Ragnar Lodbrok geldt sinds de achttiende eeuw als een ‘model’ van de ware Vikinghoofdman, hoewel zijn overgeleverde historie puzzelstukjes uit verschillende levens omvat. Verschillende actoren en belangrijke gebeurtenissen uit de Vikinghistorie van de negende eeuw zijn met Ragnar geïdentificeerd. Tot de bekendste feiten uit zijn leven behoren de plundering van Parijs in 845 en zijn afschrikwekkende einde in Northumbrië. De figuur van Ragnar en zijn veronderstelde verwanten en entourage kwamen vanaf 2013 opnieuw onder de aandacht dankzij de Iers-Canadese televisieserie Vikings.
Magische broek
In het decennium 830-840 verschenen roemruchte figuren op het historische toneel van de Vikingen of Noormannen. Hun biografieën zijn steevast overwoekerd door mythevorming, historiografische verwarring en speculatie. Behalve Ragnar Lodbrok zijn dit onder anderen Rollo van Normandië en de Deense koning Horik I.
We weten niet of Ragnar een Deense koning of koningsrivaal was, of een zoon van de Zweedse koning Sigurd Hring. De betekenis van zijn toenaam (cognomen) lodbrok is ‘ruigbroek’ of ‘harige broek’. Dit kledingstuk had magische eigenschappen en beschermde zijn drager in de strijd. Er is in plaats van deze wonderbaarlijke broek ook sprake van een door Ragnars moeder geweven toverhemd, dat hem onkwetsbaar maakte. ‘Wonden zullen niet bloeden/ Noch zal scherpheid u kwetsen/ In het heilig kleed,’ zegt de Saga van Ragnar Lodbrok (dertiende eeuw).
De overgeleverde levensloop van Ragnar is al even raadselachtig als zijn broek. Zijn optreden begon vermoedelijk rond 835, met raids in Engeland en het Frankische rijk. Nog in 845, het jaar van zijn grote zege in Parijs, zou hij zijn gestorven. Koning Horik I van Denemarken liet Ragnars volgelingen vervolgens zoveel mogelijk uitroeien.
Maar een andere versie van Ragnars levensverhaal plaatst zijn einde twintig jaar later, in 865. Hij zou gestorven zijn in een slangenkuil, waarin hij na een onfortuinlijke laatste raid was geworpen in opdracht van de Northumbrische koning Aella. De gevolgen van deze executie waren groot, namelijk de invasie door ‘Het Grote Heidense Leger’ onder leiding van Ragnars zonen. In zijn stervensuur vol doodsverachting kondigde Ragnar deze grootscheepse wraakexpeditie al aan:
Wat zullen de biggetjes knorren als ze vernemen hoe het oude everzwijn heeft geleden!

Kandidaten
Hilda Ellis Davidson (1914-2006), folklorist en kenner van de Noordse mythen en religies, heeft een aantal historische kandidaten op een rijtje gezet die model kunnen hebben gestaan voor episoden uit het leven van Ragnar Lodbrok. Zoals de Deense deelkoning Reginfrid, al gesneuveld in 814, en koning Horik I zelf. Of Reginherus, die de aanval op Parijs in 845 leidde en die in de jaren tevoren het klooster van Torhout in leen had gekregen van Karel de Kale.

Turgesius?
Het aantal kandidaten voor de historische rol van Ragnar Lodbrok is hiermee niet uitgeput. Enkele negentiende-eeuwse Ierse historici identificeerden hem met Turgesius (Turgeis, Thorkil, Thorgest), de stichter van Noors Dublin en zelfverklaard koning van Ierland. Ook deze Turgesius was een man ‘larger than life’, groots en angstwekkend oprijzend uit de schrifturen van niet al te letterlijke chroniqueurs en navertellers.
Een van deze verhalen memoreert Turgesius’ plundering van Ierlands belangrijkste heiligdom Armagh. Sint-Patrick, die in de vijfde eeuw de Ieren het christendom bracht, was hier de eerste bisschop geweest. Het meest verafschuwde feit in de overlevering was dat Turgesius zich na de inname van de abdij als heidense ‘abt’ zou hebben geïnstalleerd, om heel Ierland tot de verering van Thor en andere Noordse goden te brengen. Zijn vrouw Ota zetelde in het op één na belangrijkste heiligdom Clonmacnoise, waar ze vanaf het hoogaltaar in de belangrijkste kloosterkerk orakelachtige audiënties hield.
De identificatie met Turgesius wordt ernstig betwijfeld. We weten ook niet met zekerheid of Turgesius een Deen of een Noor was; de enige bronnen die hem noemen zijn Iers. Hij zou er in 832 of 837 zijn gearriveerd met een enorme strijdmacht van drie vloten van in totaal 120 schepen, nadat hij in 820 al had deelgenomen aan de aanval op de Ierse oostkust. Het enige feit dat met zekerheid wordt aanvaard is Turgesius’ uiteindelijke gevangenneming door de Ieren. De Annála Uladh (Annalen van Ulster) melden dat hij in handen viel van de Ierse hoogkoning Malachy MacMulrooney (Máel Sechnaill mac Máele Ruanaid), die hem omstreeks 844 in een meer liet verdrinken.
Vrouwen, zoons

