In het koloniale Indië spraken ze vroeger Maleis, na de onafhankelijkheid van Indonesië werd dat Indonesisch. Zo zullen de meeste Nederlanders het in hun hoofd hebben. Op zichzelf is het niet onwaar, maar de werkelijkheid was ingewikkelder en interessanter. Onderstaand een inventarisatie op hoofdlijnen: waar ontstond het Maleis, hoe heeft het zich ontwikkeld, hoe werd het Indonesisch en hoe verging het die taal?
- Van Taiwan naar de Indonesische archipel
- Waar ontstond het Maleis?
- Malakka
- Het Maleis in Nederlands-Indië
- Doorwerking van het Nederlands
- Eerste woordenboeken en vertalingen
- Javaans of Maleis?
- Van Arabisch schrift naar Latijnse letters
- Kranten, scholen en standaardisering
- Van Maleis naar Indonesisch
- Bahasa Indonesia als nationale taal
- Nederlandse woorden in het Indonesisch
- Hoog en laag Indonesisch
- ‘Kami’ of ‘kita’?
Alvorens te kijken naar ontstaan en ontwikkeling van het Maleis eerst even iets anders: waar kwamen de sprekers van die taal vandaan? Duizenden jaren voor onze jaartelling leefde al wel een beperkt aantal mensen in wat nu Indonesië heet. Zo woonden er Melanesiërs in het binnenland van Nieuw-Guinea. Hun geschiedenis blijft echter buiten beschouwing, want het gaat hier om het Maleis en de mensen die het spraken.
Van Taiwan naar de Indonesische archipel
In beeld komt dan om te beginnen Taiwan, waar ongeveer 4000 à 3000 jaar voor Christus Austronesiërs woonden. Hun voorouders waren, mogelijk rond 4500 voor Christus, naar dat eiland gekomen vanaf het nabije vasteland, het huidige Zuid-China. Maar de Austronesiërs bleven niet op Taiwan, ze trokken verder, sommige wetenschappers schatten vanaf ongeveer 3500 voor Christus, anderen denken zo’n duizend jaar later. Eerst belandden ze op eilanden die nu bij de Filipijnen horen, vervolgens in de archipel die tegenwoordig Indonesië heet. Uiteindelijk waaierden de Austronesiërs in de loop van vele eeuwen uit over een gigantisch gebied, van Madagaskar in het westen tot Nieuw-Zeeland, Fiji, Tonga en Hawaii in het oosten.

Aangenomen wordt dat de Austronesiërs oorspronkelijk één taal spraken. Maar naarmate ze zich verspreidden, verloren groepen het onderlinge contact en ontwikkelden ze verschillende talen. Het huidige Indonesië telt er – naast het officiële Indonesisch – zes- à zevenhonderd.
Waar ontstond het Maleis?
Een van de talen die zo ontstond, en die een belangrijke rol zou gaan spelen, was het Maleis (in de Engelse literatuur ‘Malay’, in het Indonesisch ‘bahasa Melayu’). Tot het eind van de twintigste eeuw hebben wetenschappers gediscussieerd over de vraag waar dat Maleis, vermoedelijk zo’n duizend jaar voor onze jaartelling, is ontstaan: op Borneo, op het schiereiland waar nu Maleisië en Singapore liggen, op Sumatra? Inmiddels is er wel zo’n beetje consensus dat het op Borneo was. Maar waar dan op Borneo? In het noordwesten, in het zuidwesten, ergens er tussenin – het is allemaal geponeerd. Voor de leek is het voldoende te weten dat het ergens in het westen van Borneo was. Daar zijn in hedendaagse dialecten van niet-moslims die wat verder van de kust wonen ook sporen aangetroffen die wijzen op een zeer oude variant van het Maleis.

Hoewel onbekend is wanneer, zijn Maleis sprekende mensen van Borneo overgestoken naar het Maleisische schiereiland en naar Zuid-Sumatra. Op Zuid-Sumatra ontstond een maritiem rijk, Sriwijaya (7de tot in de 11de eeuw), dat ook wel werd aangeduid als Melayu. In zijn hoogtijdagen bestierde Sriwijaya behalve het grootste deel van Sumatra ook ruim de (westelijke) helft van Java plus de kusten van het Maleisische schiereiland en van West-Borneo. De vorsten van Sriwijaya zetelden in wat nu de stad Palembang is.

