Nederlandse bioloog wijdde zijn leven aan de zoektocht naar een enorme zeeslang

Anthonie Oudemans en de grote zeeslang
7 minuten leestijd
Het zeemonster dat de heer C. Renard zou hebben waargenomen in de Atlantische oceaan
Het zeemonster dat de heer C. Renard zou hebben waargenomen in de Atlantische oceaan in 1881. Afbeelding in het boek van Anthonie Oudemans

In de negentiende eeuw doken zeeslangen vaak op in spectaculaire krantenberichten – een populair onderwerp in de komkommertijd. Hoewel uitgestorven, bleek uit de vondst van fossielen dat er ooit beesten, waar de oude legenden over repten, hadden geleefd. Volgens de bioloog Anthonie Oudemans, die gold als dé expert op het gebied van zeeslangen, zwom de zeeslang eind negentiende eeuw nog altijd ergens rond.

Op 26 juni 1905 was het om acht uur ’s avonds nog goed toeven op het terras van het Zandvoortse café-restaurant Germania. De bezoekers, die uitzicht hadden op het strand en de Noordzee, zagen op zo’n kilometer uit de kust een onbekend zeedier met hoge snelheid in noordelijke richting gaan. Het zichtbare deel van het dier schatten zij op vijftien meter lengte. De waarneming duurde drie minuten. Daarna verdween het uit het zicht, de klanten van Germania in verbazing achterlatend.

Anhonie Oudemans
Portret van de bioloog in het Tijdschrift voor Entomologie, 1943-86, 3.
Wat voor een dier, dat aan een zeehond deed denken, maar waar het te groot voor was geweest, hadden zij gezien? Het voorval, dat onopgehelderd bleef, dook op in het Nieuws van den Dag. Langs die weg moet het onder de aandacht zijn gekomen van Anthonie Oudemans. Deze biologiedocent aan de Arnhemse HBS zat eind juni nog tot over zijn oren in het schoolwerk. Toen op 10 juli zijn vakantie begon, kon hij met zijn naspeuringen beginnen.

Maar dat viel nog niet mee, schrijft Oudemans in Het Nederlandsche Zeewezen van januari 1906. Zijn brieven aan de getuigen bleven onbeantwoord. Als hij wel antwoord kreeg, duurde dat weken. Toen hij getuigen wilde bezoeken, waren die juist de stad uit. En hij had te kampen met ‘vooroordelen’. Maar nu, ruim een half jaar na de waarneming van het geheimzinnige zeedier voor de kust van Zandvoort, was Oudemans tot zijn conclusie gekomen. Volgens de bioloog hadden de terrasbezoekers van Germania een grote zeeslang gezien.

Een exemplaar van de diersoort die voor de wetenschap onbekend is gebleven, om de eenvoudige reden dat er nog niet de minste moeite gedaan is om een exemplaar te fotograferen, of om het machtig te worden.

Expert

Oudemans’ oordeel, dat de klanten van Germania een zeeslang hadden gezien, kon niet iedereen overtuigen. Eind negentiende, begin twintigste eeuw golden zeeslangen, net als eenhoorns, zeemeerminnen en weerwolven, als een onderwerp dat steevast opdook in komkommertijd. Journalisten deden er lacherig over, de meeste wetenschappers beschouwden het als een onderwerp dat thuishoorde in de afdeling bijgeloof en mythologie.

Oudemans, een gepromoveerde bioloog, nam het onderwerp wel serieus. Anders dan zijn vakgenoten, die het bestaan van zeeslangen afdeden als onzin maar niets over het onderwerp afwisten, gold Oudemans als dé expert op dit gebied. Hij was en ís nog altijd de enige Nederlandse bioloog die er een vuistdikke studie over publiceerde.

In 1892 publiceerde hij The Great Sea Serpent. Daarin poneerde Oudemans het bestaan van een zestig meter lang zeewezen. Het dier vertoont gelijkenis met de prehistorische Plesiosaurus, een geslacht van zeereptielen uit het vroeg-Jura, de bloeiperiode van de dinosauriërs, zo’n tweehonderd tot honderdvijfenveertig miljoen jaar geleden. Het dier dat Oudemans op het spoor was gekomen door het bestuderen van 187 ooggetuigenverslagen was volgens hem geen reptiel maar een zoogdier.

