwam, behalve goums van generaal Guillaume, ook de Vierde Marokkaanse bergdivisie voor de strijd in Italië beschikbaar.

Uitputting
Tot de eerste week van februari woedden de gevechten voort. De Gustavlinie had onder extreme druk gestaan, was op enkele plaatsen doorbroken, maar de geallieerde eenheden waren uitgeput. De aanval moest gestaakt worden. Voor de Duitsers was duidelijk dat deze linie, juist met het oog op de landing bij Anzio, tot het uiterste verdedigd moest worden.
Beide zijden reorganiseerden en voerden nieuwe, verse eenheden aan. Aan geallieerde zijde werd de fakkel van de hoofdaanval overgedragen aan divisies uit Nieuw-Zeeland en India. Zij moesten bij Monte Cassino de doorbraak gaan bevechten. Juins troepen bleven in het noordelijk berggebied zitten.
De bekendste episode uit de slag speelde zich af zonder Noord-Afrikaanse rol. Om de doorbraak nu wel te laten slagen, besloot de geallieerde legerleiding, na een lange discussie onder de bevelvoerende generaals, een bombardement uit te voeren op het historische kloostercomplex van Monte Cassino. Niet alleen zouden hierdoor Duitse stellingen in een essentieel gebied vernietigd worden – de kloosterheuvel domineerde immers de opmarsroute door het Liri-dal – ook zou er een positieve werking op het moreel van de geallieerde troepen van uit gaan.
Na zo’n spectaculair bombardement zou de Duitse tegenstand zozeer zijn verschrompeld dat de kans op succes aanmerkelijk werd vergroot. Op 15 februari verschenen de vliegtuigen. In een donderend bombardement werd het klooster van de aardbodem weggevaagd. Het sein voor de aanval was gegeven. Maar ook nu was het wondermiddel niet gevonden. Opnieuw liepen de geallieerden stuk op heftige Duitse tegenstand. Er was terreinwinst, maar het was te meten in honderden meters en de Duitsers bouwden de kloosterruïne om tot een sterke stelling vanwaaruit zij de verdediging krachtiger dan ooit konden voeren.
Tien dagen van zware gevechten konden geen doorbraak bewerkstelligen. Op nieuw trad er een gevechtspauze in, eenheden werden ververst en de generaals bogen zich over de kaarten om hun plannen te herzien.
Bombardementen
De volgende fase van de gevechten bij Monte Cassino werd luid en duidelijk ingeluid op 15 maart, toen om half negen in de ochtend vijfhonderd vliegtuigen een gebied van slechts 1400 bij 400 meter in gapende kraters en ruïnes veranderden. Het dorp Cassino, aan de voet van de berg, bestond niet meer. Dit bombardement, een van de hevigste uit de hele oorlog op zo’n klein gebied direct voor de eigen troepen, moest de weg banen voor de Nieuw-Zeelanders en de Indiërs om de Liri-vallei binnen te kunnen gaan.
Tien dagen lang veranderden de heuvel van het klooster en de restanten van het dorp in een klein Stalingrad. Tien dagen lang met de meest intense en gruwelijke gevechten, en weer geen beslissing.

In de weken van de gevechten op het klooster en het dorp Cassino was het in de noordelijke Franse sector betrekkelijk rustig. De troepen konden recupereren. Juins tweede belangrijke rol in de gevechten om Monte Cassino liet niet lang op zich wachten. De Noord-Afrikanen kregen een nieuwe, zuidelijker gelegen frontsector aangewezen. Dit was het gevolg van ingrijpende veranderingen in de aanpak van de slag, die na de mislukkingen van de weken voordien, ook wel gewenst waren.
De geallieerde legerleiding begon aan de planning van operatie Diadeem, die eindelijk het zo lang gewenste succes moest brengen. Er werden meer troepen dan ooit verzameld tegenover de Gustav-linie en de aanval zou zich massaler over een breder front dan ooit tevoren gaan afspelen. Naast Britten, Amerikanen, Canadezen, Nieuw-Zeelanders verschenen nu ook Polen, die de stellingen in de bergen van de Fransen overnamen.”
Juin kreeg een nieuwe sector ten zuiden van het Liri-dal, weer in de bergen met de opdracht de zuidelijke flank van de Amerikaanse hoofdaanval te beschermen, Duitse legers van elkaar te scheiden en snel door te stoten in moeilijk begaanbaar terrein. Dat de Marokkanen en Algerijnen dat laatste konden, hadden ze wel bewezen. De Tweede Marokkaanse divisie en de Vierde Marokkaanse bergdivisie kregen, samen met de spahis en de goums, in deze opmars een centrale rol toebedeeld.