Malakka
Eind veertiende eeuw stak een prins uit Zuid-Sumatra met een groep volgelingen over naar het Maleisische schiereiland en stichtte daar eerst Singapura en daarna het Sultanaat Malakka (Melaka in het Maleis én hedendaags Maleisisch en Indonesisch). Dat staat in het zeventiende-eeuwse hofdocument dat bekend werd als Sejarah Melayu (De Maleise Geschiedenis), maar waarvan de oorspronkelijke titel luidt Sulalat al-Salatin (Afstamming van Koningen).

Het Maleis in Nederlands-Indië
In 1596 waren de eerste vier Nederlandse schepen aangekomen aan de noordkust van West-Java. In de drie eeuwen die volgden, bouwden de Nederlanders hun belangen in Indië stap voor stap uit tot een volwaardige koloniale staat. In de uitgestrekte archipel troffen ze een veelheid aan talen aan. Eén daarvan onderscheidde zich van de andere, het Maleis. Daarvan bestonden twee hoofdvarianten: het beschaafdere Hoog-Maleis en het simpeler Laag-Maleis, ook wel pasar-Maleis (markt-Maleis) genoemd. Dat pasar-Maleis werd in grote delen van de archipel veel gebruikt, in eerste instantie in havenplaatsen waar werd gehandeld. Het had de functie van ‘lingua franca’, gemeenschappelijk communicatiemiddel voor mensen met verschillende moedertalen.

De Fransen en Britten losten het taalprobleem in hun koloniën op door het Frans en Engels er ruim te verspreiden. De Nederlanders hebben dat in Indië nooit gedaan. Ze beperkten het gebruik van Nederlands tot zichzelf en hooguit een zeer beperkte groep veelal adellijke ‘inlanders’ die werd ingeschakeld bij het koloniale bestuur. De bedoeling was daarmee het prestige van de koloniale machthebbers hoog te houden. Grappig is dat hulpprediker Jan ten Hove, die werkte in de Minahasa (Noord-Sulawesi), het in 1893 juist omdraaide. Hij stelde dat degene die een taal het beste beheerst ‘de baas’ is. Dus kon volgens hem een Javaanse bediende zich in het Maleis wel eens onbeschaamd uitlaten tegen een Nederlander, terwijl een kantoorklerk in de Minahasa die Nederlands sprak in die taal altijd beleefd was. Het was voor Nederlanders dus oppassen met dat Maleis, aldus Ten Hove.
Lange tijd was de hoofdlijn van beleid juist dat het oppassen was met het Nederlands, althans met de toegang van ‘inlanders’ tot het Nederlands. Het zou ze in aanraking kunnen brengen met moderne Europese lectuur en maar op ongewenste gedachten kunnen brengen. Niettemin werd onder invloed van de in 1903 gelanceerde zogenoemde ethische politiek het ‘verheffen’ van de autochtone bevolking een beleidsdoel. Meer jongeren uit (bevoorrechte) autochtone kringen kregen toegang tot het Nederlands, een aantal kon zelfs in Nederland studeren.
Doorwerking van het Nederlands
Dat is terug te zien in de statistieken. In 1900 was van de autochtone bevolking in Indië 0,012 procent het Nederlands machtig, in 1940 was opgelopen tot 1,1 procent. Nog altijd heel weinig dus, maar wel zijn er onder hoogopgeleide Indonesiërs enkele generaties geweest die Nederlands spraken. Een vermakelijk staaltje daarvan was te zien in een tv-reportage die Aad van den Heuvel na de machtsgreep van het Indonesische leger (1965) voor de KRO maakte en waarin president Soekarno hem in het Nederlands toevoegt: ,,Wat is dat voor vraag. Van den Heuvel, ik heb je door’’. Ook is een opname bewaard waarin Soekarno op een vraag van Ed van Westerloo (ook KRO) zegt: ,,Kijk uit je doppen’’.

