Maleis en Indonesisch: oorsprong en ontwikkeling voor, in en na de koloniale tijd

21 minuten leestijd
Maleis sprekend paar
Maleis sprekend paar, in 1540 door een onbekende Portugees vastgelegd in Malakka. (CC0 - wiki)

In het koloniale Indië spraken ze vroeger Maleis, na de onafhankelijkheid van Indonesië werd dat Indonesisch. Zo zullen de meeste Nederlanders het in hun hoofd hebben. Op zichzelf is het niet onwaar, maar de werkelijkheid was ingewikkelder en interessanter. Onderstaand een inventarisatie op hoofdlijnen: waar ontstond het Maleis, hoe heeft het zich ontwikkeld, hoe werd het Indonesisch en hoe verging het die taal?

Alvorens te kijken naar ontstaan en ontwikkeling van het Maleis eerst even iets anders: waar kwamen de sprekers van die taal vandaan? Duizenden jaren voor onze jaartelling leefde al wel een beperkt aantal mensen in wat nu Indonesië heet. Zo woonden er Melanesiërs in het binnenland van Nieuw-Guinea. Hun geschiedenis blijft echter buiten beschouwing, want het gaat hier om het Maleis en de mensen die het spraken.

Van Taiwan naar de Indonesische archipel

In beeld komt dan om te beginnen Taiwan, waar ongeveer 4000 à 3000 jaar voor Christus Austronesiërs woonden. Hun voorouders waren, mogelijk rond 4500 voor Christus, naar dat eiland gekomen vanaf het nabije vasteland, het huidige Zuid-China. Maar de Austronesiërs bleven niet op Taiwan, ze trokken verder, sommige wetenschappers schatten vanaf ongeveer 3500 voor Christus, anderen denken zo’n duizend jaar later. Eerst belandden ze op eilanden die nu bij de Filipijnen horen, vervolgens in de archipel die tegenwoordig Indonesië heet. Uiteindelijk waaierden de Austronesiërs in de loop van vele eeuwen uit over een gigantisch gebied, van Madagaskar in het westen tot Nieuw-Zeeland, Fiji, Tonga en Hawaii in het oosten.

Austronesiërs
Vanaf Taiwan verspreidden de Austronesiërs zich over een gigantisch gebied. (CC BY 4.0 – Bellwood, 2011, wiki)

Aangenomen wordt dat de Austronesiërs oorspronkelijk één taal spraken. Maar naarmate ze zich verspreidden, verloren groepen het onderlinge contact en ontwikkelden ze verschillende talen. Het huidige Indonesië telt er – naast het officiële Indonesisch – zes- à zevenhonderd.

Waar ontstond het Maleis?

Een van de talen die zo ontstond, en die een belangrijke rol zou gaan spelen, was het Maleis (in de Engelse literatuur ‘Malay’, in het Indonesisch ‘bahasa Melayu’). Tot het eind van de twintigste eeuw hebben wetenschappers gediscussieerd over de vraag waar dat Maleis, vermoedelijk zo’n duizend jaar voor onze jaartelling, is ontstaan: op Borneo, op het schiereiland waar nu Maleisië en Singapore liggen, op Sumatra? Inmiddels is er wel zo’n beetje consensus dat het op Borneo was. Maar waar dan op Borneo? In het noordwesten, in het zuidwesten, ergens er tussenin – het is allemaal geponeerd. Voor de leek is het voldoende te weten dat het ergens in het westen van Borneo was. Daar zijn in hedendaagse dialecten van niet-moslims die wat verder van de kust wonen ook sporen aangetroffen die wijzen op een zeer oude variant van het Maleis.

Kedukan Bukit
De in Kedukan Bukit gevonden inscriptie is te zien in het Indonesische Nationaal Museum. (CC BY-SA 4.0 – Gunawan Kartapranata – wiki)

Hoewel onbekend is wanneer, zijn Maleis sprekende mensen van Borneo overgestoken naar het Maleisische schiereiland en naar Zuid-Sumatra. Op Zuid-Sumatra ontstond een maritiem rijk, Sriwijaya (7de tot in de 11de eeuw), dat ook wel werd aangeduid als Melayu. In zijn hoogtijdagen bestierde Sriwijaya behalve het grootste deel van Sumatra ook ruim de (westelijke) helft van Java plus de kusten van het Maleisische schiereiland en van West-Borneo. De vorsten van Sriwijaya zetelden in wat nu de stad Palembang is.

Yijing
‘Artist impression’ van hoe de Chinese monnik Yijing er mogelijk uitzag.
De naam Melayu werd voor het eerst op schrift gesteld toen vanuit Zuid-Sumatra in het jaar 644 een missie naar China werd gestuurd. De eerste wat uitgebreidere gegevens noteerde de boeddhistische pelgrim Yijing, die in 671 op Sumatra de plaatsen Palembang en Jambi bezocht. Uit diezelfde tijd stammen de oudste op stenen aangebrachte inscripties in het zogenoemde Oud-Maleis. Die inscripties zijn aangetroffen in onder meer Kedukan Bukit (Palembang, gedateerd in het jaar 683), Talang Tuo (Palembang, 684) en Kota Kapur (op het eiland Bangka bij Zuid-Sumatra, 686). De inscripties vermelden de staat Sriwijaya. In 1079 of iets later werd het bestuurlijke centrum daarvan verplaatst van Palembang naar het iets noordelijker Jambi. Missies die in 1079 en 1088 naar China reisden, kwamen volgens Chinese documenten uit ‘Zhanbei’, Jambi dus.

