Suara Pulau: poëtische stemmen in beweging

Stem van de eilanden in Molukse poëzie
6 minuten leestijd
Het eiland Seram
Het eiland Seram - Foto: David Berhitu

De poëziebundel Suara Pulau is een meertalige bloemlezing van meer dan zeventig jaar Molukse poëzie, geschreven in het Indonesisch, Moluks Maleis en Nederlands. De bundel, onlangs gepresenteerd in de Tolhuistuin in Amsterdam, brengt stemmen bijeen die zich uitstrekken over generaties, tijden en plaatsen.

Onder redactie van Victor Joseph, schrijver en eigenaar van VJ Media-Link, en Tuncay Çinibulak, journalist en schrijver, is een verzameling ontstaan die niet alleen poëtische bronnen bundelt, maar ook ruimte schept voor ontmoeting, herinnering en herverbinding.

De bundel wordt gedragen door uiteenlopende stemmen die elk op eigen wijze spreken over afscheid en verplaatsing, geloof, verlies, afkomst, weerstand en verlangen. Wat zich ontvouwt, laat zich niet vangen in een afgerond geheel, maar vormt een ademende verzameling waarin sporen zichtbaar blijven en stemmen naast elkaar mogen bestaan.

Meerstemmig

De opbouw van de bundel weerspiegelt een poëtische ontwikkeling die zich niet laat vangen in stijl of periode. Tussen de regels door ontwikkelt zich iets anders: een geleefde beweging, waarbij taal niet alleen expressie is, maar ook overdracht – een middel om te bewaren wat dreigt te verdwijnen. De eerste generatie spreekt vaak vanuit geloof en verbondenheid met het land van herkomst. Hun toon is ingetogen, gedragen, soms strak van vorm, maar innerlijk geladen.

De tweede generatie schrijft vanuit een ander spanningsveld: tussen herinnering en actualiteit, tussen overgeleverde beelden en eigen ervaringen. De derde generatie zoekt een nieuwe vorm van nabijheid -performatief, muzikaal, visueel of ritmisch – zonder de echo’s van eerdere stemmen te negeren. Wat deze generaties verbindt, is niet alleen afkomst, maar vooral de manier waarop poëzie als ruimte wordt ervaren: een ruimte om te ademen, te benoemen, te weigeren, te helen.

In een bundel met zoveel stemmen is elke selectie onvolledig, en juist daarom betekenisvol. De dichters in deze recensie vertegenwoordigen niet het geheel, maar bieden een doorsnede waarin generaties elkaar raken. In hun werk wordt iets tastbaar van wat eerder stil bleef, van wat zonder woorden werd overgeleverd, van wat opnieuw vorm krijgt in een andere tijd.

De samenstellers van de bundel met een aantal betrokken dichters
De samenstellers van de bundel met een aantal betrokken dichters

Collectief uithoudingsvermogen

Dika Manuhutu-Latupeirissa schrijft in Orang-orang tua dan transport over de reis van Molukse gezinnen naar een onbekend land. Ze schetst in sobere taal hoe uniformen worden afgedaan, koffers gesloten, en vertrouwen meegenomen. Wat klinkt, is geen aanklacht maar een gedragen geloof – een overgave aan wat kwam, met waardigheid en ingetogen kracht.

Ds. Semuel Metiary beschrijft ontworteling met een serene toon, waaronder een voelbare onderstroom van gemis schuilgaat. Zijn bekende gedicht en lied Di Tanah Perantauan, geïnspireerd op Psalm 137, verwoordt het verdriet van ballingschap en het verlangen naar het moederland. Het wordt tot op de dag van vandaag gezongen bij herdenkingen binnen de Molukse gemeenschap. In deze stem klinkt geen aanklacht maar een gedragen geloof – een overgave aan wat kwam, met waardigheid en ingetogen kracht, net als bij Dika Manuhutu-Latupeirissa, een gedragen weten.

Hun poëzie getuigt van innerlijke discipline, waarin geloof en volharding samenvallen. Niet het persoonlijk leed staat centraal, maar het collectieve uithoudingsvermogen, het doorgeven van waarden onder onzekere omstandigheden. De taal is vaak ingehouden, maar juist daardoor krachtig in woordkeuze, beeldspraak en verfijnde vorm, zoals de pantun. Hun werk vormt een fundament waarop volgende generaties konden bouwen, niet door zich te verheffen, maar vanuit een volgehouden kracht die in taal en vorm doorklinkt.

Aankomst van de Kota Inten in Rotterdam, met aan boord Molukse passagiers uit Ambon, 1951.
Aankomst van de Kota Inten in Rotterdam, met aan boord Molukse passagiers uit Ambon, 1951. (CC0 – Joop van Bilsen – wiki)

Een eigen stem

De tweede generatie spreekt vanuit een andere gelaagdheid. Wat hen onderscheidt, is niet alleen het tijdvak waarin ze opgroeiden, maar ook hun positie tussen ontvangen herinnering en persoonlijke ervaring. Dat spanningsveld maakt hun toon zoekend, soms vragend, maar steeds verbonden met het voorafgaande. Rachel Haurissa schrijft met herhaling, ritme en ingehouden emotie. In haar gedicht De Dochter keert telkens de regel terug:

Ik een dochter uit het land van de gestolen kruidnagels.