Eerste woordenboeken en vertalingen

Ten bate van missie en zending stortten Nederlanders zich ook op Bijbelvertalingen. Zo verscheen van onderkoopman Albert Cornelisz. Ruyl al in 1629 in Enkhuizen Het Nieuwe Testament, dat is, het Nieuwe Verbondt onzes Heren Jezus Christus in Nederduitsch ende Maleisch, naar de Grieksche waarheit overgezet. Die titel gaf aan wat de bedoeling was geweest: een Maleise vertaling van het hele Nieuwe Testament. Maar in werkelijkheid betrof het alleen de vertaling van het Evangelie van Mattheus, al volgde later van Ruyls hand ook nog het Evangelie van Marcus in het Maleis.
Tot vertaling van het hele Nieuwe Testament kwam wel predikant Daniel Brouwerius. Zijn pennenvrucht verscheen in 1668 in Amsterdam. De kritiek, vooral vanuit Batavia, was echter niet mals. Wat slecht viel, was dat Brouwerius het gesproken Laag-Maleis had gebruikt in plaats van het geschreven Hoog-Maleis. Het wees vooruit naar een latere en grotere controverse over de Maleise vertaling van de complete Bijbel.

De hoofdzaak van het conflict was dat Leydecker ervoor had gekozen Hoog-Maleis te gebruiken, de culturele en religieuze schrijftaal die was ontleend aan de hoven van Zuid-Sumatra en Malakka. Valentijn vond dat protestantse zendelingen de plaatselijke bevolking beter konden benaderen in het Laag-Maleis. Interessant, zelfs wat curieus, is dat predikant Van der Vorm, die Leydeckers Hoog-Maleise Bijbelvertaling voltooide, zelf eigenlijk een derde optie effectiever vond. Volgens hem begreep de bevolking op Ambon ook het Laag-Maleis onvoldoende en zou het beter zijn de mensen over de zegeningen van het gereformeerde geloof te benaderen in hun eigen, regionale taal.
Javaans of Maleis?

Het Maleis kende veel meer varianten, want die taal liet zich flexibel aanpassen aan de behoeften van de gebruikers. Zo noemde een Maleisch Leesboek uit 1845 niet alleen ‘hoog-Maleisch’ en ‘laag-Maleisch’, maar ook ‘ambtelijk-, basterd-, Bataviaasch-, Bataviasche-havenwerken-, boeken-, brabbel-, centralisatie-, Christelijk-, conventie-, couranten-, dienst-, haven-, Hollands-Ambons-, Java-, kazerne-, klontong-, locaal-, marine-, matrozen-, middel-, Mohammedaansch-, Nieuw-, Oost-Javasch-, passer-, soldaten-, spoorwegbeambten-, toko-, vergaderingen- en waterstaats-Maleisch’. En dan was er in de negentiende en twintigste eeuw ook nog het ‘petjoh’ of ‘petjok’, de mengtaal die Indo’s (Indo-Europeanen) spraken.

Van Arabisch schrift naar Latijnse letters
Voor de al genoemde oudste gevonden inscripties in het Maleis is het uit Zuid-India afkomstige Pallava-schrift gebruikt. Sinds de komst van de islam naar de archipel, in de twaalfde en dertiende eeuw, werd voor het Maleis veelal het Arabische schrift gebruikt. In de negentiende eeuw baarde dat de Nederlanders zorgen. Jan Pijnappel (docent Maleis in Delft) en anderen wezen erop dat het Arabische schrift mensen in Indië toegang kon geven tot Arabische literatuur. Dat werd riskant geacht vanwege mogelijke islamitische radicalisering. Bovendien, stelde Pijnappel, was het Arabische schrift voor het Maleis ook volstrekt ongeschikt.
In 1855 kreeg de in het Duitse Giessen geboren Hermann von Dewall opdracht een Maleise grammatica, een Maleis-Nederlands en een Nederlands-Maleis woordenboek samen te stellen en wel in het ook in Nederland gebruikte Latijnse schrift. Toen hij in 1873 overleed, was Von Dewall nog niet klaar. De bekende taalkundige Herman Neubronner van der Tuuk nam het stokje over en rondde het werk in 1877 af.
Kranten, scholen en standaardisering