Levensloop

Anthonie Cornelis Oudemans, telg uit een familie van geleerden en wetenschappers, werd op 12 november 1858 geboren in Batavia (het huidige Jakarta) in Nederlands-Indië. Zijn vader, de astronoom prof. Jean Abraham Chretien Oudemans (1827-1906), was er hoofdingenieur bij de geografische dienst. De jonge Anthonie raakte op Java in de ban van de rijke tropische planten- en dierenwereld die hem daar omringde. Het was het begin van een levenslange liefde. Op tienjarige leeftijd werd hij naar Nederland gestuurd, waar het onderwijs beter was.

Omslag en voorblad van het boek van Anthonie Oudemans
Omslag en voorblad van het boek van Anthonie Oudemans

Zo kwam hij terecht bij zijn Arnhemse grootvader Anthonie Cornelis Oudemans (1798-1874), naar wie hij vernoemd was, een taalkundige die bekendheid genoot door zijn bewerking van een Oud- en Middelnederlands woordenboek. Om verwarring tussen al die geleerden te voorkomen – er was nóg een A.C. Oudemans in de familie, zijn oom, hoogleraar in de chemie en dan was er ook nog een C.A.J. Oudemans, botanist en schimmeldeskundige – voegde Antonie ‘Jeanzoon’ toe aan zijn naam, afgekort Jzn., oftewel junior.

In de Gelderse hoofdstad doorliep Anthonie de lagere school en aansluitend de pas geopende Hogere Burgerschool (HBS). Daarna volgde in 1875 een verhuizing naar Utrecht. In die stad was zijn vader, inmiddels terug uit Indië, hoogleraar sterrenkunde geworden. Anthonie ging plant- en dierkunde studeren. In 1885 promoveerde hij op het proefschrift Bijdrage tot de kennis van het bloedvaatstelsel en de Nephrida der Nemertinen, beter bekend als lint- of platwormen.

Watermijt. Afbeelding in een publicatie van Anthonie Cornelis Oudemans (CC0 – Naturalis)
Intussen was hij in 1882 conservator van het Utrechtse Zoölogisch Museum geworden. Vanaf 1879 begon hij te publiceren, een eerste artikel over een albinovlinder, gevolgd door verscheidene stukken over Acari, in gewoon Nederlands bekend als mijten. Oudemans was gefascineerd door Acari en wilde er zijn proefschrift over schrijven. Maar professor Ambrosius Arnold Willem Hubrecht besloot dat het over platwormen moest gaan, diens eigen specialisme. Het weerhield Oudemans er niet van om zich later alsnog op de mijten te storten. Vele honderden publicaties volgden, waarvoor de bioloog even zovele uren in opperste concentratie door een microscoop moet hebben getuurd.

Van Utrecht verhuisde hij in 1885 naar Den Haag, waar hij directeur werd van het Koninklijk Zoölogisch Botanisch Genootschap, oftewel baas van de dierentuin. Oudemans hield zich bezig met insecten – hij ontdekte verschillende nieuwe soorten – en determineerde een nog onbekende apensoort uit Afrika, de Kuifmangabey.

In 1887 trouwde dr. Oudemans met Helena Johanna van der Velde (1852-1918). Het stel, dat kinderloos zou blijven, verhuisde in 1895 naar Sneek. De jonge doctor gaf er biologieles aan gymnasiasten en HBS-leerlingen. Een jaar later keerde Oudemans terug naar Arnhem, de stad waar hij als jongen opgroeide bij zijn grootvader. Hij ging aan de slag als leraar biologie aan de gemeentelijke HBS aan het Willemsplein, zijn eigen middelbare school.