Ragnars volgende echtgenote was Thora, die vrij snel stierf. Toen volgde Aslaug of Kráka, een vrouw met een al even mythologische achtergrond als Ragnar zelf. Zij was de dochter van de schildmaagd Brünnhilde en de even beroemde drakendoder Sigurd (Siegfried). Ze was ook de laatste telg van het geslacht van de Völsungen, dat zijn afstamming via stamvader Völsung terugvoerde op Odin zelf. Aslaug wordt zowel genoemd in Snorri Sturlusons Edda, de prozabewerking Völsunga-saga en de Saga van Ragnar Lodbrok, een aanhangsel van deze Völsunga-saga. Uit het huwelijk met Ragnar kwamen de zonen Björn IJzervreter, Ivar de Beenloze, Halfdan (of Hvitserk), Sigurd Slang-in-het-oog en Ragnvald Ragnarsson voort. Ze zouden net zoveel roem vergaren als hun vader. Ook Ubbo de Fries (Ubbe, Ubbi, (H)ubba) wordt genoemd als zoon van Ragnar.
Parijs
Centraal in de nevelige biografie van Ragnar staat de aanval op het West-Frankische Parijs in 845. Nadat hij in ongenade was gevallen bij Karel de Kale en hem Torhout was ontnomen, viel Ragnar mogelijk met een wraakmotief het Seinegebied binnen en belegerde Parijs. Het jaar 845 was in relatie tot de Vikingen dramatisch voor zowel West- als Oost-Francië. Ragnar verscheen bij Parijs, terwijl kort voordien de Denen Hamburg belaagden.

De Seine moet een schrikwekkende aanblik hebben geboden: 120 langschepen met meer dan 5000 opvarenden gleden over de rivier, nadat Rouen (niet voor het eerst) was uitgeschud. Karel de Kale had op beide oevers een kleine legermacht in het geweer gebracht. Eén ervan, de helft van het totale leger, werd aangevallen en verslagen. Ragnar liet vervolgens 111 gevangenen op een eiland in de Seine ophangen als offer aan Odin én als een effectief staaltje psychologische oorlogvoering: de rest van Karels troepen trok zich ijlings terug.
Geheimzinnige ziekte
De weg naar Parijs lag nu open. De Vikingvloot bereikte de stad, gelegen op het Île de la Cité, op 29 maart, Eerste Paasdag. Een beleg volgde, waarbij het Noormannenkamp werd getroffen door een snel om zich heen grijpende besmettelijke ziekte die veel levens eiste. Nadat ze gebeden hadden tot hun eigen goden, gingen de Vikingen op advies van een christelijke gevangene over tot vasten. Dit was een probaat advies: de ziekte, die kennelijk te maken had met besmetting van het voedsel, verdween.

Het was een zo raadselachtig gebeuren, dat de betrokkenen er een bovennatuurlijke betekenis aan toekenden. Ragnar zou na zijn thuiskomst aan de Deense koning Horik in tranen hebben verteld dat de enige tegenstand die hij in Parijs had ontmoet afkomstig was van een dode heilige, namelijk Saint-Germain (Germanus). Diens abdij aan de rand van het toenmalige Parijs, waar zijn goed geconserveerde stoffelijke resten werden bewaard, was door Ragnar geplunderd en daarom had Saint-Germain de mysterieuze ziekte en de dood over zijn mannen afgeroepen. Niettemin werd het vrijwel weerloze Parijs ingenomen en uitgeplunderd.
Nadat Karel de Kale een losgeld had betaald van 7000 pond zilver en goud (2570 kilo), stemden de Noormannen erin toe weer te vertrekken. Op hun terugtocht overvielen en plunderden ze nog verschillende plaatsen, onder meer de Abdij van Saint-Bertin in Sint-Omaars.
Ragnars dood
Een overgeleverd tijdstip van Ragnars overlijden, kort na de Parijse expeditie, wordt tegengesproken door een ander tijdstip, twintig jaar later, met grote gevolgen voor de Angelsaksische koninkrijken. Tijdens een ondoordachte raid met slechts twee schepen werd Ragnar gegrepen door de mannen van de Northumbrische koning Aella. Zijn executie bestond er vervolgens uit, dat hij in een put of kuil met giftige slangen werd geworpen. Aangezien zijn magische ‘ruigbroek’ hem zelfs tegen de slangenbeten beschermde, moest Ragnar uit de put worden gehesen om hem van zijn broek te ontdoen. Een tweede neerlating in de put resulteerde wel in zijn dood.

