Noordzeekanaal gaf Amsterdam 150 jaar geleden directe verbinding met zee

6 minuten leestijd
Noordzeekanaal kaart
Het nieuwe zee-kanaal van Amsterdam - Detail van de kaart van P.J. Otten (tekenaar) en C.F. Stemler
In 1876, dit jaar 150 jaar geleden, werd het Noordzeekanaal geopend. Het kanaal gaf de Amsterdamse haven een directe verbinding met de Noordzee. In het vorig jaar verschenen boek Nederland waterland – Een geschiedenis in 100 oude kaarten laten Marieke van Delft en Reinder Storm aan de hand van historische kaarten zien hoe de Nederlandse geschiedenis zowel letterlijk als figuurlijk door het water werd getekend. Het water was niet alleen een vijand die zorgde voor overstromingen, landverlies en oorlog, maar ook een vriend die welvaart bracht via transport, handel en ontspanning. Onderstaand fragment gaat in op de aanleg van het Noordzeekanaal en de rol die kaarten bij dit grootschalige project speelden.

‘De grootste onderneming onzer dagen’

Onvruchtbaar water werd in vruchtbaar land en onvruchtbaar land in vruchtbaar water herschapen. Wij voegden bij den schoot der aarde weelige akkers, die door den landbouw welvaart verspreiden. Wij onttrokken aan den schoot der aarde ruimte voor waterwegen, die handel en scheepvaart tot heil en voorspoed strekken.

Nederland waterland
 
Met deze woorden richtte S.W. Josephus Jitta (1818-1897) zich op 1 november 1876 in zijn feestrede bij de opening van het Noordzeekanaal tot eregast koning Willem III (1817-1890) en tot de andere aanwezigen. Koopman en gemeenteraadslid Josephus Jitta was voorzitter van de Amsterdamsche Kanaalmaatschappij. Die was in 1861 opgericht om de haven van Amsterdam te verbinden met de Noordzee via een kanaal door ‘Holland op z’n smalst’, zoals die strook land van oudsher werd genoemd. Daarvoor zou een deel van het IJ ingepolderd moeten worden. Dit prestigieuze project verliep echter niet zonder slag of stoot.

Plannen voor een betere zeeverbinding

Omdat de toegang tot Amsterdam via IJ en Zuiderzee meer en meer last ondervond van dichtslibbing bestonden er al langer plannen om de haven van Amsterdam beter toegankelijk te maken. Al in 1816 opperde koning Willem I (1772-1843) de mogelijkheid om dat smalste deel van Noord-Holland te doorgraven. Maar omdat de uitvoering daarvan toen technisch onuitvoerbaar werd geacht, werd dit plan niet doorgezet. Wel werd in de eerste helft van de negentiende eeuw het Noord-Hollands kanaal aangelegd, dat Amsterdam verbond met Den Helder en de Noordzee. Dat kanaal werd in 1824 in gebruik genomen, maar de capaciteit ervan was al snel ontoereikend door het toenemende scheepvaartverkeer. De schepen werden steeds groter en het werden er ook steeds meer; en ook stoomschepen dienden zich aan.

Halverwege de negentiende eeuw ontstond er vanuit het Amsterdamse bedrijfsleven animo voor het oorspronkelijke plan. Dit hing ook samen met concurrentie met die andere grote havenstad: Rotterdam. In 1863 was een wet aangenomen die bepaalde dat Rotterdam een directe verbinding mocht aanleggen naar zee: de Nieuwe Waterweg. Om Amsterdam economisch niet te benadelen, kreeg de hoofdstad wettelijk het recht om door particulieren het Noordzeekanaal aan te laten leggen.

Gedenkpenning Noordzeekanaal koning Willem III
Bronzen gedenkpenning met op de voorzijde het portret van Koning Willem III en op de keerzijde een koggeschip, symbool voor de handel van Amsterdam. Edouard Louis Geerts, Opening van het Noordzeekanaal 1876. Origineel: Amsterdam, Rijksmuseum, bruikleen van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap, kog-mp-2-0293.

Nadat de Amsterdamsche Kanaalmaatschappij hiertoe in 1863 concessie verkreeg, kwam er financiering, onder meer van het Rijk, en zo kon in 1865 met de werkzaamheden begonnen worden. Nederlandse aannemers durfden het omvangrijke project niet aan. Engelsen hadden meer ervaring met dergelijke grote, infrastructurele werken en daarom werd de aanleg van het Noordzeekanaal grotendeels uitgevoerd door de Engelse firma Henry Lee & Son. Die nam eigen personeel mee, dat werd gehuisvest in een Engelse enclave in Wijkeroog (nu Velsen-Noord). Omdat de aanleg van het kanaal jaren zou gaan duren, kwamen hele gezinnen met de werklieden mee. De firma regelde voor de families een winkel met Engelse levensmiddelen, een school en kerkdiensten in hun eigen taal.

Tegenstand en financiële uitdagingen

Het plan had vanaf het begin ook te maken met tegenstand. Het lukte aanvankelijk niet om het benodigde kapitaal bijeen te brengen. De gemeente Amsterdam weigerde elke vorm van steun uit vrees voor onbeheersbare kosten en een niet te dragen schuldenlast. In 1867 werden de werkzaamheden zelfs tijdelijk gestaakt.

Geleidelijk aan herstelde zich het vertrouwen in de goede afloop en op 29 april 1870 werd de eerste steen gelegd van de sluizen bij Schellingwoude – de latere Oranjesluizen. Om de waterstand in het toekomstige kanaal goed te kunnen regelen, was het namelijk nodig om het IJ aan de oostzijde af te sluiten van de Zuiderzee. Ook hiertegen werden bezwaren ingebracht. De vrees bestond dat de stad daardoor aan allerlei besmettelijke ziekten zou worden blootgesteld omdat het water minder vaak ververst zou worden en dat de grachten door het lage peil van het kanaal zouden droogvallen.