Malakka

Eind veertiende eeuw stak een prins uit Zuid-Sumatra met een groep volgelingen over naar het Maleisische schiereiland en stichtte daar eerst Singapura en daarna het Sultanaat Malakka (Melaka in het Maleis én hedendaags Maleisisch en Indonesisch). Dat staat in het zeventiende-eeuwse hofdocument dat bekend werd als Sejarah Melayu (De Maleise Geschiedenis), maar waarvan de oorspronkelijke titel luidt Sulalat al-Salatin (Afstamming van Koningen).

Sejarah Melayu
Eerste pagina van een ongedateerde editie van ‘Sejarah Melayu’ in het Jawi-schrift.
Het document onderstreepte de claim van het door handel en scheepvaart welvarend geworden Malakka dat het het (nieuwe) centrum was van de Maleise wereld. Het leidde in de zestiende en zeventiende eeuw tot conflicten met het koninkrijk Atjeh, in het noorden van Sumatra. Dat had zijn eigen hoftekst, ‘Hikayat Aceh’ (Het Verhaal van Atjeh), waarin het vorstendom het leiderschap van de Maleise wereld voor zichzelf opeiste. Zonder veel succes overigens, want de ster van Malakka bleef stralen. De Britten en Nederlanders maakten met die controverse in politieke zin korte metten door het verdrag dat ze in 1824 sloten: het Maleisische schiereiland was voor de Britten, Sumatra voor de Nederlanders en ze zouden elkaar niet dwarszitten.

Het Maleis in Nederlands-Indië

In 1596 waren de eerste vier Nederlandse schepen aangekomen aan de noordkust van West-Java. In de drie eeuwen die volgden, bouwden de Nederlanders hun belangen in Indië stap voor stap uit tot een volwaardige koloniale staat. In de uitgestrekte archipel troffen ze een veelheid aan talen aan. Eén daarvan onderscheidde zich van de andere, het Maleis. Daarvan bestonden twee hoofdvarianten: het beschaafdere Hoog-Maleis en het simpeler Laag-Maleis, ook wel pasar-Maleis (markt-Maleis) genoemd. Dat pasar-Maleis werd in grote delen van de archipel veel gebruikt, in eerste instantie in havenplaatsen waar werd gehandeld. Het had de functie van ‘lingua franca’, gemeenschappelijk communicatiemiddel voor mensen met verschillende moedertalen.

Eerste Schipvaart
De eerste kleine vloot die vanuit Nederland vertrok en in 1596 de ankers uitgooide bij de noordkust van West-Java. Deze afbeelding is rond 1650 gemaakt.

De Fransen en Britten losten het taalprobleem in hun koloniën op door het Frans en Engels er ruim te verspreiden. De Nederlanders hebben dat in Indië nooit gedaan. Ze beperkten het gebruik van Nederlands tot zichzelf en hooguit een zeer beperkte groep veelal adellijke ‘inlanders’ die werd ingeschakeld bij het koloniale bestuur. De bedoeling was daarmee het prestige van de koloniale machthebbers hoog te houden. Grappig is dat hulpprediker Jan ten Hove, die werkte in de Minahasa (Noord-Sulawesi), het in 1893 juist omdraaide. Hij stelde dat degene die een taal het beste beheerst ‘de baas’ is. Dus kon volgens hem een Javaanse bediende zich in het Maleis wel eens onbeschaamd uitlaten tegen een Nederlander, terwijl een kantoorklerk in de Minahasa die Nederlands sprak in die taal altijd beleefd was. Het was voor Nederlanders dus oppassen met dat Maleis, aldus Ten Hove.

Lange tijd was de hoofdlijn van beleid juist dat het oppassen was met het Nederlands, althans met de toegang van ‘inlanders’ tot het Nederlands. Het zou ze in aanraking kunnen brengen met moderne Europese lectuur en maar op ongewenste gedachten kunnen brengen. Niettemin werd onder invloed van de in 1903 gelanceerde zogenoemde ethische politiek het ‘verheffen’ van de autochtone bevolking een beleidsdoel. Meer jongeren uit (bevoorrechte) autochtone kringen kregen toegang tot het Nederlands, een aantal kon zelfs in Nederland studeren.