…in der goden zaal,/ Nut ik de goddelijke bokaal./ Des levens uren zijn voorbij,/ Ik val, maar vreugde zweeft om mij.
Het Grote Heidense Leger
De inval van ‘Het Grote Heidense Leger’ in 865 was volgens de overlevering een zeer forse wraakactie voor Ragnars dood, uitgevoerd door zijn zonen Björn, Ivar, Ubbo, Halfdan en mogelijk Sigurd Slang-in-het-oog. In werkelijkheid ging het om een invasie met als doel bezetting en verovering van Northumbrië en andere Angelsaksische koninkrijken.
Het in de Angelsaksische Kroniek vermelde leger was overwegend Deens, maar omvatte ook Noorse en Zweedse krijgsbenden. Dergelijke legers in de negende eeuw waren naar latere begrippen klein. De omvang van Het Grote Heidense Leger is voor 865 geschat op ongeveer 500 tot 1000 strijders, hoewel anderen spreken van enkele duizenden. De Deense invasielegers van een eeuw later waren veel omvangrijker en opereerden vanuit grote legerbases in Denemarken.
De invallers landden eerst in Oost-Anglië om te overwinteren. Nadien trokken ze noordwaarts, naar Eoferwic (York) in Northumbrië, dat in het najaar van 866 veroverd werd. De stad werd onder de naam Jorvik een belangrijk handels- en nijverheidscentrum voor de Vikingen. De strijd om de vier Angelsaksische koninkrijken die nog bestonden duurde dertien of veertien jaar en slaagde niet geheel: Wessex bleef vrij. Door herhaaldelijk arriverende verversingen was er eigenlijk sprake van verschillende legers.

Koning Aella zou verslagen zijn dankzij een list van Ivar de Beenloze. De Vikingen veinsden terug te trekken; de Northumbriërs rukten op, werden omcirkeld en in de pan gehakt. Aella werd gevangengenomen en in 867 ritueel geëxecuteerd door middel van de bloedarend. Hierbij sneed de beul de achterste ribben los en klapte ze opzij. Vervolgens trok hij de longen uit de borstkas en legde ze over de schouders. Het slachtoffer stikte hierdoor, en leek met zijn longen als uitstaande ‘vleugels’ min of meer op een arend. Dit afschuwelijke ritueel tart de verbeelding en sommige historici twijfelen of het ooit werkelijk is toegepast, hoewel er verschillende beschrijvingen en waarschijnlijk een afbeelding op de Steen van Stora Hammer van bekend zijn.
Ubbo
De historie van Het Grote Heidense Leger heeft ook een ‘Nederlandse’ component. Enkele latere Engelse bronnen noemen een groep Scaldingi of Schelde-Vikingen onder commando van Ubbo, als onderdeel van Het Grote Heidense Leger. Uitvalsbasis was vermoedelijk de nederzetting Walcheren. Ubbo komt in de bronnen ook voor als rex Fresonum, koning van de Friezen. Net als bij zijn veronderstelde vader, broers en andere Vikingleiders is zijn nagedachtenis gaandeweg overwoekerd door overleveringen. Met zijn broer Ivar was hij verantwoordelijk voor de moord op koning Edmund van East-Anglia (869); ook zou hij een berucht tovenaar zijn geweest.
Ubbo verdwijnt na 870 uit de bronnen, hoewel een twaalfde-eeuws geschrift zijn dood in 878 plaatst, tijdens de Slag van Cynwit of Cynuit in Somerset tegen de Angelsaksen. Ook Ubbo’s ravenbanier zou toen zijn veroverd; deze was volgens de Annalen van Sint-Neots (ca. 1105) door drie zusters van Ubbo en Ivar de Beenloze in één middag geweven.
Ivar
Ubbo’s broer Ivar de Beenloze was naar Ierland getrokken en stierf daar volgens de Annalen van Ulster in 873. Adam van Bremen noemde hem omstreeks 1075 ‘de wreedste van allemaal, die overal christenen doodmartelde’. Na zijn dood in Ierland zou zijn lijk naar Engeland zijn teruggebracht waar het in Repton (Derbyshire) ter aarde werd besteld ‘op de wijze van voormalige tijden’: kennelijk een verwijzing naar de grote grafheuvels in Scandinavië. In het winterkamp van Het Grote Heidense Leger in Repton (873/874) zijn de sporen van een versterkt kampement blootgelegd en in een opgeworpen heuvel een massagraf van minimaal 264 individuen, vooral Vikingkrijgers. Centraal in dit massagraaf bevond zich een stenen sarcofaag met daarin het skelet van een aanzienlijk persoon die, uiteraard zonder onomstotelijk bewijs, is geassocieerd met Ivar de Beenloze.

