Moederschap in de jaren zestig en zeventig

8 minuten leestijd
Maar het huishouden doen mochten vrouwen wel... (NARA)
Een huisvrouw bezig met de afwas, 1974
Vanaf halverwege de jaren 60 breekt er in Nederland een tijd van grote veranderingen aan. Alles moet anders, weg met het keurslijf van vlak na de oorlog. De strijd om de positie van vrouwen barst los, niet minder dan een revolutie. Niet langer is het moederschap de lotsbestemming van de vrouw. In Moeders van toen – dat in november bij uitgeverij Ambo|Anthos verschijnt – kijkt Truska Bast terug door de ogen van moeders van toen. Hoe hebben ze het moederschap ervaren in die tijd? Wat is er door die periode blijvend veranderd? Op Historiek plaatsen we een fragment uit het boek over één van die moeders, Rita.

Rita

Rita is een oorlogskind, geboren in de zomer van 1942. Dreiging of niet, sommige dingen gingen gewoon door. Laatst zei Rita’s jongste broer, grappend over de gezinsplanning van hun moeder:

Ze heeft een kind voor de oorlog gemaakt, een in de oorlog, en een er net na.

Nou ja, plánning, zegt Rita, zo bewust was het niet, die kinderen kwámen gewoon. Zo weloverwogen als vrouwen tegenwoordig voor de komst van een kind kunnen kiezen, zo weinig had de generatie van Rita’s moeder erover te zeggen. Op haar negentiende raakte ze ongewenst zwanger. Rita’s oudste zusje heeft nooit geweten wie haar vader is, terwijl hij maar een paar straten verderop woonde. Dat haar moeder, afkomstig uit een streng protestantse familie, niet wilde zeggen wie het was, komt volgens Rita doordat haar moeder zich schaamde. Seks voor het huwelijk was een zonde waarvoor je naar de hel kon gaan. De schuld voor haar ongetrouwde status legde ze bij de verwekker van haar kind.

Mijn moeder zegt altijd dat die man tegen haar had gezegd: ‘Neem maar een heleboel aspirines en zorg maar dat je ’t [het kind] kwijtraakt.’ Toen dacht ze: die man wil ik nóóit meer zien. Dat is een verhaal van mijn moeder. Of ’t waar is, weet ik niet. Dus ze was niet getrouwd. Later heeft ze, opgesloten door haar ouders in de tuin, vanuit de tuin mijn vader ontmoet, op het balkon, en hebben ze stiekem afgesproken. En toen kwam ik eraan. Toen moesten ze dus trouwen. Maar mijn vader bleek zijn scheiding niet te hebben aangegeven, dus dat kon helemaal niet. Het is later allemaal goed gekomen, dus ze trouwden alsnog. Maar daardoor kreeg ik de naam van m’n vader niet. Maar dat ben ik dus: een ‘natuurlijk’ kind.

Een natuurlijk kind heeft, anders dan wettige kinderen, niet automatisch recht op de erfenis. Voor Rita, die opgroeide in de Haagse arbeidersbuurt Laakkwartier, was een grote familie-erfenis sowieso niet erg waarschijnlijk. Haar vader, die uit een groot katholiek arbeidersgezin kwam en op zijn twaalfde was gaan werken, had een baan als kelner, eerst in een café-restaurant tegenover het Haagse Vredespaleis, later op de Pier van Scheveningen. Hij verdiende nauwelijks genoeg om het gezin te onderhouden. Pas toen hij als sommelier op de Holland-Amerika Lijn ging varen, bleef er weleens wat over – tot hij aan de drank raakte en hij als Korsakov-patiënt in een tehuis belandde. Misschien had zijn alcoholisme iets met de oorlog te maken, hij was dwangarbeider geweest in Duitsland, maar sprak er nooit over.

