Vier namen
Mijn moeder stak haar eerste sigaret van de dag op, de lekkerste, die je longen schroeit als je pas wakker bent. Daarna ging ze naar buiten om de witte deken te bewonderen die over de hele wijk heen lag. ’s Nachts was er minstens tien centimeter sneeuw gevallen. Ze bleef lang buiten staan roken, ondanks de kou, om te genieten van de onwerkelijke sfeer in haar tuin. Ze vond het mooi, al dat niets, de weggevallen kleuren en lijnen.
Opeens hoorde ze een dof, door de sneeuw gesmoord geluid. De postbode had net de post op de grond laten vallen, aan de voet van de brievenbus. Mijn moeder keek goed uit waar ze stapte om niet uit te glijden op haar pantoffels en raapte de stapel op. De sigaret tussen haar lippen verspreidde een grote rookwolk in de ijzige lucht, ze haastte zich naar binnen om haar verkleumde vingers op te warmen.
Ze liet de stapel enveloppen snel door haar vingers gaan. De gebruikelijke wenskaarten, het merendeel afkomstig van haar studenten op de universiteit, een gasrekening, wat reclamefolders. Er waren ook brieven voor mijn vader – collega’s van het Nationaal Centrum voor Wetenschappelijk Onderzoek en zijn promovendi wensten hem een gelukkig nieuwjaar.
Tussen die voor begin januari zo weinig bijzondere post was hij daar ineens. De ansichtkaart. Hij zat onopvallend tussen de andere enveloppen, alsof het niets was, alsof hij zich had verstopt om onopgemerkt te blijven. Wat mijn moeder onmiddellijk intrigeerde, was het handschrift: vreemd en onbeholpen, een handschrift dat ze nooit eerder had gezien. Daarna las ze de vier voornamen die onder elkaar waren geschreven, als een lijst.
Ephraïm
Emma
Noémie
Jacques
Dit waren de namen van haar grootouders van moederskant, van haar oom en haar tante. Alle vier werden ze twee jaar voor haar geboorte gedeporteerd. Ze stierven in Auschwitz in 1942. En eenenzestig jaar later doken ze weer op in onze brievenbus. Op die maandag 6 januari 2003. ‘Wie heeft me in hemelsnaam zoiets afschuwelijks gestuurd?’ vroeg Lélia hardop. De angst sloeg haar om het hart, alsof iemand haar bedreigde vanuit de krochten van een ver verleden. Haar handen begonnen te trillen. ‘Pierre, kijk eens wat ik tussen de post heb gevonden!’ Mijn vader pakte de ansichtkaart aan en bracht hem naar zijn gezicht om hem beter te bekijken, maar er stond geen handtekening op, geen uitleg. Niets. Alleen die voornamen.
Bij mijn ouders raapten we in die tijd de post van de grond, als rijpe vruchten die van de boom zijn gevallen – onze brievenbus was in de loop der jaren zo oud geworden dat alles erdoorheen viel, het was net een vergiet, maar we waren eraan gehecht. Het kwam bij niemand op hem te vervangen. Dat was niet hoe wij in onze familie problemen aanpakten, bij ons thuis konden voorwerpen op evenveel respect rekenen als mensen. Bij zware regen werden brieven kletsnat. Dan loste de inkt op en werden de woorden voor eeuwig onleesbaar. Het ergst waren de ansichtkaarten, dun gekleed als jonge meisjes die in de winter zonder jas, met blote armen rondlopen.

De zondag daarop riep Lélia de hele familie bijeen: mijn vader, mijn zussen en ik. We zaten rond de tafel in de eetkamer en gaven elkaar de kaart door. Het bleef lang stil, wat bij ons niet gebruikelijk is, zeker niet tijdens de zondagse lunch. Bij ons thuis is er altijd wel iemand die hoognodig iets te vertellen heeft. Ditmaal wist niemand wat te denken van deze boodschap die uit het niets kwam. Het was een doodgewone ansichtkaart voor toeristen, met een foto van de Opéra Garnier, zoals er duizenden in ijzeren kaartenrekken staan bij tabakswinkels door heel Parijs.
‘Waarom de Opéra Garnier?’ vroeg mijn moeder.
Niemand wist het. ‘De stempel is van het postkantoor bij het Louvre.’
‘Denk je dat we daar kunnen gaan informeren?’
‘Dat is het grootste postkantoor van Parijs. Het is reusachtig. Daar zou ik niet te veel van verwachten…’
‘Zou dat opzet zijn?’
‘Ja, de meeste anonieme brieven worden vanaf het postkantoor bij het Louvre verstuurd.’
‘Het is geen recente kaart, hij is minstens tien jaar oud,’ merkte ik op. Mijn vader hield de ansichtkaart in het licht. Hij bekeek hem een paar seconden zeer nauwkeurig en concludeerde dat de foto inderdaad uit de jaren negentig dateerde. Het kleurgebruik van het drukwerk, met die diepe magentatonen, en het feit dat er geen reclamezuilen rondom de Opéra Garnier stonden, bevestigden mijn eerste indruk.