Zeeslangenrage

De negentiende eeuw, waarin Oudemans opgroeide en zijn professionele vorming als bioloog kreeg, was rijk aan waarnemingen van zeeslangen. Het was, paradoxaal genoeg, ook de eeuw waarin de wetenschap de zeeslang naar het rijk der fabelen verwees. Dat had schijnbaar geen gevolgen voor zijn populariteit bij het grote publiek. Verslagen over waarnemingen, veelal afkomstig van zeelieden, vonden gretig aftrek in kranten die er graag hun kolommen mee vulden gedurende de traditioneel nieuwsluwe zomermaanden. Bijgevolg golden zeeslangen als een onderwerp voor komkommertijd.

De zeeslangenrage van de negentiende eeuw, in zekere zin vergelijkbaar met de vliegende schotelhype van de twintigste eeuw, valt niet geheel toevallig samen met een aantal maatschappelijke ontwikkelingen. Hoewel de zeeslang een oeroud thema is, dat de mensheid sinds de oudheid fascineerde, hoorde je er tot die tijd buiten Scandinavië zelden iets over. Over het algemeen heerste het idee dat er daar beneden in het donker geen leven mogelijk kon zijn. De opkomst van de diepzeebiologie maakte een einde aan die opvatting.

De zeeslang zoals gezien door Hans Egede in 1734
De zeeslang zoals gezien door Hans Egede in 1734

Vanaf het midden van de eeuw werden expedities georganiseerd. De bekendste was de Challenger-expeditie uit 1872. Toen onderzoekers hun netten uit de diepte ophaalden, bleek overal in de eerste zes kilometer leven te vinden. De expedities leidden tot een vermeerdering van kennis over het leven in de diepzee. Visserijonderzoek leverde nieuwe inzichten op over het visbestand, de voortplanting van vissen en de risico’s van overbevissing. Ichtyologen, wetenschappers die zich bezighouden met de studie van vissen, stelden steeds uitgebreidere catalogi op waarin alle bekende vissoorten werden beschreven. Steeds doken nieuwe soorten op.

Fossielen

De Amerikaanse wetenschapshistorica Sherrie Lynne Lyons wijst op de correlatie tussen de hausse aan waarnemingen van zeeslangen – 166 tussen 1800-1850, tegen 27 in de hele achttiende eeuw – en de vondst van fossielen. De ontdekking in de jaren twintig van het skelet van een Ichtyosaurus, een soort krokodil met vinnen in plaats van poten, maar vooral van Plesiosaurus, een geslacht van zeereptielen, verschafte de wetenschappelijke basis voor het bestaan van de zeemonsters uit oude legenden.

Er hadden daadwerkelijk ooit dieren geleefd met het uiterlijk waarvan de scheepsjournalen repten en die zeeslangen werden genoemd. Stel dat er van totale uitsterving geen sprake was en dat de schier eindeloze oceanen ergens nog een aantal prehistorische monsters herbergden?

Ichthyosaurus
Gipsafgietsel van het eerste bekende complete skelet van een Ichthyosaurus (oorspronkelijk aangeduid als Proteosaurus). Het origineel werd vernietigd tijdens de Tweede Wereldoorlog. (CC BY 4.0 – Dean R. Lomax en Judy A. Massare – wiki)

Als je het aan de vooraanstaande Britse geoloog Charles Lyell (1797-1875) vroeg, luidde het antwoord daarop bevestigend. Plesiosaurus was volgens hem de beste kandidaat voor de identificatie met de zeeslang. Lyell stond niet alleen. Ook de bekende dierkundige Louis Agassiz (1807-1873) en de Duitse anatoom Heinrich Rathke (1793-1860) geloofden dat het niet lang zou duren voordat er een levend exemplaar van een uitgestorven gewaand zeedier zou worden gevangen. De zeeslang kreeg zowaar enige wetenschappelijke respectabiliteit, al bleef de studie naar het dier problematisch. Zijn verleden als mythologisch wezen zat daarbij in de weg.