‘Het leven van haar moeder schetst ze vooral als gekooid’

Omdat er te weinig geld was, ging Rita’s moeder schoonmaken in een winkel. Wel een déftige winkel, stel je voor dat ze werd herkend door vaste klanten van haar man. Al verdiende hij geen rooie cent, hij droeg op zijn werk wél een rokkostuum, en aan de buitenkant zag het etablissement er chic uit. Ook bekleedde ze lampenkapjes, met zijde. Bij tijdgebrek hielp het hele gezin mee, waarna ze onder de roze draadjes zaten. Uiteindelijk moet het haar moeder zijn gelukt om haar scrupules opzij te zetten, want toen de kinderen al bijna uit huis gingen, ging ze in de bioscoop werken. Eerst als ouvreuse, later klom ze op tot caissière bij de Cineac. In een klein huisje op het Buitenhof verkocht ze de kaartjes. Mensen in haar omgeving vonden het weliswaar een beetje vulgair, maar zij zag het als een goede carrière. Ze genoot zichtbaar op haar plek. Zelfs de politici zeiden haar goeiedag.

CINEAC aan het Buitenhof, 1971
CINEAC aan het Buitenhof, 1971 (CC BY-SA 4.0 – Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed – wiki)

Met haar vlammend rode krullen, helder-grijsblauwe ogen en lieve lach is Rita een hartelijke verschijning. In de kleine keuken van haar witgeschilderde dijkhuisje in Durgerdam snijdt ze twee grote stukken van een chocoladetaart, over van haar verjaardag, en zet ze op tafel. In de vensterbank liggen stapeltjes boeken, aan de wand hangen kindertekeningen, ingelijste foto’s en schilderijen.

Het leven van haar moeder, die behalve de lagere school alleen een extra jaar ‘kopschool’ had doorlopen, schetst ze vooral als gekooid. Als een soort Rapunzel wierp ze haar vlecht niet omlaag, maar reikte met haar armen omhoog, naar een man om haar te bevrijden. Het past bij het benauwende beeld van vrouwenlevens tot diep in de jaren zestig: vastgeklonken aan het ideaal dat huwelijk en gezin voorschreef als bestemming van de vrouw. Precies waar vrouwen als Rita later vanaf wilden.

Het eerste, gewoon ’t éérste wat ik altijd heb geweten is: ik hoor daar niet thuis, in die buurt. Niet dat ik ’t niet leuk had, maar: ik hoor hier niet thuis. Ik moet weg. Wég! Ik wilde gewoon niet huisje-boompje-beestje, geen trouwerij. Mijn vriendinnetjes werden zwanger als ze zeventien waren en dan werd er getrouwd. Ik dacht: dat is geen leven, dan is ’t over en uit. Zo beknot als mijn moeder was! Alles ging van: ‘Wat zullen de buren wel niet zeggen? Of: ‘Wat zal die wel niet denken?’ Ze voelde zich áltijd bekeken, met álles. Niemand ging studeren. Er ging niemand op kamers. Dat gebeurde gewoon niet. Zeker meisjes niet. Dan heb je iets te verbergen. Of je bent zwanger. Je trouwde uit huis.

Wie erop lette, zag in de jaren vijftig wel tekenen van verandering. Zo werd er uit alle macht geprobeerd het hopeloos verouderde Nederlandse onderwijs te moderniseren. Slechts drie procent van de jongeren ging naar de universiteit, bijna altijd jongeren uit rijkere gezinnen. Slimme kinderen van minder draagkrachtige ouders stroomden vrijwel nooit door naar de hogere schooltypes. Een verspilling van talent, beseften naoorlogse kabinetten, die de kansen voor jongeren uit de armere en middenklasse probeerden te vergroten, bijvoorbeeld met behulp van studiebeurzen. Het vroeg om een mentaliteitsomslag, ook van ouders.

‘Haar ouders sputterden dat het wéér geld ging kosten, maar Rita hield vol’

Vastbesloten later op eigen benen te kunnen staan, verzette Rita zich toen ze ontdekte dat haar ouders de huishoudschool in gedachten hadden voor haar. Rita’s oudere zusje had op de mulo gezeten, waarom mocht zíj daar niet naartoe? Zij speelde altijd op straat, redeneerde haar moeder, en zelfs haar zusje, die een lezer was, had het niet volgehouden op de mulo. Op haar veertiende, vijftiende was ze verliefd geworden op een zes jaar oudere jongen en was ze eraf gegaan. ‘Nee, jij gaat gewoon naar de huishoudschool,’ zei Rita’s moeder. Maar Rita had de meester op school aan haar zijde.

