Bekijk een willekeurige documentaire over nazi-Duitsland en je ziet beelden van mensenmassa’s die op de been zijn om Adolf Hitler toe te juichen. Dorpen en steden door het hele land hangen vol hakenkruisvlaggen, volwassenen en kinderen zijn gekleed in nazi-uniformen en er wordt op los gezongen en gemarcheerd. Het lijkt alsof het Duitse volk eensgezind en onvoorwaardelijk achter zijn Führer staat. In zijn boek Onwillige volksgenoten – Hoe de Duitsers tegenover het naziregime stonden concludeert de Duitse historicus Peter Longerich (1955) echter dat er achter deze façade van begeestering veel ongenoegen schuil ging, een aspect dat te weinig wordt erkend in de geschiedschrijving.
Longerich is een Duitse hoogleraar geschiedenis die wordt erkend als autoriteit op het gebied van de geschiedenis van nazi-Duitsland. Hij schreef biografieën over Heinrich Himmler en Joseph Goebbels, die ook in het Nederlands werden uitgebracht. Zijn nieuwe boek werd vanuit het Duits vertaald door Alexander van Kesteren. Hierin betoogt de schrijver dat de breed gedragen veronderstelling dat de Duitsers het naziregime steunden onvoldoende onderbouwd is met bronnen. Hij wil het beeld weerleggen dat nazi-Duitsland een ‘Zustimmungsdiktatur’ was, een door het volk breed gesteunde dictatuur.
De ‘kleine lettertjes’
Longerich negeert de propaganda, autobiografieën en persoonlijke documenten en gebruikt als bron voornamelijk stemmingsrapporten die werden bijgehouden gedurende de naziperiode. De bekendste zijn de Meldungen aus dem Reich die de Sicherheitsdienst (SD) tijdens de oorlog samenstelde. Hierin werd verslag gedaan van de publieke opinie aan de hand van indrukken van speciale rapporteurs.

Ook andere overheidsinstellingen registreerden de stemming onder het volk, zowel tijdens de vredes- als oorlogsjaren van Hitlers Derde Rijk. Al deze rapporten waren voor intern gebruik, waardoor de censuur er naar verhouding minder grip op had. Hoewel rapporteurs in hun verslagen geen openlijke tirade tegen het regime konden opnemen, was het wel hun expliciete opdracht om kritische geluiden binnen de samenleving te registreren.
Longerich onderzocht vele honderden bewaard gebleven stemmingsrapporten die verspreid zijn over verschillende archieven. Hij concludeert dat de stemming hierin vaak wordt beoordeeld op grond van bijvoorbeeld de deelname aan evenementen, de bereidheid om te doneren aan nationaalsocialistische liefdadigheidsinstellingen en het brengen van de Hitlergroet. Volgens de auteur zeggen deze gedragingen echter niets over de intrinsieke houding van mensen, omdat ze onder druk plaatsvonden. Hij hecht daarentegen veel waarde aan de registratie van negatieve gevoelens en kritiek die, ondanks de dreiging van het regime, door verschillende groepen werden geuit. Soms moest Longerich in de ‘kleine lettertjes’ lezen om dieper door te dringen in wat er destijds echt leefde onder de Duitse bevolking.
Wonder van Duitse eenwording
Kritiek op het regime sijpelde al vanaf het prille begin door in de verslagen. Zo haalt Longerich een rapport aan van de regiopresident van Niederbayern en de Oberpfalz. Deze uitte zijn zorgen over de onrust die ontstond doordat ervaren burgemeesters en gemeenteraadsleden na de machtsgreep in januari 1933 werden vervangen door incapabele NSDAP-leden. In het district van Regensburg kwam het als gevolg van politieke benoemingen zelfs tot demonstraties voor het gemeentehuis, die pas eindigden toen de politie de demonstranten oppakte. Toch luidde de officiële uitslag van het bevolkingsreferendum van 12 november 1933 dat 95,1% van de kiezers instemde met het regeringsbeleid. Longerich plaatst echter grote kanttekeningen bij “deze schijnbare droomuitslag”. Hij benadrukt bijvoorbeeld dat kiezers onder druk waren gezet om vóór te stemmen en dat blanco stembriefjes helemaal niet werden meegeteld.