Die herhaling bouwt spanning op, waarbij geur, voedsel, koloniale verwijzingen en persoonlijke overgave samenkomen. In korte, snijdende regels roept ze beelden op van kruidnagels, treinen, bruine boterhammen, blauw luchtlicht – beelden van een erfgoed dat door het lichaam spreekt. Haar toon is beschouwend maar geladen, en wat blijft hangen is een morele weigering om te haten, juist vanuit verbondenheid. Zo geeft ze het persoonlijke een publieke reikwijdte.

Djodjie Rinsampessy schrijft met oog voor balans en tegenstellingen. Zijn gedicht Baronie onderzoekt ruimte en licht als voorwaarden voor samenleven. Hoewel het geen pantun is, draagt het wel eenzelfde gevoeligheid voor ritmiek en gelaagdheid. Tegelijk zet hij zich actief in voor herwaardering van de pantunvorm via workshops. Waar Rachel Haurissa de spanning tussen erfgoed en zelfbeeld onderzoekt via herhaling en persoonlijk perspectief, beweegt Djodjie zich eerder richting abstractie en gemeenschappelijke ruimte – twee stemmen die elk op hun manier reflecteren op overlevering en plaats. Deze generatie staat tussen werelden en vindt daarin een eigen stem.

Jonge stemmen

De stemmen van de derde generatie klinken anders. Ze bewegen zich vrijer, los van stilistische of thematische verwachtingen, en zoeken vormen die resoneren met het nu. Darsay opent met BOOM, een poëtisch geladen performancegedicht waarin de boom als symbool van verbinding, herinnering en voortbestaan wordt neergezet. Zijn tekst verbindt seizoenen met levensfases, wortels met oorsprong, adem met gemeenschap. Het gedicht ademt een bewustzijn van tijd en geschiedenis, van collectieve pijn én verbondenheid, en nodigt uit tot reflectie op wie we zijn, waar we vandaan komen en hoe we verbonden zijn met elkaar.

De stemmen dragen elk hun eigen geschiedenis, maar zoeken elkaar op in nabijheid en resonantie.

Waar Fitra Umarella zoekt naar innerlijke verschuivingen in identiteit, richt Darsay zich op het fysieke en rituele gebaar van verbondenheid – twee perspectieven die elkaar aanvullen in de zoektocht naar betekenis in het nu. Fitra Umarella kiest voor een ingetogen en onderzoekende toon. Haar werk beweegt tussen afstand en nabijheid, tussen geloof en verwondering. Haar poëzie zoekt geen vaste grond, maar stelt vragen over hoe identiteit zich vormt in een veranderende omgeving. Waar Darsay werkt met ritueel en lichamelijkheid, onderzoekt Fitra juist het innerlijk verschuivende perspectief – een poëtica van nuance en bespiegeling.

Deze jonge stemmen nemen de erfenis niet over als gegeven, maar onderzoeken en herformuleren haar. Wat klinkt, is geen herhaling, maar een verzet tegen stilstand – een poging om taal opnieuw betekenis te geven met woorden die nog onderweg zijn.

Eilandstemmen

Naast de gedichten uit Nederland klinken ook stemmen vanaf de eilanden. Rudi Fofid, dichter en journalist uit Ambon, schrijft in een taal die scherp en invoelend is. Zijn poëzie zoekt wat verloren ging, niet als abstract verlangen, maar als iets tastbaars dat opnieuw benaderd moet worden. In zijn tweede gedicht, gewijd aan Banda, klinkt een verlangen naar zuivering en verzoening. Het gedicht is een smeekbede om het valse af te leggen, om begraven te worden in de diepte van de Banda Zee, daar waar vrede en liefde opnieuw kunnen opkomen. Zijn woorden raken aan collectief geheugen en persoonlijke overgave. Wat overblijft is geen roep om antwoord, maar een stil getuigenis van overgave en hoop op hernieuwing.

Roesda Leikawa, afkomstig uit het dorp Morella op het eiland Ambon, schrijft met een zachte, heldere toon. Haar poëzie, in briefvorm aan een gedeeld ‘wij’, ademt nabijheid zonder de afstand te vergeten. Verlangen, herinnering en verbondenheid klinken door, gedragen door ritme en aandacht. Deze twee stemmen verankeren de bundel, niet door haar vast te zetten, maar door haar open te houden voor meervoudige oriëntaties.

Ademhaling

Suara Pulau
 
Tijdens de presentatie van de bundel werd gesproken over overlevering: over wat gedragen en gedeeld kan worden, over hoe poëzie een zachte opening maakt waarin stemmen elkaar kunnen naderen. Er werd niet gedoceerd, maar verwoord; niet besloten, maar uitgewisseld. Eén gedachte bleef hangen, als een druppel die natrilt op gespannen huid: als een droom blijft voortleven, is dat geen vlucht, maar een ademhaling van wat niet verloren mag gaan.

Suara Pulau sluit niets af en biedt geen volledig overzicht. Het is een bundel die zich niet laat samenvatten, maar zich beweegt langs de randen van herinnering en verwachting. De stemmen dragen elk hun eigen geschiedenis, maar zoeken elkaar op in nabijheid en resonantie. Wat klinkt, is geen harmonie, maar een gelaagde beweging waarin echo’s en tegenstemmen elkaar kruisen. Iedere dichter tekent contouren van verlangen, gemis, strijd en hoop. Maluku is daarbij niet alleen plaats, maar ook aanspreekpunt. Deze poëzie opent ruimte – niet om af te ronden, maar om verder te vragen. Niet als conclusie, maar als uitnodiging om opnieuw te luisteren.

De bundel (138 pagina’s) is te bestellen bij Stichting Tulpia

×