Doorwerking van het Nederlands

Dat is terug te zien in de statistieken. In 1900 was van de autochtone bevolking in Indië 0,012 procent het Nederlands machtig, in 1940 was opgelopen tot 1,1 procent. Nog altijd heel weinig dus, maar wel zijn er onder hoogopgeleide Indonesiërs enkele generaties geweest die Nederlands spraken. Een vermakelijk staaltje daarvan was te zien in een tv-reportage die Aad van den Heuvel na de machtsgreep van het Indonesische leger (1965) voor de KRO maakte en waarin president Soekarno hem in het Nederlands toevoegt: ,,Wat is dat voor vraag. Van den Heuvel, ik heb je door’’. Ook is een opname bewaard waarin Soekarno op een vraag van Ed van Westerloo (ook KRO) zegt: ,,Kijk uit je doppen’’.

Radius Prawiro
Radius Prawiro in 1992
In 1995 was ik zelf in Indonesië om ter gelegenheid van het halve-eeuwfeest van de onafhankelijke republiek verhalen te maken voor de regionale kranten die waren aangesloten bij de toenmalige Gemeenschappelijke Persdienst (GPD). Er was nog steeds onenigheid tussen Jakarta en Den Haag, omdat minister Jan Pronk (Ontwikkelingssamenwerking) in 1992 kritiek had geuit op het optreden van het Indonesische leger op Oost-Timor. Dat was president Soeharto in het verkeerde keelgat geschoten. In Jakarta belde ik de oud-minister op wiens bordje de zaak in 1992 was beland, Radius Prawiro. We spraken Engels, maar plots zei hij in onberispelijk Nederlands: ,,Ja, ik ken Jantje Pronk natuurlijk wel hè. We hebben allebei gestudeerd in Rotterdam.’’ Dat dat niet tegelijk was (Radius Prawiro werd geboren in 1928, Pronk in 1940) deed er minder toe. Het punt was dat het gesprek probleemloos in het Nederlands verder ging. Anno 2026 is vrijwel niemand in Indonesië het Nederlands meer machtig, afgezien van een gering aantal studenten Nederlands, hun docenten en wetenschappers die voor hun onderzoek Nederlandse historische bronnen bestuderen.

Eerste woordenboeken en vertalingen

Frederik de Houtman
Frederik de Houtman, geschilderd in 1617
Terug nu naar het Maleis. De Nederlanders troffen het in Indië aan en ze gingen ermee aan de slag. Wel heel snel was Frederik de Houtman, broer van Cornelis de Houtman. Als opperkoopman had Cornelis de leiding over de Eerste Schipvaart, waarvan de schepen in 1596 de ankers uitgooiden voor de kust van Bantam (Banten, West-Java). Ook Frederik voer mee, net als hij deed met de tweede Indië-expeditie die in 1598 uitvoer en die hem kwam te staan op twee jaar gevangenschap in Atjeh. Al in 1603 publiceerde Frederik de Houtman in Amsterdam zijn Spraeck ende woord-boeck, in de Maleysche ende Madagaskarsche talen.

Ten bate van missie en zending stortten Nederlanders zich ook op Bijbelvertalingen. Zo verscheen van onderkoopman Albert Cornelisz. Ruyl al in 1629 in Enkhuizen Het Nieuwe Testament, dat is, het Nieuwe Verbondt onzes Heren Jezus Christus in Nederduitsch ende Maleisch, naar de Grieksche waarheit overgezet. Die titel gaf aan wat de bedoeling was geweest: een Maleise vertaling van het hele Nieuwe Testament. Maar in werkelijkheid betrof het alleen de vertaling van het Evangelie van Mattheus, al volgde later van Ruyls hand ook nog het Evangelie van Marcus in het Maleis.

Tot vertaling van het hele Nieuwe Testament kwam wel predikant Daniel Brouwerius. Zijn pennenvrucht verscheen in 1668 in Amsterdam. De kritiek, vooral vanuit Batavia, was echter niet mals. Wat slecht viel, was dat Brouwerius het gesproken Laag-Maleis had gebruikt in plaats van het geschreven Hoog-Maleis. Het wees vooruit naar een latere en grotere controverse over de Maleise vertaling van de complete Bijbel.

François Valentijn in 1704
François Valentijn in 1704
In 1694 verschenen de eerste exemplaren van de door François Valentijn in het Maleis vertaalde Bijbel. Valentijn was predikant op Ambon (Molukken). Zijn vertaling mishaagde de gereformeerde kerkelijke autoriteiten in Batavia en Nederland en ze kregen steun van de VOC-leiding. Eindresultaat was dat in 1733 de wel officieel goedgekeurde Bijbelvertaling verscheen van de Bataviase predikant Melchior Leydecker. Toen deze in 1701 overleed, was hij gevorderd tot Efeziërs 6:6 in het Nieuwe Testament. Predikant Petrus van der Vorm maakte het werk vrij snel af. Dat het nog jaren duurde voordat deze vertaling in druk verscheen, kwam door het verzet daartegen van Valentijn. De Indische zending heeft Leydeckers vertaling tot ver in de negentiende eeuw gebruikt.