Er waren nog een aantal redenen waarom de zeeslang naarmate de eeuw vorderde naar de wetenschappelijke marge afdreef. Als er nog levende ‘prehistorische’ monsters bestonden, waarom bevatten de jongere aardlagen dan geen fossiele overblijfselen van die dieren? Die waren er wel, volgens Lyell, maar nog niet gevonden. Hij vergeleek het fossielenarchief met een boek waaruit de meeste pagina’s ontbreken. Op de pagina’s die er wel zijn, staan slechts een paar woorden. Door nieuwe vondsten en daarop gebaseerde inzichten werd die positie steeds moeilijker houdbaar.

Het fossielenarchief bevatte na het uitsterven van de grote zeereptielen, zo’n 145 miljoen jaar geleden, geen enkel overblijfsel. Ook toonden de fossiele vondsten progressie van het leven, het ontstaan van steeds complexere organismen en het verdwijnen van minder complexe – of, in de terminologie van de heersende darwiniaanse leer – niet aan de veranderende omgeving aangepaste soorten. Het ontbreken van een aangespoeld exemplaar tenslotte, maakte dat alle geleerde opinies ten spijt, het bestaan van de zeeslang gedoemd was een kwestie van geloof te blijven.

Tekening van het beest van Stronsay in het boek van Oudemans

Beest van Stronsay

De toch al wankele positie van de zeeslang verergerde door misinterpretaties en bedrog. In 1808 wierp een najaarsstorm het karkas van een dier van bijna zeventien meter lengte op de kust van Stronsay, een van de Orkney-eilanden. Omdat de geleerden van het natuurhistorisch genootschap uit Edinburgh het niet konden identificeren, besloot men dat het een nieuwe soort was: de zeeslang. Het werd getooid met de wetenschappelijke naam Halsydrus pontoppodani, een eerbetoon aan de Deense bisschop Erik Pontoppidan die een eeuw eerder over de zeeslang had geschreven.

Hoewel Everard Home het beest van Stronsay al in 1809 ‘ontmaskerde’ als een reuzenhaai in vergevorderde staat van ontbinding, belandde het dier in tal van meer of minder geleerde verhandelingen, waar het nog jarenlang als een bewijs van het bestaan van de zeeslang werd opgevoerd.

Het bedrog van dr. Koch

Behalve door misidentificaties had de wetenschappelijke respectabiliteit van de zeeslang te leiden onder bedrog. De tot Amerikaan genaturaliseerde Duitser dr. Albert C. Koch wist in 1845 in Boston en New York hordes goed betalende belangstellenden naar zijn tentoonstelling te trekken. Het publiek kwam om een bijna vijfendertig meter lang fossiel skelet te zien dat volgens dr. Koch toebehoorde aan een prehistorisch zeereptiel, door hem Hydrargos sillimannii genoemd, een verwijzing naar professor Benjamin Silliman, die voor het bestaan van de zeeslang had gepleit.

Hydrarchos Sillimanni van dr. Koch zoals weeergeven in het boek van Anthonie Oudemans
Hydrarchos Sillimanni van dr. Koch zoals weeergeven in het boek van Anthonie Oudemans

Het beest bleek geen Ichtyosauriër en ook niet de Leviathan uit het bijbelboek Job, zoals Koch beweerde. Jeffries Wyman ontmaskerde dr. Kochs skelet als een hoax. Het was samengesteld uit minstens vijf verschillende skeletten van de Zeuglodon, ook wel bekend als Basilosaurus, een uitgestorven geslacht van walvissen. Dit was niet het enige staaltje van fraude uit Kochs carrière, die ook zijn doctorstitel zou hebben verzonnen. De zeeslang, kortom, bleek gefundenes Fressen voor grappenmakers, bedriegers en zeelieden die – vast wel – te diep in het glaasje hadden gekeken.

Deadalus-waarneming

De bemanning van het Britse oorlogsschip Deadalus viel in geen van die categorieën. Op 6 augustus 1848 zagen kapitein M’Quhae en zijn mannen tussen Kaap de Goede Hoop en St. Helena op korte afstand van hun schip een naar schatting twintig meter lang, slangachtig dier met een robbenkop passeren. Ze zagen het dier zo’n twintig minuten voordat het verdween. Het rapport van M’Quhae belandde niet alleen op het bureau van zijn meerderen in Londen maar ook in The Times. Het veroorzaakte een sensatie in Engeland: officieren van hare majesteit, die rekening moesten houden met het prestige van de vloot en hun carrière bij de marine, beweerden bij hoog en laag dat ze een zeeslang hadden gezien.