Aan Nederlandse zijde ging het debat door over hoe om te gaan met het Maleis, maar eind negentiende eeuw kon er weinig twijfel over bestaan dat deze taal, in hoeveel varianten ook, heel bruikbaar was in de archipel. In 1891 maakte de al genoemde A.A. Fokker daarover enkele rake opmerkingen. Hij deed dat in het kader van een debat over de vraag of Nederlands als vak weer moest worden ingevoerd op de kweekscholen voor ‘inlandse’ onderwijzers. Fokker wees op het Romeinse Rijk en hield zijn lezers de vraag voor: als ‘Ethiopiërs’ de taal van Cicero konden leren, zouden dan Javanen, Buginezen en anderen geen Riau-Maleis kunnen leren? In de regio Riau op Sumatra werd Maleis gesproken dat afstamde van het Hoog-Maleis van de hoven van Sriwijaya en Melayu.

Voor verspreiding van deze beschaafd geachte vorm van Maleis riep het Departement van Onderwijs en Eeredienst in Batavia in 1908 een commissie in het leven: de Commissie voor de Inlandsche school- en volkslectuur. Bij een reorganisatie in 1917 ontstond het Bureau voor de Volkslectuur, iets later hernoemd tot Kantoor voor de Volkslectuur, waaraan ook het Maleise Balai Poestaka (Lectuurkantoor) werd vastgeplakt. De organisatie zette een flink apparaat op om Maleise boeken en andere publicaties te verkopen en uit te lenen, bijvoorbeeld met behulp van kiosken en mobiele bibliotheekjes.

Ging het aanvankelijk om het verspreiden en propageren van keurig Maleis zonder meer, al snel ging het om verspreiding van ‘gezond geestelijk voedsel’. In een rapport stond dat explicieter: ,,(…) goede lectuur van welke tevens een politiek-gunstige invloed wordt verwacht’’. En zo kwam het dat naarmate de Indonesische nationalistische beweging meer vorm begon te krijgen, de activiteiten van het Kantoor voor de Volkslectuur/Balai Poestaka werden aangepast. Zo hielp het de autoriteiten aan informatie over bekende nationalisten als Tjokroaminoto, Darsono, Semaun en Tjipto Mangoenkoesoemo.
Van Maleis naar Indonesisch
In Nederland veranderde de daar in 1908 opgerichte Indische Vereeniging haar naam in 1922 in Perhimpoenan Indonesia (Indonesische Vereniging). Het woord Indonesia was een duidelijke aanwijzing in welke richting de Indonesische studenten in Nederland dachten. De naam van hun blad maakte aan elke twijfel een einde: Indonesia Merdeka (Onafhankelijk Indonesië). Het blad werd geschreven in het Maleis.
In 1928 werd ook in Nederlands-Indië een duidelijk signaal afgegeven. Dat was tijdens de tweede ‘Kerapatan Pemoeda-pemoeda Indonesia’ (Bijeenkomst van Indonesische Jongeren, al kwam later de term Indonesisch Jongerencongres in zwang). De bijeenkomst vond plaats op 27 en 28 oktober 1928 in Batavia (de eerste vond plaats in 1926). De initiatiefnemers waren de organisaties Jong Sumatra, Jong Java, Jong Islamieten Bond, Jong Ambon en Jong Batak. Op de tweede dag kwam een resolutie aan de orde die de geschiedenis zou ingaan als Sumpah Pemuda, de Jongeren-Eed. De jongeren identificeerden zich daarin met voor één land (Indonesië), één volk (het Indonesische) en één taal (het Indonesisch). Opmerkelijk is overigens dat volgens krantenberichten van toen de goed opgeleide jongeren tijdens de bijeenkomst vaak met elkaar spraken in het Nederlands.