Toen in 1066 de Normandiër en Viking-afstammeling Willem de Veroveraar Engeland binnenviel, toog hij volgens een latere sage eerst naar Ivars grafheuvel en liet deze openbreken. De resten waren nog niet vergaan, stelde hij vast. Willem liet een grote brandstapel oprichten en verbrandde daarop Ivars stoffelijk overschot. Pas toen vervolgde hij de campagne en behaalde de overwinning bij Hastings.
Björn
De Normandische schrijver William van Jumièges noemde Ragnar omstreeks 1070 een Deense koning die volgens het heersende gebruik zijn jongere zoons het land uitwees, om broederstrijd te voorkomen. Dit lot trof ook Björn IJzervreter, die met zijn vloot vervolgens West-Francië en zelfs de Middellandse Zee teisterde en daar bekend was als Berno, Biornus of Wern. Zijn eigenlijke toenaam is Järnsida, wat ‘ijzeren flank’ betekent.

Bekendste bronnen
Een van de eerste teksten waarin letterkundig Europa met Ragnar Lodbrok kennismaakte was het al genoemde gedicht Krákumál, ofwel Het lied op de dood van Ragnar Lodbrók. Krákumál dateert uit de twaalfde eeuw en is hoogstwaarschijnlijk op de Schotse eilanden ontstaan. De Nederlander Lambert ten Kate publiceerde de tekst in 1723 in het IJslands, Latijn en Nederlands in zijn hoofdwerk Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake [enz.]. Dit gedicht over de stervende held Ragnar die in Aella’s slangenput zijn leven overziet, vormt de basis van het beeld van de onverschrokken Viking die zijn aanstaande dood moedig en zelfs lachend onder ogen ziet. De eerste Engelse vertaling was later dan de vertalingen van Ten Kate; deze is gemaakt door de Engelse literator Thomas Percy (1770).
Behalve in de al genoemde teksten komen Ragnar en zijn zoons voor in onder meer Snorri Sturlusons Heimskringla (1225), boek IX van Saxo Grammaticus’ Gesta Danorum (ca. 1200), de saga Het verhaal van Ragnars zonen en een aantal gedichten zoals de negende-eeuwse Ragnarsdrápa van de bekende Noorse skald (hofdichter) Bragi Boddason. Hij zou dit werk hebben gecomponeerd als dank voor een met mythologische voorstellingen versierd schild, dat hij van Ragnar had gekregen.
– H.A. (Hélène) Guerber, Mythen en legenden uit de Middeleeuwen. Haar oorsprong en invloed op letterkunde en kunst (2e dr., [1913]).
– Jan J.B. Kuipers, Vikingen. IJzeren eeuwen om de Noordzee (2020).
– Luit van der Tuuk, Ubbi de Fries. Scheldevikingen in het grote heidense leger (2025).
– Paula Vermeyden i.s.m. Arend Quak, Van Aegir tot Ymir. Personages en thema’s uit de Germaanse en Noordse mythologie (2000), 14-15.
– Ben Waggoner, The Sagas of Ragnar Lodbrok (2009).
Walhalla – De hemel als ‘zaal voor de gevallenen’
Vikingen in de Lage Landen
De dood van Ubbi de Fries, de legendarische Vikingaanvoerder uit Walcheren
De Edda (1230) van Snorri Sturluson
Belastingen dreven de koopman van Prato tot wanhoop (1393)
Mottekasteel – Kasteeltype uit de middeleeuwen
Maria d’Harcourt, evenbeeld van de maagd Maria