De hoofdzaak van het conflict was dat Leydecker ervoor had gekozen Hoog-Maleis te gebruiken, de culturele en religieuze schrijftaal die was ontleend aan de hoven van Zuid-Sumatra en Malakka. Valentijn vond dat protestantse zendelingen de plaatselijke bevolking beter konden benaderen in het Laag-Maleis. Interessant, zelfs wat curieus, is dat predikant Van der Vorm, die Leydeckers Hoog-Maleise Bijbelvertaling voltooide, zelf eigenlijk een derde optie effectiever vond. Volgens hem begreep de bevolking op Ambon ook het Laag-Maleis onvoldoende en zou het beter zijn de mensen over de zegeningen van het gereformeerde geloof te benaderen in hun eigen, regionale taal.

Javaans of Maleis?

Oude Delft 95
Oude Delft 95, in 1843 het onderkomen van de Koninklijke Academie, nu een rijksmonument. (CC BY-SA 3.0 – Michiel1972 – wiki)
Nadat in de achttiende eeuw de specerijenhandel een forse neergang had beleefd, was de aandacht van de kolonisator verschoven van de oostelijke eilanden naar Java. Aan de op 4 januari 1843 in Delft geopende Koninklijke Academie, waar ingenieurs en bestuursambtenaren voor Indië werden opgeleid, was Javaans dan ook een heel belangrijk vak. Het was voor beginners een lastige taal en volgens de in Batavia geboren taalkundige en ambtenaar A.A. Fokker maakten de docenten in Delft het voor hun studenten ook nog eens zo moeilijk mogelijk. Resultaat: áls op Java aankomende ambtenaren van het Binnenlandsch Bestuur al probeerden het Javaans te gebruiken, dan gaven ze dat al snel op en schakelden over op wat Fokker noemde ‘klontong-Maleisch’. Een ‘klontong’ was een Chinese marskramer in Indië. Fokker doelde op wat meestal ‘dienst-Maleisch’ werd genoemd, de taalvariant waarin koloniale ambtenaren en bij het bestuur ingeschakelde ‘inheemsen’ met elkaar communiceerden.

Het Maleis kende veel meer varianten, want die taal liet zich flexibel aanpassen aan de behoeften van de gebruikers. Zo noemde een Maleisch Leesboek uit 1845 niet alleen ‘hoog-Maleisch’ en ‘laag-Maleisch’, maar ook ‘ambtelijk-, basterd-, Bataviaasch-, Bataviasche-havenwerken-, boeken-, brabbel-, centralisatie-, Christelijk-, conventie-, couranten-, dienst-, haven-, Hollands-Ambons-, Java-, kazerne-, klontong-, locaal-, marine-, matrozen-, middel-, Mohammedaansch-, Nieuw-, Oost-Javasch-, passer-, soldaten-, spoorwegbeambten-, toko-, vergaderingen- en waterstaats-Maleisch’. En dan was er in de negentiende en twintigste eeuw ook nog het ‘petjoh’ of ‘petjok’, de mengtaal die Indo’s (Indo-Europeanen) spraken.

Jean Chrétien Baud, geschilderd door Raden Saleh
Het taalbeleid van de koloniale autoriteiten zwabberde in de negentiende eeuw nogal. Zo eiste een decreet in 1811 van bestuursambtenaren op Java dat ze zich zo veel mogelijk van het Javaans zouden bedienen, terwijl een resolutie uit 1819 juist de voorkeur gaf aan het Maleis. Datzelfde stond in officiële aanwijzingen uit 1827, 1837 en 1839. Maar minister van Koloniën Jean Chrétien Baud betreurde in december 1842 dat ambtenaren in contacten met Javanen steeds meer het Maleis gebruikten. Een maand later opende in Delft de Koninklijke Academie de deuren. Daar werd veel nadruk gelegd op het Javaans.

Van Arabisch schrift naar Latijnse letters

Voor de al genoemde oudste gevonden inscripties in het Maleis is het uit Zuid-India afkomstige Pallava-schrift gebruikt. Sinds de komst van de islam naar de archipel, in de twaalfde en dertiende eeuw, werd voor het Maleis veelal het Arabische schrift gebruikt. In de negentiende eeuw baarde dat de Nederlanders zorgen. Jan Pijnappel (docent Maleis in Delft) en anderen wezen erop dat het Arabische schrift mensen in Indië toegang kon geven tot Arabische literatuur. Dat werd riskant geacht vanwege mogelijke islamitische radicalisering. Bovendien, stelde Pijnappel, was het Arabische schrift voor het Maleis ook volstrekt ongeschikt.

In 1855 kreeg de in het Duitse Giessen geboren Hermann von Dewall opdracht een Maleise grammatica, een Maleis-Nederlands en een Nederlands-Maleis woordenboek samen te stellen en wel in het ook in Nederland gebruikte Latijnse schrift. Toen hij in 1873 overleed, was Von Dewall nog niet klaar. De bekende taalkundige Herman Neubronner van der Tuuk nam het stokje over en rondde het werk in 1877 af.