In 1986 wierp de Indonesische taalkundige Anton Moedardo Moeliono de vraag op welke variant van het Maleis de jongeren in 1928 met ‘kami (…) berbahasa satu, bahasa Indonesia’ (wij spreken één taal, het Indonesisch) voor ogen zouden hebben gehad. Moeliono’s Leidse vakgenoot Cornelis Dirk Grijns schreef vijf jaar later dat hij het antwoord niet wist, maar hij zat er wellicht niet ver naast met zijn aanname dat de jongeren zich in 1928 meer bezighielden met de kwestie van politieke eenheid dan met de vraag om welke variant van het Maleis het zou moeten gaan. Volgens Grijns was er vanaf de jaren twintig wel sprake van een vrij breed aanvaard ‘algemeen, beschaafd’ Maleis, waaraan werd bijgedragen door in elk geval het school-Maleis, het Maleis dat de pers gebruikte, het door Volkslectuur/Balai Poestaka verspreide Maleis, het Maleis in klassieke en moderne literatuur en ja, ook het gesproken pasar-Maleis.
Bahasa Indonesia als nationale taal

Op zichzelf was die ene nationale taal best een uitdaging. Ook nu nog worden in Indonesië naar schatting ruim zeshonderd talen gesproken. Daaronder zijn heel kleine, met maar erg weinig sprekers, maar ook heel grote. Vroeger en ook nu nog zijn de grootste talen – naast het Indonesisch uiteraard – het Javaans en het Sundanees. Etnische Javanen wonen vooral op Midden- en Oost-Java en vormen iets meer dan 40 procent van de Indonesische bevolking. Sundanezen huizen vooral op West-Java en vormden zo’n 15 procent van de bevolking. Toen de onafhankelijkheid werd geproclameerd, was Maleis de eerste taal van minder dan 5 procent van de bevolking. Bij de volkstelling van 2010 bleek dat van alle Indonesiërs ouder dan vijf jaar bijna 11 procent thuis de nationale taal sprak, bij de volkstelling van 2025 was dat bijna 31 procent. In 2009 schreef de Amerikaanse taalkundige Scott Paauw:
Geen andere post-koloniale natie is in staat geweest een nationale taal te ontwikkelen en in te voeren met de snelheid en omvang van acceptatie als in Indonesië het geval is.

Lang is de toename van het aantal mensen dat Indonesisch als eerste taal spreekt, toegeschreven aan de snelle verstedelijking. In 1980 woonde 22,4 procent van de Indonesiërs in stedelijk gebied, in 2010 was dat gegroeid naar 49,8 procent en in 2025 liep het tegen de zestig procent. Maar blijkens recent onderzoek (2024) ligt het met taal en verstedelijking genuanceerder. Niet verstedelijking op zichzelf bevordert het Indonesisch, maar wel als die gepaard gaat met een grote diversiteit, dus een sterke vermenging van mensen van uiteenlopende etnische groepen.
Zo is Jakarta een smeltkroes bij uitstek van Indonesiërs uit alle windstreken. Dat bevordert sterk dat mensen Indonesisch als eerste taal hebben, dat ze thuis Indonesisch spreken en niet (meer) een regionale taal. Maar ook Blitar (Oost-Java) is een sterk verstedelijkt gebied. Er wonen echter bijna uitsluitend etnische Javanen. Het resultaat is dat blijkens het onderzoek slechts 3,3 procent van de inwoners van Blitar Indonesisch als eerste taal heeft.
Ook in niet-stedelijk gebied blijkt etnische diversiteit bevorderlijk voor het Indonesisch. Neem het district Sarmi in de provincie Papua. Sarmi zelf is een klein plaatsje met er omheen platteland. Maar de bevolking in het district is zeer divers. En zie: 67,8 procent van de respondenten uit Sarmi geeft in het onderzoek aan thuis Indonesisch te spreken. Samenvattende conclusie van de onderzoekers: niet zozeer verstedelijking bevordert het gebruik van het Indonesisch als wel de diversiteit van de bevolking in een gebied.