Noordzeekanaal titankraan
Kraan Titan IV bij de aanleg van de havenhoofden bij IJmuiden, ca. 1871-1872 – Pieter Oosterhuis

Opening van het Noordzeekanaal

Ondanks alle problemen en bezwaren werd het Noordzeekanaal in 1876 geopend, elf jaar na de start van de werken. Het kanaal is ruim 20 kilometer lang en meer dan 250 meter breed; de 7 kilometer dwars door de duinen bij Velsen is met de hand gegraven. Het is grotendeels tot stand gekomen door inpoldering van het IJ en het Wijkermeer. Daarvoor werden over een lengte van 17 kilometer dijken aangelegd. De polders hadden een totale oppervlakte van meer dan 5000 hectare. Er kwamen wegen en sloten, waarna de grond werd verkocht. Met de opbrengst werd een deel van de kosten voor aanleg van het kanaal terugverdiend.

Aan de monding van het Noordzeekanaal ontstond zelfs een nieuwe stad: IJmuiden, dat tegenwoordig in grootte, na Rotterdam en Amsterdam, de derde overslaghaven van Nederland is. Sinds 1975 bevindt zich in IJmuiden ook het grootste gemaal van Europa, dat van vitaal belang is voor de afwatering van Noord- en Zuid-Holland: per jaar wordt circa 3 miljard kubieke meter water afgevoerd.

Kaarten als overtuigingsmiddel

Als onderdeel van alle plannen, brochures met bezwaren en weer gewijzigde plannen zijn van (de aanleg van) het Noordzeekanaal veel kaarten gemaakt; sommige behelzen een beter voorstel voor het beoogde kanaal, andere brengen percelen in beeld in de nieuw aangelegde IJpolders. Sommige kaarten – misschien moeten we eerder spreken van een soort artist’s impressions avant la lettre – lijken te zijn gemaakt om twijfelaars met een mooie prent te overtuigen van de zegeningen die zouden voortvloeien uit de aanleg van het Noordzeekanaal.

nieuwe zee-kanaal van Amsterdam
Het nieuwe zee-kanaal van Amsterdam. Door P.J. Otten (tekenaar) en C.F. Stemler, Amsterdam (uitgever), 1866. Origineel: Haarlem, Noord-Hollands Archief, toegang 560 Kaarten en kaartboeken Provinciale Atlas Noord-Holland, inv.nr. 273.

Een voorbeeld daarvan is Het nieuwe zee-kanaal van Amsterdam door P.J. Otten. Deze kaart is in 1866, dus tien jaar vóór de opening van het kanaal door koning Willem III, uitgegeven door C.F. Stemler uit Amsterdam. De naam van de tekenaar, P.J. Otten, is rechtsonder te lezen op de prent, maar over hem (of haar?) is verder niets bekend. Over Carel Frederik Stemler daarentegen weten we meer. Hij werd in 1811 in Amsterdam geboren en vestigde zich daar in 1836 als boekhandelaar waar hij in 1885 overleed. Als uitgever produceerde hij onder meer tientallen kaarten en atlassen, waaronder Het nieuwe zee-kanaal van Amsterdam.

Stemler adverteerde voor de kaart in de Opregte Haarlemsche Courant van 23 augustus 1866. Daarin verwijst hij naar een artikel in het tijdschrift Onze tijd, ook een uitgave van Stemler. In dat artikel, anoniem gepubliceerd, wordt de aanleg van het Noordzeekanaal ‘de grootste onderneming onzer dagen’ genoemd. Over de kaart staat er:

[…] het blauwe water onderscheidt zich kennelijk van al hetgeen land is of tot land zal hervormd worden, want de concessie heeft ten doel het tot stand brengen van eene doorloopende gemeenschap tusschen de Noord- en Zuiderzee, zoowel in verband met de groote scheepvaartbelangen van Amsterdam, als met eene indijking en droogmaking van gronden in het oostelijk en westelijk IJ benevens het Wijkermeer.

Noord-zee kanaal 1865
Op deze kaart van het Noord-zee kanaal uit ca. 1865 zijn de later ingepolderde watervlakten van IJ en Wijkermeer geel gemarkeerd. Uit: Alof, Het Noordzee-kanaal door Holland op zijn smalst, beschreven voor allen, inzonderheid voor aankomende jongelingen, die met deze groote onderneming wenschen bekend te worden. Kampen 1865, bijlage. Amsterdam, Allard Pierson UvA, ubm Obr. 971.

Het kanaal is er gekomen, grotendeels zoals op deze kaart aangegeven is, en het heeft zoals gehoopt en verwacht de groei van de haven van Amsterdam sterk bevorderd. Het Noordzeekanaalgebied is nu de tweede haven van Nederland en de vierde van Europa. Dat zou Willem I, die het plan immers bedacht, goed hebben gedaan.

Literatuur

• T. Bakker, ‘De kortste weg naar zee; de aanloop tot het Noordzeekanaal’; https://www.theobakker.net/pdf/noordzeekanaal.pdf.
• M.G. de Boer, De haven van Amsterdam en haar verbinding met de zee. Amsterdam 1926.
• J. Moes, Noordzeekanaal, 1876-2001. 2de herz. dr. Amsterdam 2001.
• W.A. Sinninghe Damsté, Het Noordzeekanaal, 1863-1883. Nijmegen 2001.
• H. Wortman en G.J. van den Broek, Geschiedenis en beschrijving van het Noordzeekanaal. Amsterdam/’s-Gravenhage 1909.
×