Kranten, scholen en standaardisering

Philippus Pieter Roorda van Eysinga
Philippus Pieter Roorda van Eysinga
Intussen was de publicatie begonnen van de eerste Maleis-talige bladen. Philippus Pieter Roorda van Eysinga, in 1824/’25 samensteller van een Maleis-Nederlands en een Nederlands-Maleis woordenboek, kwam met het maandblad Bintang Oetara (Ster van het Noorden). Het eerste nummer verscheen in februari 1856 bij de Rotterdamse boekhandelaar/courantier H. Nijgh. Nadat Roorda van Eysinga in oktober dat jaar was overleden zette zijn zoon Willem Andries Philippus de uitgave voort. In Surabaya (Oost-Java) was een fractie eerder, in januari 1856, de publicatie begonnen van Soerat Kabar Bahasa Melaijoe (letterlijk: Maleis-talige Krant). De bedoeling van het blad was de internationale handelsgemeenschap op noordoost-Java van dienst te zijn. Naast commercieel getinte stukken publiceerde het ook wel Maleise poëzie. In 1918 waren er zo’n veertig ‘inlandse’ kranten, meest Maleis-talig, in 1925 bijna tweehonderd.

Aan Nederlandse zijde ging het debat door over hoe om te gaan met het Maleis, maar eind negentiende eeuw kon er weinig twijfel over bestaan dat deze taal, in hoeveel varianten ook, heel bruikbaar was in de archipel. In 1891 maakte de al genoemde A.A. Fokker daarover enkele rake opmerkingen. Hij deed dat in het kader van een debat over de vraag of Nederlands als vak weer moest worden ingevoerd op de kweekscholen voor ‘inlandse’ onderwijzers. Fokker wees op het Romeinse Rijk en hield zijn lezers de vraag voor: als ‘Ethiopiërs’ de taal van Cicero konden leren, zouden dan Javanen, Buginezen en anderen geen Riau-Maleis kunnen leren? In de regio Riau op Sumatra werd Maleis gesproken dat afstamde van het Hoog-Maleis van de hoven van Sriwijaya en Melayu.

Charles Adriaan van Ophuijsen
Charles Adriaan van Ophuijsen, eind 1905
In 1896 kreeg Charles Adriaan van Ophuijsen van de Indische autoriteiten opdracht een officiële standaard voor het Maleis te leveren. Later zou hij hoogleraar worden in Leiden, maar destijds was hij nog inspecteur voor het inlandse onderwijs in Fort de Kock (nu Bukittinggi, West-Sumatra). Hij maakte daarvoor een studiereis over Sumatra, het Maleisische schiereiland en Borneo. In 1902 kregen de residenten in Indië vanuit Batavia een circulaire met de opdracht zich voortaan te houden aan de door Van Ophuijsen samenstelde Maleise woordenlijst. In 1910 leverde hij ook een Maleise grammatica. Het Maleis dat op scholen werd gebruikt, werd sindsdien geregeld niet Riau-Maleis genoemd maar Van Ophuijsen-Maleis.

Voor verspreiding van deze beschaafd geachte vorm van Maleis riep het Departement van Onderwijs en Eeredienst in Batavia in 1908 een commissie in het leven: de Commissie voor de Inlandsche school- en volkslectuur. Bij een reorganisatie in 1917 ontstond het Bureau voor de Volkslectuur, iets later hernoemd tot Kantoor voor de Volkslectuur, waaraan ook het Maleise Balai Poestaka (Lectuurkantoor) werd vastgeplakt. De organisatie zette een flink apparaat op om Maleise boeken en andere publicaties te verkopen en uit te lenen, bijvoorbeeld met behulp van kiosken en mobiele bibliotheekjes.

Een kiosk in Purwokerto (Midden-Java) van het Kantoor voor Volkslectuur/Balai Poestaka. (CC BY-Sa 3.0 – Collectie Wereldmuseum – wiki)

Ging het aanvankelijk om het verspreiden en propageren van keurig Maleis zonder meer, al snel ging het om verspreiding van ‘gezond geestelijk voedsel’. In een rapport stond dat explicieter: ,,(…) goede lectuur van welke tevens een politiek-gunstige invloed wordt verwacht’’. En zo kwam het dat naarmate de Indonesische nationalistische beweging meer vorm begon te krijgen, de activiteiten van het Kantoor voor de Volkslectuur/Balai Poestaka werden aangepast. Zo hielp het de autoriteiten aan informatie over bekende nationalisten als Tjokroaminoto, Darsono, Semaun en Tjipto Mangoenkoesoemo.

Van Maleis naar Indonesisch

In Nederland veranderde de daar in 1908 opgerichte Indische Vereeniging haar naam in 1922 in Perhimpoenan Indonesia (Indonesische Vereniging). Het woord Indonesia was een duidelijke aanwijzing in welke richting de Indonesische studenten in Nederland dachten. De naam van hun blad maakte aan elke twijfel een einde: Indonesia Merdeka (Onafhankelijk Indonesië). Het blad werd geschreven in het Maleis.