Nederlandse woorden in het Indonesisch
Ook in het Indonesisch komen uiteraard leenwoorden voor uit andere talen. En de kolonisator mag het Nederlands dan altijd hebben gereserveerd voor zichzelf en een kleine Indonesische elite, toch zijn er piepkleine brokjes Nederlands als leenwoorden in het Indonesisch beland. Een paar voorbeelden. Ook in de Indonesische economie groeit de tertiaire sector, dus werken steeds meer mensen er in een ‘kantor’. De Indonesiër die naar het buitenland reist, neemt uiteraard zijn of haar ‘paspor’ mee. Wie een film wil zien in de ‘bioskop’ moet daarvoor ‘karcis’ (spreek uit: kartjies) kopen. En wie leert autorijden maar niet in een automaat, kan maar beter goed leren omgaan met de ‘persneling’.
In het Indonesisch rukken overigens Engelse termen meer en meer op. Journalist Joss Wibisono, die lang heeft gewerkt bij de Indonesisch-talige tak van de Nederlandse Wereldomroep, gaf in 2019 lucht aan zijn ergernis over die verengelsing. Hij schreef onder meer dat Nederlandse leenwoorden in het Indonesisch het steeds meer afleggen tegen Engelse. Als voorbeeld noemde hij dat jongeren bij een prijsvoordeeltje niet meer spreken over ‘korting’ maar over ‘diskon’. Anno 2026 wordt dat trouwens alweer verdrongen door ’promo’.
Hoog en laag Indonesisch
Zoals vroeger Hoog- en Laag-Maleis bestonden, kent ook het hedendaagse Indonesisch een hogere en lagere vorm. Taalkundigen noemen dat diglossie. Dat komt van de Griekse woorden δια (dia = uiteen, in tweeën) en γλωσσα (gloossa = taal). Dus: twee vormen van dezelfde taal. Op het goede gebruik van de hogere, officiële vorm wordt in Indonesië toegezien door Pusat Bahasa (het Taalcentrum). Dan gaat het over ‘bahasa resmi’ (officiële taal), ‘bahasa formal’ (formele taal), ‘bahasa baku’ (standaard-taal) en ‘bahasa halus’ (verfijnde taal).
Daarnaast bestaat een lagere variant, aangeduid als ‘bahasa sehari-hari’ (dagelijkse taal), ‘bahasa non-baku’ (niet-standaard-taal), ‘bahasa percakapan’ (conversatietaal) en ‘percakapan santai’ (relaxte conversatie). De toon wordt wat dat aangaat gezet in Jakarta en daarbuiten wel overgenomen. Ook hoogopgeleide inwoners van de hoofdstad gebruiken buiten strikt formele situaties een wat lossere taal. Tussen dat hogere en lagere Indonesisch loopt geen scherpe scheidslijn. Al naar gelang de situatie kunnen scheuten van de hogere of juist de lagere variant worden toegevoegd. Er is dus sprake van een vloeiende overgang.

‘Kami’ of ‘kita’?
Over verschillen tussen hoger en lager taalgebruik in hedendaags Jakarta valt van alles op te merken, maar met geschiedenis heeft dat niets van doen, dus is het voor Historiek niet relevant. Er is echter één uitzondering: het woordje ‘wij’. In het moderne spraakgebruik in Jakarta is dat altijd ‘kita’ en dat is anders dan vroeger en ook anders dan het officieel nog steeds is. Het Indonesisch kent twee soorten ‘wij’. Het ene wij is ‘kita’, dat wil zeggen wij inclusief de mensen die worden toegesproken. Daarnaast ‘kami’: wij zónder de mensen die worden toegesproken. Dus zei Soekarno op 17 augustus 1945 namens de Indonesische ‘wij’ tegen de buitenwereld die niet bij die ‘wij’ hoorde:
Kami bangsa Indonesia dengan ini menyatakan kemerdekaan Indonesia. (Wij, volk van Indonesië, roepen hiermee de Indonesische onafhankelijkheid uit)