De nazi’s zelf spraken van een “wonder van Duitse eenwording”, omdat de steun aan de NSDAP ten opzichte van de verkiezingen van maart ruim was verdubbeld. Longerich trof in de rapporten echter heel andere geluiden aan. Een terugkerende bron van onvrede was dat partijfunctionarissen geld opstreken voor functies waarvoor ze nauwelijks iets hoefden te doen. Dat gold bijvoorbeeld voor Rijksdagafgevaardigden die hun volledige loon kregen uitbetaald, terwijl het parlement nauwelijks nog samenkwam. In een verslag uit het eerste machtsjaar meldt de regiopresident van Keulen dat mensen “het nationaalsocialisme misbruikten om persoonlijke vetes uit te vechten en oude rekeningen te vereffenen”. Voortdurend werd er geklaagd over NSDAP-leden die zich schuldig maakten aan “buitensporig alcoholgebruik, aanstootgevend gedrag, roekeloos rijden en andere laakbare manieren van doen”.
De kleine Adolfs
Een gevleugelde uitspraak van Duitsers was “Als de Führer dat zou weten”. Daarmee werd bedoeld dat men dacht dat Hitler van het wangedrag van lokale nazileiders niet op de hoogte was. In een rapport van de Staatspolizei (Stapo) in Hannover uit de periode tussen de herfst van 1933 en medio 1934 werd gemeld dat “de indruk was ontstaan dat de grote Adolf Hitler uitzonderlijk veel goeds verricht”. Daarentegen richtten “de kleine Adolfs […] echter te grote schade aan”.
De Stapo in het district München stelde rond diezelfde tijd vast dat “nog altijd een zeer groot deel van de bevolking een afwachtende houding tegenover het nationaalsocialisme aanneemt”. Mede op basis hiervan concludeert Longerich dat “er in de anderhalf jaar sinds de machtsgreep geen volksgemeenschap [was] verwezenlijkt, zoals de nationaalsocialisten met veel tamtam verkondigden”. Daarentegen was “de verdeeldheid van de samenleving alleen maar uitgediept”.

Verzinsel van de naoorlogse tijd
Longerich vat van verschillende bevolkingsgroepen de onvrede samen. Boeren klaagden bijvoorbeeld over de staatsbemoeienis in de vorm van vaste prijzen. In 1935 vermeden velen van hen het jaarlijkse oogstdankfeest om uitdrukking te geven aan hun ontevredenheid met het landbouwbeleid. Tijdens de viering in het district Ingolstadt werd een boer opgepakt omdat hij op de oproep om de straat met vlaggen te versieren. Zijn reactie:
Dan schijt ik nog liever in mijn hemd en hang ik die uit het raam. Dan heb je je hakenkruisvlag.
Ook de arbeiders waren absoluut niet onverdeeld enthousiast over de partij die nota bene hun naam droeg. Dat Hitler een einde had gemaakt aan de massale werkloosheid had namelijk een keerzijde. Werknemers klaagden over de verplichte verhoging van de arbeidstijden, de lage lonen en het feit dat ze na de opheffing van de vakbonden slecht werden vertegenwoordigd door het Deutsche Arbeitsfront (DAF). “Het beeld dat het nationaalsocialistische werkgelegenheidsbeleid ertoe had geleid dat de arbeidersklasse zich achter het regime schaarde” wordt door Longerich “een verzinsel van de naoorlogse tijd” genoemd. Hoewel er weer werk was, was de economische situatie van arbeiders “er sinds de economische crisis niet werkelijk op vooruit” gegaan.