Toen is dus de hoofdmeester van mijn school bij ons thuis gekomen. Die heeft tegen mijn moeder gezegd: ‘Rita kan dat, die moet gewoon, ’t is allemaal in de buurt.’ Dus toen mocht ik. Toen heb ik de vierjarige mulo gedaan. En als je naar school gaat, dan heb je thuis toch ten minste een woordenboek of iets anders. Maar dat was er allemaal niet. Dat was best een moeizame strijd. Maar ik heb het gehaald.

Aap Noot Mies in de klas, 1968
Aap Noot Mies in de klas, 1968 (Nationaal Archief – wiki)
Nu Rita de klim op de maatschappelijke ladder had ingezet, was het voor haar niet de vraag óf ze zou doorleren, maar in welk vak. Kapster worden, in een winkel werken of op kantoor, zoals veel meisjes deden, leek haar niets. Van een klasgenote hoorde ze over de opleiding tot kleuterleidster, Rita wist niet eens van het bestaan van zo’n school. Ze vond kinderen leuk. Als ze zich tijdens de les verveelde en uit het raam keek, zag ze beneden de kleuters lopen, met scheppen, op weg naar de zandbak. Het gaf een vrolijk kabaal. Haar ouders sputterden dat het wéér geld ging kosten, maar Rita hield vol; er was vast wel een beurs te regelen, zei ze.

Rita kreeg het inderdaad voor elkaar. Ze vond de opleiding fantastisch voor haar algemene ontwikkeling, de kunst en de muziek. Het was in alle opzichten een opwindende tijd. Rita hield van rock-’n-roll en was dol op petticoats. Hoewel ze pas dertien, veertien jaar was, wist ze op vrijdag- en zaterdagavond binnen te komen in de Embers Club op de Koningin Emmakade, waar je eigenlijk achttien voor moest zijn. Er kwamen veel Indo’s, mooie jongens de geweldig konden dansen. Op zondagmiddag ging ze naar De Kleine Dierentuin, waar ook altijd werd gedanst.

Toen ze in 1960 op haar achttiende van school kwam, had ze meteen een baan. Eerst als klassenassistent, daarna met een eigen klas, in de kelder van een gebouw in een Haagse nieuwbouwwijk, waar ze van de koeien in het aangrenzende weiland alleen de poten kon zien. Zesenvijftig kinderen zaten er in haar klas. Opgedeeld in drie groepen kwamen ze, verspreid over de week, enkele dagdelen naar school. Dat kon nog, de meeste moeders waren toch de hele dag thuis.

Moeders van toen - Truska Bast
 [
Tijdens een wintersportvakantie halverwege de jaren zestig (Rita deed bij voorkeur dingen die niemand anders in haar omgeving deed; ze ging ook paardrijden) ontmoette ze Alex, die in Amsterdam medicijnen studeerde. Zelfs toen hun relatie serieuzer werd en het liften hen begon op te breken, hield Rita voet bij stuk: ze zou nooit verhuizen vanwege een man. Zij had haar eigen carrière, in Den Haag.

Dat veranderde toen ze las over een nieuwe school in Amsterdam, voor kinderen met spraak- en taalstoornissen. Er waren leerkrachten nodig. Ze moest er nog wel een logopedie-akte voor halen, een driejarige opleiding van vier avonden in de week. Het was precies wat Rita zocht. Na haar opleiding tot kleuterleidster had ze in Amsterdam al de deeltijdopleiding kleuterpedagogiek gevolgd, elke vrijdagavond en de hele zaterdag, maar naar haar idee was dat niet genoeg. Alex, die uiteindelijk psychiater zou worden, studéérde maar door, straks groeiden ze nog uit elkaar.

Dus ik zei tegen Alex: ‘Ik ga solliciteren. Als ik ’t word, kom ik naar Amsterdam en anders praten we d’r nooit meer over.’ En toen ben ik het geworden. Vond ik heel leuk. Want dat was ook wat ik in m’n hoofd had. Ik dacht: ja zeg, hoelang moet Alex nog studeren voordat-ie klaar is? Ik heb werk, ik heb een heel ander leven, dat gaat op een gegeven moment niet goed, dacht ik dan, hè? Ik moet ook iets gaan studeren, ik moet ook gewoon iets hebben.

Ze verhuisde naar Amsterdam, waar ze in 1969 een zolderetage voor hen samen wist te bemachtigen in het hart van de Nieuwmarktbuurt, op de Zeedijk.

×