‘Ik zou zelfs zeggen begin jaren negentig,’ zei mijn vader.
‘Waarom denk je dat?’ vroeg mijn moeder.
‘Omdat de groen-witte SC10-bussen zoals je die op de achtergrond ziet, in 1996 zijn vervangen door het RP312-model. Met een platform. En een motor achterin.’
Niemand verbaasde zich erover dat mijn vader alles wist over de geschiedenis van de Parijse bussen. Hij had nog nooit een auto bestuurd – en al helemaal geen bus – maar door zijn werk als onderzoeker was hij getraind om over de meest uiteenlopende, specifieke onderwerpen een ongelooflijke hoeveelheid details te kennen. Mijn vader heeft een installatie op zijn naam staan die de invloed van de maan op de getijden uitrekent en mijn moeder heeft voor Chomsky verhandelingen over generatieve grammatica vertaald. Samen hebben ze dus oneindig veel kennis, die meestal volkomen nutteloos is in het dagelijks leven. Behalve heel af en toe, zoals op die dag.
‘Waarom zou je een kaart schrijven en tien jaar wachten om hem te versturen?’
Mijn ouders bleven zich van alles afvragen. Mij kon die ansichtkaart niets schelen, maar de lijst met voornamen hield me wel bezig. Deze mensen waren mijn voorouders en ik wist helemaal niets van hen. Ik kende de landen niet waar ze doorheen waren gereisd, wist niet welke beroepen ze hadden uitgeoefend en hoe oud ze waren toen ze werden vermoord. Als iemand mij foto’s van hen had laten zien, had ik hen te midden van onbekenden niet herkend. Ik schaamde me daarvoor.
Na de lunch stopten mijn ouders de kaart in een la, en we hebben het er nooit meer over gehad. Ik was vierentwintig jaar en had mijn eigen leven te leven, andere verhalen te schrijven. Ik wiste de herinnering aan de ansichtkaart uit mijn geheugen, al vergat ik het voornemen niet ooit mijn moeder uit te horen over onze familiegeschiedenis. Maar de jaren vlogen voorbij en ik nam er nooit de tijd voor. Totdat ik tien jaar later op het punt stond te bevallen. De ontsluiting was voortijdig begonnen. Ik moest blijven liggen om te zorgen dat de baby niet te vroeg zou komen. Mijn ouders boden me aan een paar dagen bij hen te logeren, zodat ik kon rusten. Tijdens het wachten dacht ik aan mijn moeder, mijn grootmoeder, aan de lange lijn van vrouwen die vóór mij een kind ter wereld hadden gebracht. Op dat moment wilde ik dolgraag het verhaal van mijn voorouders horen.
Lélia nam me mee naar de duistere kamer waar ze het gros van haar tijd doorbracht. Haar studeerkamer, die me altijd aan een warme buik deed denken, was van vloer tot plafond volgestapeld met boeken en ordners. De ruimte baadde in het winterse licht dat die dag over de voorstad van Parijs viel, en er hing een dikke sigarettenwalm. Ik ging zitten bij de boekenkast, vol tijdloze voorwerpen, herinneringen bedolven onder een laagje as en stof. Mijn moeder koos een zwart gespikkelde archiefdoos uit een twintigtal identieke exemplaren. Als tiener wist ik dat deze dozen op de boekenplanken sporen bevatten van onze sombere familiegeschiedenis, ze deden me denken aan kleine doodskisten.

‘Ik waarschuw je,’ zei mijn moeder, ‘je zult geen simpele geschiedenis te horen krijgen. Sommige feiten lijken vanzelfsprekend, maar je mag zelf inschatten in hoeverre mijn persoonlijke theorieën uiteindelijk tot deze reconstructie hebben geleid – nieuwe documenten zouden mijn theorieën trouwens ingrijpend kunnen aanvullen of veranderen. Uiteraard.’
‘Mama,’ zei ik, ‘ik denk niet dat sigarettenrook goed is voor de hersenen van de baby.’
‘Ach, hou toch op. Ik rookte tijdens mijn drie zwangerschappen een pakje per dag en ik geloof niet dat ik drie debielen op de wereld heb gezet.’
Om dat antwoord moest ik lachen. Lélia maakte van de gelegenheid gebruik om nog een sigaret op te steken, en te beginnen aan haar verhaal over de levens van Ephraïm, Emma, Noémie en Jacques – de vier namen op de ansichtkaart.
Vertaald uit het Frans door Ghislaine van Drunen en Annelies Kin
De moslim en het Joodse meisje
Briefjes uit de deportatietreinen van Westerbork
Kindertransporten 1938-1948: duizenden kinderen gered van nazi’s
De laatste Joden van het Waterlooplein