HMS Daedalus zeeslang
‘De reusachtige zeeslang – gezien vanaf HMS Daedalus’, augustus 1848. Een Victoriaanse gravure gebaseerd op ooggetuigeverslagen van kapitein M’Quhae en zijn bemanning

Sir Richard Owen (1804-1892), curator van het Londense Hunterian Museum en de meest vooraanstaande anatoom, zoöloog en paleontoloog van zijn tijd, was niet overtuigd. Dat liet de professor eveneens weten in The Times. Een dergelijke zeeslang kón eenvoudigweg niet bestaan. M’Quhae moest zich vergist hebben en een grote zeehond of zeeolifant voor een zeeslang hebben gehouden.

Als er werkelijk een gigantische zeeslang bestaat, dan moet de soort natuurlijk door opeenvolgende generaties in stand gehouden zijn, vanaf zijn eerste schepping en introductie in de zeeën van deze planeet. Stel je dan eens voor hoeveel individuen er geleefd hebben, gestorven zijn en hun overblijfselen hebben achtergelaten om de actualiteit van de soort te bevestigen gedurende het enorme tijdsverloop vanaf het begin tot 6 augustus jongstleden!

Maar M’Quhae en zijn bemanning hielden voet bij stuk, ze hadden zich niet vergist!

Met het oordeel van Owen, wiens mening over willekeurig welke zoölogische kwestie bijna de kracht van een axioma had, was het pleit voor het bestaan van de zeeslang eigenlijk wel beslecht. Een wetenschapper moest van goeden huizen komen om daarna opnieuw voor zijn bestaan te pleiten. Oudemans: ‘Omdat het uit zo’n hoek kwam, is het niet verrassend dat veel mensen bereid waren zich bij de beslissing neer te leggen.’ Zo niet Oudemans.

Zeeslang zoals in 1555 afgebeeld door Olaus Magnus
Zeeslang zoals in 1555 afgebeeld door Olaus Magnus

De grote zeeslang

‘We weten niet met zekerheid wat de Grote Zeeslang werkelijk is. Dat hij bestaat is al vastgesteld door de hoogste wetenschappelijke personen, dus er hoeft niet langer getwijfeld te worden aan dat feit’, aldus Oudemans. Zijn taak bestond er nog slechts in te bepalen wat de zeeslang exact is en hoe het dier moest worden ondergebracht in het taxonomisch systeem.

Volgens hem is de zeeslang een zoogdier verwant aan de pinnipedia: zeehondachtigen. Qua uiterlijk vertoont het overeenkomst met de Californische zeeleeuw: ze hebben ongeveer dezelfde kop, de mannetjes zijn getooid met manen in de nek. Allebei hebben ze vier flippers, snorharen en een gladde huid. Zowel de zeeslang als de zeeleeuw zijn oppervlaktedieren die zich voeden met vis en andere dieren die beschikbaar zijn, zoals krabben en inktvissen. Vinpotigen verschillen van de zeeslang doordat de eerste kuddedieren zijn, sociale dieren die in grote groepen leven, terwijl de laatste een solitair wezen is.

Een ander verschil tussen een zeeleeuw en een zeeslang, door Oudemans met de Latijnse naam Megophias megophias (letterlijk: grote slang, grote slang, waarbij de eerste de geslachtsnaam en de tweede de soortnaam aanduidt) gedoopt, is dat de eerste zo’n tweeënhalve meter lang wordt. De laatste bereikt een lengte tot wel zestig meter.