Duitse tegenstand
Op 11 mei 1944 ging de aanval van start. Juin zelf was bij zijn troepen in de startlijn aanwezig. Tweeduizend stukken geschut openden het vuur op de Duitse linies. En toen die zwegen, vielen de Marokkanen in nachtelijke duisternis de Duitse linies aan. Ondanks de inleidende artilleriebeschietingen was de Duitse tegenstand zeker niet gebroken. Zij richtten vlammenwerpers, mortieren, mitrailleurs op de aanvallende Franse divisies. De Tweede divisie kreeg zelfs zulke klappen dat generaal Dody beval terug te vallen op de startlijn en de aanval opnieuw in te zetten.
Op het eerste belangrijke aanvalsdoel, de dominante Monte Maio, wapperde op 13 mei de Franse tricolore. Na enkele dagen van zware gevechten kwam eindelijk de zo lang verwachte uitbraak tot stand. Hierin speelde Juins divisies een belangrijke rol. Het kostte de Tweede divisie 1120 man, daarbij had ze 2800 krijgsgevangenen gemaakt en was ze gesteund geweest door 68.000 granaten van de artillerie. Het lukte in een verbazingwekkend tempo door het Aurunci bergmassief te komen, Duitse eenheden in de tang te nemen en de zuidelijke flank van de hoofdaanval door het Liri-dal te beveiligen. Er zijn weinig voorbeelden van zulke geforceerde opmarsen door berggebied onder voortdurende vijandelijke dreiging en aanvallen. 6
Bevrijding van Rome
De weg naar Rome was eindelijk open. Met eenheden die uit het bruggenhoofd van Anzio braken konden de Amerikanen onder Mark Clark op 4 juni 1944, twee dagen voor de invasie in Normandië, de Eeuwige Stad binnenrijden. De volgende dag speelde het muziekkorps van het Vijfde regiment tirailleurs marocains de Marseillaise op de binnenplaats van het Palazzo Farnese, de Franse ambassade in Rome.
Op 13 juni defileerde de Tweede Marokkaanse divisie op de Piazza Venezia als eerbetoon voor het als eerste doorbreken van de Duitse linie achter het riviertjes de Garigliano waarmee de weg naar Rome open kwam. Later constateerde Juin in zijn memoires:
Het is aangetoond dat de onweerstaanbare opmars van het Franse Expeditieleger van de Garigliano tot de Tiber een beslissende factor in de overwinning is geweest.7
Na de bevrijding van Rome trok Juins troepenmacht verder noordwaarts Italië in. Op 3 juli bevrijdden de Marokkanen Siena, de historische stad veertig kilometer ten zuiden van Florence. Op 22 juli 1944 kwam er aan de Franse deelname aan de strijd in Italië een einde.
Dit artikel van de hand van professor Wim Klinkert is afkomstig uit de Militaire Spectator, een militair wetenschappelijk vakblad dat sinds 1832 verschijnt. – Historiek, 2013
2 – Opgericht in 1911, vanaf 1914 bekend als regiment de marche de chasseurs indigènes a cheval, later omgedoopt tot regiment de spahis marocains
3 – In 1912 werden de troupes auxilaires marocaines opgericht, in eerste instantie gerekruteerd uit soldaten die loyaal bleven aan Frankrijk tijdens de muiterij in Fez. In 1914 werden zij in Frankrijk ingezet aan het westfront als bataillons de chasseurs indigènes, in 1915 herdoopt tot régiments de marche de tirailleurs marocains.
4 – Vooral gevuld met mannen uit Marakesh en Meknes, die voor vier jaar getekend hadden
5 – Generaal Mellier beschrijft de Marokkanen van 1940 als volgt: “Een wat nerveuze en beïnvloedbare eenheid, maar dankzij zijn Berber achtergrond meer geschikt voor de aanval dan voor de verdediging. Enerzijds gehoorzamen in harde confrontaties de Marokkanen hun commandant die zij kennen en vertrouwen, anderzijds zijn ze in tegenslagen snel geneigd tot terugtrekken en de eenheid uiteen te laten vallen. Paillat, 1985, p. 322.
6 – ‘ In het bijzonder geldt dit voor de opmars door het Aurunci-gebergte via Monte Petrella – Monte Revole – Monte Faggeta op 16-17 mei.
7 – Juin, Il avait appris que, du Garigliano au Tibre. l’irrésistible assaut de CEF avait été Ie facteur déterminant de la victoire. 1959, 329-330.
Nederlandse annexatie van Elten en Tüddern
‘Eens zal de Betuwe in bloei weer staan’, het lied dat troost bood na de oorlog
De Nederlandse Bevrijdingsoorlog
Operatie Overlord – Het verhaal van D-Day (1944)