In 1928 werd ook in Nederlands-Indië een duidelijk signaal afgegeven. Dat was tijdens de tweede ‘Kerapatan Pemoeda-pemoeda Indonesia’ (Bijeenkomst van Indonesische Jongeren, al kwam later de term Indonesisch Jongerencongres in zwang). De bijeenkomst vond plaats op 27 en 28 oktober 1928 in Batavia (de eerste vond plaats in 1926). De initiatiefnemers waren de organisaties Jong Sumatra, Jong Java, Jong Islamieten Bond, Jong Ambon en Jong Batak. Op de tweede dag kwam een resolutie aan de orde die de geschiedenis zou ingaan als Sumpah Pemuda, de Jongeren-Eed. De jongeren identificeerden zich daarin met voor één land (Indonesië), één volk (het Indonesische) en één taal (het Indonesisch). Opmerkelijk is overigens dat volgens krantenberichten van toen de goed opgeleide jongeren tijdens de bijeenkomst vaak met elkaar spraken in het Nederlands.

Jong Java
Leden van Jong Java op de vermaard geworden jongerenbijeenkomst in 1928.

In 1986 wierp de Indonesische taalkundige Anton Moedardo Moeliono de vraag op welke variant van het Maleis de jongeren in 1928 met ‘kami (…) berbahasa satu, bahasa Indonesia’ (wij spreken één taal, het Indonesisch) voor ogen zouden hebben gehad. Moeliono’s Leidse vakgenoot Cornelis Dirk Grijns schreef vijf jaar later dat hij het antwoord niet wist, maar hij zat er wellicht niet ver naast met zijn aanname dat de jongeren zich in 1928 meer bezighielden met de kwestie van politieke eenheid dan met de vraag om welke variant van het Maleis het zou moeten gaan. Volgens Grijns was er vanaf de jaren twintig wel sprake van een vrij breed aanvaard ‘algemeen, beschaafd’ Maleis, waaraan werd bijgedragen door in elk geval het school-Maleis, het Maleis dat de pers gebruikte, het door Volkslectuur/Balai Poestaka verspreide Maleis, het Maleis in klassieke en moderne literatuur en ja, ook het gesproken pasar-Maleis.

Bahasa Indonesia als nationale taal

Sutan Takdir Alisjahbana
Sutan Takdir Alisjahbana
Tijdens de Japanse bezetting van Indië (1942-1945) was het Nederlands verboden, maar kwam de bezetter aan het invoeren van Japans niet toe. Al snel nadat op 17 augustus 1945 de Indonesische onafhankelijkheid was uitgeroepen werd in de grondwet van de nieuwe republiek vastgelegd dat Bahasa Indonesia de nationale taal was. Dat een vorm van Maleis werd aangewezen als nationale taal, had als voordeel dat geen enkele etnische groep het ervoer als bedreiging van de eigen identiteit. Het was immers niet de taal van een grote bevolkingsgroep en evenmin van een groep die politiek of economisch aan de touwtjes trok. Bij het vaststellen van wat die nationale taal precies was, welke vorm van het Maleis met eventuele aanpassingen, was een belangrijke rol weggelegd voor de door taalkundige Sutan Takdir Alisjahbana in 1936 gepubliceerde Tatabahasa baru Indonesia (Nieuwe Indonesische grammatica). Het boek is in Indonesië nog tientallen jaren gebruikt in het onderwijs.

Op zichzelf was die ene nationale taal best een uitdaging. Ook nu nog worden in Indonesië naar schatting ruim zeshonderd talen gesproken. Daaronder zijn heel kleine, met maar erg weinig sprekers, maar ook heel grote. Vroeger en ook nu nog zijn de grootste talen – naast het Indonesisch uiteraard – het Javaans en het Sundanees. Etnische Javanen wonen vooral op Midden- en Oost-Java en vormen iets meer dan 40 procent van de Indonesische bevolking. Sundanezen huizen vooral op West-Java en vormden zo’n 15 procent van de bevolking. Toen de onafhankelijkheid werd geproclameerd, was Maleis de eerste taal van minder dan 5 procent van de bevolking. Bij de volkstelling van 2010 bleek dat van alle Indonesiërs ouder dan vijf jaar bijna 11 procent thuis de nationale taal sprak, bij de volkstelling van 2025 was dat bijna 31 procent. In 2009 schreef de Amerikaanse taalkundige Scott Paauw:

Geen andere post-koloniale natie is in staat geweest een nationale taal te ontwikkelen en in te voeren met de snelheid en omvang van acceptatie als in Indonesië het geval is.

‘Geef voorrang aan het Indonesisch’. Een bord in Yogyakarta op Java spoorde in 2021 de inwoners aan de nationale taal te gebruiken. (CC BY-SA 4.0 – Pinerineks – wiki)

Lang is de toename van het aantal mensen dat Indonesisch als eerste taal spreekt, toegeschreven aan de snelle verstedelijking. In 1980 woonde 22,4 procent van de Indonesiërs in stedelijk gebied, in 2010 was dat gegroeid naar 49,8 procent en in 2025 liep het tegen de zestig procent. Maar blijkens recent onderzoek (2024) ligt het met taal en verstedelijking genuanceerder. Niet verstedelijking op zichzelf bevordert het Indonesisch, maar wel als die gepaard gaat met een grote diversiteit, dus een sterke vermenging van mensen van uiteenlopende etnische groepen.