Zijaanzicht van de zeeslang getekend door Oudemans
Zijaanzicht van de zeeslang getekend door Oudemans

Receptie

Bij verschijning van zijn boek noemde de correspondent van de Telegraaf Oudemans’ The Great Sea Serpent een welsprekend pleidooi voor het bestaan van de zeeslang. De auteur verdiende bewondering voor de ijver waarmee hij zijn materiaal had doorgenomen. Onder de volgens hem talrijke recensies in de Engelse pers, vond hij geen enkele bespreking die het au sérieux nam. The Times noemde het een op het eerste gezicht uitgebreide wetenschappelijke verhandeling, die bij nadere beschouwing een volumineus uitgewerkte grap bleek, hoewel de auteur zich daar schijnbaar niet van bewust was.

Daar tegenover staat een ingezonden brief in The Times van januari 1893, van T.H. Huxley, die door zijn vurige verdediging van de evolutietheorie bekend stond als ‘Darwins Bulldog’. De professor schreef, overigens zonder de naam van Oudemans of zijn boek te noemen, dat hij a priori geen reden kende waarom er in de zeeën geen slangachtige reptielen van vijftien meter lang zouden kunnen bestaan.

Cryptozoölogie

Bij zijn overlijden in 1943 werd Oudemans herinnerd om zijn betekenis voor de Acarologie, zijn brede biologische kennis en zijn kwaliteiten als docent. Waar zijn passie voor mijten nog bekend genoeg was, was die voor zeeslangen kennelijk vergeten. Zeeslangen behoorden in de twintigste eeuw definitief tot het verleden, zo leek het.

Anthonie Oudemans
Portret van de bioloog in het Tijdschrift voor Entomologie, 1943-86, 3.
Totdat dr. Bernard Heuvelmans (1916-2001) in 1958 het stof afsloeg van Oudemans’ The Great Sea Serpent. Heuvelmans, een Belgische zoöloog, is de auteur van Sur la Piste des Bêtes Ignorées dat tien jaar later in het Engels werd vertaald als In the Wake of the Sea-Serpents. Hij geldt daarmee als één van de grondleggers van de zogeheten cryptozoölogie, een term van de Schotse dierkundige Ivan T. Sanderson.

Beoefenaars van deze – door critici – als pseudowetenschap aangeduide discipline, doen onderzoek naar onbekende diersoorten waarvan het bestaan volgens wetenschappelijke inzichten onwaarschijnlijk is vanwege de eigenschappen die ze bezitten, ofwel omdat ze al lang uitgestorven behoren te zijn, zoals Plesiosaurus. Waarnemingen berusten op bedrog, fantasie of dwaling.

Het universum van de cryptozoöloog wordt bevolkt door geheimzinnige wezens als de eenhoorn, dinosauriërs in de oerwouden van Congo, mammoeten in Siberië en Bigfoot in de wouden van Noord-Amerika. Het zijn tot de verbeelding sprekende schepsels die het goed doen in films en fantastische boeken. Zo duikt de Yeti, ook wel bekend als de Verschrikkelijke Sneeuwman, op in het stripalbum Kuifje in Tibet (1960) van Hergé. Heuvelmans was bevriend met de Belgische striptekenaar en deed hem het idee aan de hand. Levende dinosauriërs vinden we bijvoorbeeld in de films van Steven Spielberg, een regisseur die met zijn oeuvre schatplichtig is aan de cryptozoölogie.

Heuvelmans mag gelden als grondlegger van de cryptozoölogie, hij geeft ere wie ere toekomt. Anthonie Oudemans was met zijn boek over zeeslangen een cryptozoöloog avant la lettre, al bestond dat begrip in zijn tijd nog niet. Heuvelmans’ herontdekking van Oudemans’ zeeslangen leidde tot hernieuwde interesse in zijn werk waardoor zijn boek in de Verenigde Staten herhaaldelijk herdrukt werd en de daarin neergelegde ideeën hun weg vonden naar de entertainmentindustrie van Hollywood.