‘Wij’ (kami) lieten de buitenwereld weten vanaf dat moment onafhankelijk te zijn. De eerste president en vice-president van de nieuwe republiek, Soekarno en Mohammed Hatta, zouden er raar van hebben opgekeken als ‘kita’ de onafhankelijkheid zouden hebben uitgeroepen. ‘Kita bangsa Indonesia’? Dan zou het Indonesische volk ook de toegesproken buitenwereld omvatten, dan zou in feite heel de wereldbevolking tot het Indonesische volk zijn gerekend. Hoewel er ook in 1945 al best veel Indonesiërs waren (bijna 69 miljoen, inmiddels zijn het er zo’n 287 miljoen) zou dat toch wat overdreven zijn geweest.
– K. Alexander Adelaar: Where does Malay come from? Twenty years of discussions about homeland, migration and classifications. In: Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde 160 no. 1 (Leiden 2004).
– Leonard Y. Andaya: The Search for the ‘Origins’ of Melayu. In: Journal of Southeast Asian Studies 32 (3) (2001).
– K. Alexander Adelaar, D.J. Prentice: Malay: its history, role and spread. In: Stephen A. Wurm, Peter Mühlhäusler, Darrell T. Tryon (ed.): Atlas of Languages of Intercultural Communication in the Pacific, Asia and the Americas (Berlin/New York 1996).
– John Hoffman: A Foreign Investment: Indies Malay to 1901. In: Indonesia 27 (1979).
– C.W.Th. van Boetzelaer van Asperen en Dubbeldam: De geschiedenis van de Maleische Bijbelvertaling in Nederlandsch-Indië. In: Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde van Nederlandsch-Indië 100 (Leiden 1941).
– Nina van der Leer: ‘De Gemeene Maleijsche Tael’. De discussie over de Maleise Bijbelvertaling in de zeventiende eeuw. Masterscriptie (Leiden 2015).
– C. Fasseur: De Indologen. Ambtenaren voor de Oost 1825-1950 (Amsterdam 1993).
– Jan J.W. Wap: Levensberigt. Van Dr. Philippus Pieter Roorda van Eysinga. In: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1857.
– Doris Jedamski: Balai Pustaka – A Colonial Wolf in Sheep’s Clothing. In: Archipel Vol. 44 (Paris 1992)
– Hendrik M. Maier: A Hidden Language – Dutch in Indonesia. UC Berkeley, Institute of European Studies, Working Paper Series, 2005-02-08.
– C.D. Grijns: Bahasa Indonesia avant la lettre in the 1920s. Pacific Linguistics, Series A – 81 (Canberra 1991).
– Scott Paauw: One Land, One Nation, One Language: An Analysis of Indonesia’s National Language Policy. In: H. Lehnert-LeHouillier, A.B. Fine (ed.): University of Rochester Working Papers in the Language Sciences, Vol. 5, No. 1 (Summer 2009).
– Thomas B. Pepinsky, Maya Ravindranath Abtahian, Abigail C. Cohn: Urbanization, ethnic diversity and language shift in Indonesia. In: Journal of Multilingual and Multicultural Development, 2024 Vol. 45 No. 7.
– Joss Wibisono: Nooit vernederlandst, nu wel verengelst. Op: de-lage-landen.com, online 11 maart 2019. En: Why Indonesia Never Really Became Dutch, but Is Now Becoming Anglicised. Op: the-low-countries.com, online 6 oktober 2020.
– J.N. Sneddon: Diglossia in Indonesian. In: Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde 159 no. 4 (Leiden 2003).
– Wikipedia: Bahasa Indonesia, Bahasa Melayu, Bandaraya Melaka, Frederik de Houtman, Pallava script, Perhimpoenan Indonesia, Sutan Takdir Alisjahbana.
Deftig taalgebruik in officiële Indië-correspondentie 1945-1950
Naam ‘Indonesia’ was een Brits bedenksel
‘Wat als het niet bevalt in Nederland?’
Top 50 – Nederlandse woorden uit het Maleis & Indonesisch
Opa en oma Indonesische president liggen begraven in Den Haag. Hoe zit dat?
Aluk To Dolo: levend erfgoed van de Toraja-gemeenschap op Zuid-Sulawesi