Zo is Jakarta een smeltkroes bij uitstek van Indonesiërs uit alle windstreken. Dat bevordert sterk dat mensen Indonesisch als eerste taal hebben, dat ze thuis Indonesisch spreken en niet (meer) een regionale taal. Maar ook Blitar (Oost-Java) is een sterk verstedelijkt gebied. Er wonen echter bijna uitsluitend etnische Javanen. Het resultaat is dat blijkens het onderzoek slechts 3,3 procent van de inwoners van Blitar Indonesisch als eerste taal heeft.

Ook in niet-stedelijk gebied blijkt etnische diversiteit bevorderlijk voor het Indonesisch. Neem het district Sarmi in de provincie Papua. Sarmi zelf is een klein plaatsje met er omheen platteland. Maar de bevolking in het district is zeer divers. En zie: 67,8 procent van de respondenten uit Sarmi geeft in het onderzoek aan thuis Indonesisch te spreken. Samenvattende conclusie van de onderzoekers: niet zozeer verstedelijking bevordert het gebruik van het Indonesisch als wel de diversiteit van de bevolking in een gebied.

jakarta
Jakarta: smeltkroes van Indonesiërs uit alle delen van het land. (CC BY-SA 4.0 – BimTja – wiki)

Nederlandse woorden in het Indonesisch

Ook in het Indonesisch komen uiteraard leenwoorden voor uit andere talen. En de kolonisator mag het Nederlands dan altijd hebben gereserveerd voor zichzelf en een kleine Indonesische elite, toch zijn er piepkleine brokjes Nederlands als leenwoorden in het Indonesisch beland. Een paar voorbeelden. Ook in de Indonesische economie groeit de tertiaire sector, dus werken steeds meer mensen er in een ‘kantor’. De Indonesiër die naar het buitenland reist, neemt uiteraard zijn of haar ‘paspor’ mee. Wie een film wil zien in de ‘bioskop’ moet daarvoor ‘karcis’ (spreek uit: kartjies) kopen. En wie leert autorijden maar niet in een automaat, kan maar beter goed leren omgaan met de ‘persneling’.

In het Indonesisch rukken overigens Engelse termen meer en meer op. Journalist Joss Wibisono, die lang heeft gewerkt bij de Indonesisch-talige tak van de Nederlandse Wereldomroep, gaf in 2019 lucht aan zijn ergernis over die verengelsing. Hij schreef onder meer dat Nederlandse leenwoorden in het Indonesisch het steeds meer afleggen tegen Engelse. Als voorbeeld noemde hij dat jongeren bij een prijsvoordeeltje niet meer spreken over ‘korting’ maar over ‘diskon’. Anno 2026 wordt dat trouwens alweer verdrongen door ’promo’.

Hoog en laag Indonesisch

Zoals vroeger Hoog- en Laag-Maleis bestonden, kent ook het hedendaagse Indonesisch een hogere en lagere vorm. Taalkundigen noemen dat diglossie. Dat komt van de Griekse woorden δια (dia = uiteen, in tweeën) en γλωσσα (gloossa = taal). Dus: twee vormen van dezelfde taal. Op het goede gebruik van de hogere, officiële vorm wordt in Indonesië toegezien door Pusat Bahasa (het Taalcentrum). Dan gaat het over ‘bahasa resmi’ (officiële taal), ‘bahasa formal’ (formele taal), ‘bahasa baku’ (standaard-taal) en ‘bahasa halus’ (verfijnde taal).

Daarnaast bestaat een lagere variant, aangeduid als ‘bahasa sehari-hari’ (dagelijkse taal), ‘bahasa non-baku’ (niet-standaard-taal), ‘bahasa percakapan’ (conversatietaal) en ‘percakapan santai’ (relaxte conversatie). De toon wordt wat dat aangaat gezet in Jakarta en daarbuiten wel overgenomen. Ook hoogopgeleide inwoners van de hoofdstad gebruiken buiten strikt formele situaties een wat lossere taal. Tussen dat hogere en lagere Indonesisch loopt geen scherpe scheidslijn. Al naar gelang de situatie kunnen scheuten van de hogere of juist de lagere variant worden toegevoegd. Er is dus sprake van een vloeiende overgang.

Betawi
Een Betawi-paar (CC BY-SA 4.0 – AWG97 – wiki)
Die in Jakarta gebruikte informele taal moet overigens niet worden verward met het Betawi. Dat is de spreektaal van de ‘anak Betawi’ (kinderen van Batavia). Dat zijn mensen van wie de familie al heel lang, soms zelfs eeuwen, in de hoofdstad of directe omgeving woont. Het Betawi is een Maleise variant met daarin elementen van Hokkien-Chinees, Arabisch, Portugees, Sundanees en Javaans.

‘Kami’ of ‘kita’?