Martelaren en kruizen
Onder protestantse gelovigen heerste grote onvrede over de pogingen van het regime om de kerk onder nazi-invloed te reorganiseren. Kerkgangers beperkten zich niet tot gemopper maar gingen soms ook over tot daadwerkelijke actie. Dat was bijvoorbeeld het geval in maart 1935 toen verschillende dominees van de regime-kritische belijdende kerk (Bekennende Kirche) werden opgepakt nadat ze vanaf de kansel een kritische verklaring hadden voorgelezen over het overheidsbeleid. Hun arrestatie bracht op verschillende locaties demonstraties teweeg, die er ten slotte toe leidden dat de dominees werden vrijgelaten. “In veel gemeenten werden de vrijgelaten dominees feestelijk ontvangen met klokkengelui en dankdiensten”, schrijft Longerich. “De autoriteiten kregen de indruk dat de geestelijken in de rol van martelaren schoten.”
Katholieken namen ook openlijk stelling tegen het regime, bijvoorbeeld in het voorjaar en de zomer van 1941 toen de autoriteiten in Beieren kruisbeelden uit scholen lieten verwijderen. Dit leidde tot protesten, demonstraties en schoolstakingen. De regiopresident van Würzburg constateerde in een rapport “dat de grote meerderheid van in elk geval de plattelandsbevolking volledig aan de kant van de kerk staat”. Op de meeste plaatsen werden verwijderde kruizen weer teruggehangen. Longerich concludeert aldus “dat dit plan was stukgelopen op de weerstand van de katholieke bevolking”.

Voedseltekorten
Een terugkerende bron van onvrede waren voedseltekorten. Vanaf de tweede helft van 1938 rapporteerden de autoriteiten in het hele rijk een toenemend tekort aan onder andere vlees, boter en eieren. Vanaf 1939 was er bovendien een voortdurend gebrek aan koffie. Een Hamburgs rapport uit de lente van 1939 meldde dat…
…de continue problemen in de voorziening van vlees, fruit en koffie […] een drukkend effect [hebben] op de voorheen spontaan opgewekte stemming van de brede massa van de bevolking.
Het was zelfs zo dat de schaarste ervoor had gezorgd “dat er geen blijdschap ontstond na de laatste grote buitenlandse successen van de Führer”, waarmee vermoedelijk de annexatie van Tsjechië werd bedoeld.

Tijdens de oorlog werden de voedseltekorten alleen maar nijpender. Mensen klaagden over hoge prijzen en vonden de toegekende rantsoenen ontoereikend. In een justitierapport uit Königsberg werd in de zomer van 1940 zelfs gemeld dat “het [tekort] op markten intussen regelmatig leidde tot problemen met inkopende huisvrouwen, die met geweld de waren aan de markthandelaren proberen te onttrekken”. Al vanaf het begin van de oorlog werd vastgesteld dat burgers vooral hoopten op een spoedige vrede. Overwinningen werden toegejuicht, maar de vreugde werd al gauw overschaduwd door de dagelijkse zorgen over de voedselsituatie.
Geloof in de eindoverwinning
In de rapporten wordt de deportatie van Joden naar verhouding weinig genoemd. Volgens Longerich durfden Duitsers hun kritiek hierover niet te uiten, omdat dit “door het regime gelijk werd gesteld aan ondermijning van de oorlogsvoering”. De Duitse bevolking stond volgens de auteur niet onverschillig tegenover het lot van de Joden, maar eigenbelang domineerde: “hoe meer reden de Duitsers hadden om zich zorgen te maken over het verdere verloop en de afloop van de oorlog, des te meer de angst toenam dat de Jodenvervolging niet zonder gevolgen voor de eigen toekomst zou blijven.”
Na de catastrofale nederlaag in Stalingrad sijpelde er in de rapporten kritiek op Hitler door. De zorgvuldig opgebouwde Führer-mythe ging gaandeweg barsten vertonen, hoewel het feit dat Hitler de aanslag van 20 juli 1944 overleefde, veelal voor opluchting zorgde. Duitsers hoopten dat de aangekondigde vergeldingswapens alsnog voor een ommekeer zouden zorgen, maar in het vijfde oorlogsjaar rapporteerde de SD dat “volksgenoten met een optimistisch geloof in de eindoverwinning” met een lantaarntje waren te zoeken.