Recent verschenen Nederlandse vertaling van het boek van Anthonie Oudemans
Recent verschenen Nederlandse vertaling van het boek van Anthonie Oudemans
In het hoofdstuk dat Heuvelmans aan de Arnhemse bioloog wijdt en dat hij als ondertitel ‘Dutch Interlude’ (Nederlands intermezzo) meegeeft, noemt hij zijn boek ‘careful, systematic, courragous and often brilliant […]’. Nadat hij Oudemans’ verdiensten heeft geroemd, worden de kritische noten gekraakt. Oudemans ging de fout in door – anders dan bijvoorbeeld Rafinesque Schmaltz en Heuvelmans zelf, die het bestaan van tien soorten zeeslangen poneerde – te stellen dat er slechts één soort zeeslang is, een aan zeehonden verwant zoogdier met vier flippers. Door zijn vooropgezette idee over wat de zeeslang is, verwierp Oudemans valide rapporten als ze daarvan afweken, accepteerde hij twijfelachtige verslagen en moest hij met ver gezochte verklaringen komen om sommige rapportages in overeenstemming te brengen met zijn opvattingen.

Over auteurs met een andere mening dan de zijne was Oudemans ‘quarrelsome’ en ‘often unfair’, aldus Heuvelmans. Misschien kwamen zijn bitterheid en sarcasme wel voort uit het gevoel dat zijn boek vijandig zou worden ontvangen. Dat werd het ook, schrijft Heuvelmans.

Het onderliggende probleem, de reden waarom de zeeslang zijn mythische status niet kon ontstijgen, was natuurlijk het ontbreken van fysiek bewijs. Heuvelmans hekelt dit positivisme als antiwetenschappelijk, de vooruitgang in kennis belemmerend. Behalve de voorspelbare critici, waren er tal van biologen die Oudemans’ boek wel serieus namen, aldus Heuvelmans. Zoals de Oostenrijkse oceanograaf dr. Emil von Marenzeller. De zoölogen prof. Émile Racovita en prof. E.L. Trouessart bevolen het hun Franse lezers aan.

Heuvelmans ging naar ‘the lovely town of Gouda’ om de nagelaten papieren van Oudemans in te zien. Bij het doornemen daarvan voelde hij ‘that he wanted someone to carry on his task and that he was enjoying my pleasure and amazement’.

De Nederlandse vertaling van Anthonie Oudemans’ The Great Sea Serpent verscheen in 2024 bij Uitgeverij Parkstraat.

Literatuur

– D. Bainbridge, Paleontologie. Een geïllustreerde geschiedenis (Oxford 2022).
– J. Bakels en A.M. Boer, Monsterdieren. Fabels & feiten (Amsterdam 2018).
– B. Becking, Zonder monsters gaat het niet. Een geschiedenis van de Leviathan (Vught 2015).
– B. Büch, Een heel huis vol. Over een natuurwetenschappelijke verzameling (Rotterdam 2001).
– S. Cooke, ‘Victorian Cryptozoology. The Great Sea Serpent and its Cultural Representation’ (Z.j.), online: https://victorianweb.org/history/cultural/seaserpent/cooke.html
– G.L. van Eijndhoven, ‘In memoriam dr. A.C. Oudemans 12 nov. 1858 – 14 jan. 1943’, in Tijdschrift voor Entomologie (1943), p. 1-9.
– W. Hazeu, M.C. Escher. Een biografie (Amsterdam 1998).
– B. Heuvelmans, In the Wake of the Sea-Serpents (Londen 1968).
– W.P. Hogendoorn, Loch Ness. Mythe of werkelijkheid (Bussum 1980).
– S. Ketelaar, Spijker Portretten. Een geschiedenis van het Arnhemse Spijkerkwartier (Arnhem 2023).
– W. Ley, Exotic Zoology (New York 1959).
– S.L. Lions, Species, Serpents, Spirits and Skulls. Science at the Margins of the Victorian Age (Albany 2009).
– A.C. Oudemans, The Great Sea Serpent (Leiden/Londen 1892).
– E. Sanders, ‘A.C. Oudemans: de ijverigste medewerker van het WNT’, in: ‘Nicoline van der Sijs (red). Woordenboeken en hun makers. Een selectie uit trefwoord 1-9 (Den Haag 1998).
– M.A. Woodley, In the Wake of Bernard Heuvelmans. An Introduction to the History and Future of Sea Serpent Classification (Bideford 2008).
×