Over verschillen tussen hoger en lager taalgebruik in hedendaags Jakarta valt van alles op te merken, maar met geschiedenis heeft dat niets van doen, dus is het voor Historiek niet relevant. Er is echter één uitzondering: het woordje ‘wij’. In het moderne spraakgebruik in Jakarta is dat altijd ‘kita’ en dat is anders dan vroeger en ook anders dan het officieel nog steeds is. Het Indonesisch kent twee soorten ‘wij’. Het ene wij is ‘kita’, dat wil zeggen wij inclusief de mensen die worden toegesproken. Daarnaast ‘kami’: wij zónder de mensen die worden toegesproken. Dus zei Soekarno op 17 augustus 1945 namens de Indonesische ‘wij’ tegen de buitenwereld die niet bij die ‘wij’ hoorde:

Kami bangsa Indonesia dengan ini menyatakan kemerdekaan Indonesia. (Wij, volk van Indonesië, roepen hiermee de Indonesische onafhankelijkheid uit)

Soekarno leest de Indonesische onafhankelijkheidsverklaring voor. Rechts in witte kleding Hatta. Het is 17 augustus 1945 en heel veel is nog onzeker.
Soekarno spreekt de onafhankelijkheidsverklaring uit. Rechts in het wit Hatta.

‘Wij’ (kami) lieten de buitenwereld weten vanaf dat moment onafhankelijk te zijn. De eerste president en vice-president van de nieuwe republiek, Soekarno en Mohammed Hatta, zouden er raar van hebben opgekeken als ‘kita’ de onafhankelijkheid zouden hebben uitgeroepen. ‘Kita bangsa Indonesia’? Dan zou het Indonesische volk ook de toegesproken buitenwereld omvatten, dan zou in feite heel de wereldbevolking tot het Indonesische volk zijn gerekend. Hoewel er ook in 1945 al best veel Indonesiërs waren (bijna 69 miljoen, inmiddels zijn het er zo’n 287 miljoen) zou dat toch wat overdreven zijn geweest.

Bronnen

– Robert Cribb: Historical Atlas of Indonesia (Honolulu 2000).
– K. Alexander Adelaar: Where does Malay come from? Twenty years of discussions about homeland, migration and classifications. In: Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde 160 no. 1 (Leiden 2004).
– Leonard Y. Andaya: The Search for the ‘Origins’ of Melayu. In: Journal of Southeast Asian Studies 32 (3) (2001).
– K. Alexander Adelaar, D.J. Prentice: Malay: its history, role and spread. In: Stephen A. Wurm, Peter Mühlhäusler, Darrell T. Tryon (ed.): Atlas of Languages of Intercultural Communication in the Pacific, Asia and the Americas (Berlin/New York 1996).
– John Hoffman: A Foreign Investment: Indies Malay to 1901. In: Indonesia 27 (1979).
– C.W.Th. van Boetzelaer van Asperen en Dubbeldam: De geschiedenis van de Maleische Bijbelvertaling in Nederlandsch-Indië. In: Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde van Nederlandsch-Indië 100 (Leiden 1941).
– Nina van der Leer: ‘De Gemeene Maleijsche Tael’. De discussie over de Maleise Bijbelvertaling in de zeventiende eeuw. Masterscriptie (Leiden 2015).
– C. Fasseur: De Indologen. Ambtenaren voor de Oost 1825-1950 (Amsterdam 1993).
– Jan J.W. Wap: Levensberigt. Van Dr. Philippus Pieter Roorda van Eysinga. In: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1857.
– Doris Jedamski: Balai Pustaka – A Colonial Wolf in Sheep’s Clothing. In: Archipel Vol. 44 (Paris 1992)
– Hendrik M. Maier: A Hidden Language – Dutch in Indonesia. UC Berkeley, Institute of European Studies, Working Paper Series, 2005-02-08.
– C.D. Grijns: Bahasa Indonesia avant la lettre in the 1920s. Pacific Linguistics, Series A – 81 (Canberra 1991).
– Scott Paauw: One Land, One Nation, One Language: An Analysis of Indonesia’s National Language Policy. In: H. Lehnert-LeHouillier, A.B. Fine (ed.): University of Rochester Working Papers in the Language Sciences, Vol. 5, No. 1 (Summer 2009).
– Thomas B. Pepinsky, Maya Ravindranath Abtahian, Abigail C. Cohn: Urbanization, ethnic diversity and language shift in Indonesia. In: Journal of Multilingual and Multicultural Development, 2024 Vol. 45 No. 7.
– Joss Wibisono: Nooit vernederlandst, nu wel verengelst. Op: de-lage-landen.com, online 11 maart 2019. En: Why Indonesia Never Really Became Dutch, but Is Now Becoming Anglicised. Op: the-low-countries.com, online 6 oktober 2020.
– J.N. Sneddon: Diglossia in Indonesian. In: Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde 159 no. 4 (Leiden 2003).
– Wikipedia: Bahasa Indonesia, Bahasa Melayu, Bandaraya Melaka, Frederik de Houtman, Pallava script, Perhimpoenan Indonesia, Sutan Takdir Alisjahbana.
×