Ian Kershaw
Longerich komt tot de conclusie dat het naziregime niet kon “steunen op een brede consensus onder de bevolking” en daarom geen Zustimmungsdiktatur genoemd kan worden. Tegelijkertijd staat het volgens hem “buiten kijf dat de grote meerderheid van de Duitse bevolking zich ondanks alle onvrede uiteindelijk gedroeg zoals het regime wilde en dat zij door haar dagelijks handelen het beleid ondersteunde of in elk geval accepteerde”. Dat betekent…
…dat een totalitaire dictatuur ook zonder instemming en acceptatie van de meerderheid kan functioneren en haar doelen in verregaande mate autonoom kan nastreven.
In plaats van ‘onwillige volksgenoten’ – vermoedelijk een verwijzing naar Hitlers gewillige beulen van Daniel Jonah Goldhagen – zou ‘gedogende volksgenoten’ een betere omschrijving zijn geweest.
Dat er in nazi-Duitsland een brede weerstand bestond tegen bepaalde maatregelen van het regime is door Longerich niet voor het eerst aangetoond. Ian Kershaw, naar wie de auteur regelmatig verwijst, ging hem al voor met het analyseren van stemmingsrapporten. Over de conflicten met de katholieke en protestantse kerk is eveneens al veel geschreven. Uit studies naar lokale samenlevingen in het nazitijdperk, zoals A Village in the Third Reich van Julia Boyd, blijkt ook dat de standpunten van Duitsers ten aanzien van het nazisme veel pluriformer zijn dan de propaganda voorspiegelde.
Longerich heeft echter een knappe prestatie geleverd door een imposante hoeveelheid bronnen te analyseren en de aandacht te vestigen op nog onvoldoende onderkende vormen van protest in nazi-Duitsland. Hij draagt bij aan de ontkrachting van verschillende hardnekkige mythes over de goede dingen die Hitler zou hebben gedaan, zoals het verbeteren van de levensstandaard voor arbeiders.
Representativiteit
Of Onwillige volksgenoten “de fundamenten en machtsbasis van het nationaalsocialistische regime blijvend zal veranderen”, zoals de flaptekst beweert, valt te betwisten. Het is niet duidelijk hoe representatief de stemmingsrapporten precies zijn en hoe de hierin gedane conclusies tot stand kwamen. Het is overduidelijk dat er veel geklaagd werd door de Duitsers, maar hun frustraties kwamen voornamelijk voort uit materiële problemen en persoonlijke zorgen, niet uit een diepe, morele afwijzing van het nationaalsocialisme.

Uiteindelijk is het belangrijk om altijd kritisch te staan ten opzichte van het concept van een ‘publieke opinie’. Elk land bestaat immers uit inwoners met diverse, soms lijnrecht tegenover elkaar staande opvattingen. De samenleving in nazi-Duitsland verschilt wat dat betreft niet veel van de onze, al hebben wij vandaag de dag uiteraard veel meer vrijheid om ons ongenoegen publiekelijk te uiten. Het belangrijkste dat Longerich met Onwillige volksgenoten overtuigend aantoont, is dat gegeneraliseerde oordelen over de Duitse bevolking ten tijde van het Derde Rijk definitief achterhaald zijn. Het land herbergde fanatieke volgelingen en even felle tegenstanders, maar bestond vooral uit mensen die hier ergens tussenin zaten.
Hoe groot was de steun voor Hitler onder de Duitse bevolking echt?
Duitse ‘ongehoorzaamheid’ na Operatie Walküre
Hermann Göring – Politicus, militair leider en oorlogsmisdadiger
Concentratiekampen in Nederland tijdens de Tweede WereldoorlogBlijf op de hoogte van nieuwe artikelen
Onderduikers in een Voorburgse poldermolen