Wie Sobibor bezoekt, staat in een stille open plek in een Pools dennenbos. In 1943 maakten de nazi’s het kamp met de grond gelijk om het uit het geheugen van de wereld te wissen, maar tussen 1942 en 1943 werden hier tussen de 170.000 en 250.000 Joden vermoord.
- Hoe Sobibor kon ontstaan
- Een kamp ontworpen om te doden
- De gaskamers en de Schlauch
- Het Sonderkommando
- De vernietigingsmachine in bedrijf
- De vergeten Poolse slachtoffers
- Nederland en Sobibor
- Nederlandse getuigenissen en familiegeschiedenissen
- De achttien Nederlandse overlevenden van Sobibor
- De kindertransporten
- Ben Ali Libi in Sobibor
- Han Hollander: van nationale stem tot slachtoffer van Sobibor
- Aankomst en misleiding
- Het dagelijks leven in Sobibor
- De weg naar de opstand
- De opstand van 14 oktober
- De vernietiging van het kamp
- Vervolging na de oorlog
- De strijd om herinnering
- De terugkeer van Sobibor in het bewustzijn
- Sobibor opnieuw zichtbaar
- Sobibor vandaag
- De negentien Nederlandse transporten naar Sobibor
- Meer kijken en lezen
Voor Nederland heeft Sobibor een uitzonderlijke betekenis: 34.313 Joden werden erheen gedeporteerd, van wie slechts achttien de oorlog overleefden, een overlevingspercentage van 0,052 procent, het laagste van alle deportatiebestemmingen. Zoals Jules Schelvis in een interview met Rob Trip benadrukte, was Sobibor geen kamp dat bevrijd werd, maar een kamp dat volledig werd vernietigd, waardoor er vrijwel geen getuigen waren die konden vertellen wat er was gebeurd. Daardoor bleef Sobibor lang een van de meest vergeten hoofdstukken uit de Nederlandse oorlogsgeschiedenis.
Hoe Sobibor kon ontstaan
De Duitse aanval op de Sovjet-Unie in juni 1941 versnelde de radicalisering van het nazibeleid. Massaschietingen door de Einsatzgruppen bleken te traag, te zichtbaar en maakten het systematisch beroven van slachtoffers minder efficiënt. In januari 1942 werd tijdens de Wannseeconferentie de systematische vernietiging van de Europese Joden geformaliseerd. In het Generalgouvernement kreeg Odilo Globocnik de opdracht Aktion Reinhard uit te voeren, waarvoor hij drie plekken voor zijn (nog te bouwen) vernietigingskampen selecteerde: Bełżec, Treblinka en Sobibor. Sobibor werd gekozen vanwege zijn afgelegen ligging, de omringende bossen en de nabijheid van een spoorlijn, ideaal voor een moordoperatie die onzichtbaar moest blijven.
De voorbereidingen begonnen in 1941, toen Duitse officieren het terrein verkenden. De SS schermde het gebied streng af: wie te dichtbij kwam, werd weggejaagd of gearresteerd. In maart 1942 kwam de bouw in een stroomversnelling onder leiding van SS-Obersturmführer Richard Thomalla, die eerder de bouw van Bełżec had geleid. Poolse en Joodse dwangarbeiders bouwden het kamp onder toezicht van de SS. Om het kamp volledig aan het zicht te onttrekken liet de SS de dennen- en berkentakken door de hekken vlechten.

Een kamp ontworpen om te doden
De nazi’s bouwden voort op eerdere experimenten in Aktion T4, Belzec en Chełmno en creëerden een plek waar het doden van mensen een strak georganiseerd proces werd. Alles in het kamp was gericht op snelheid, camouflage en maximale efficiëntie. Het terrein was opgedeeld in drie zones die samen de vernietigingsketen vormden.
Lager II vormde het toneel van misleiding. Hier kwamen de transporten aan, werden mannen en vrouwen gescheiden en moesten mensen zich uitkleden in barakken die waren voorzien van borden als ‘Bad’ en ‘Desinfektion’. De schijn van orde en normaliteit moest paniek voorkomen en het proces versnellen. Met name de niet-Poolse slachtoffers wisten niet dat de route die zij volgden geen sanitaire behandeling was, maar het voorportaal van de dood.
Lager III was volledig afgeschermd en vormde het hart van de vernietiging. Hier stonden de gaskamers — aanvankelijk drie, later acht — waar koolmonoxide uit een motor binnen enkele minuten duizenden mensen kon doden. De lichamen werden begraven in massagraven.

De gaskamers en de Schlauch
Jules Schelvis, een van de slechts achttien Nederlandse overlevenden van Sobibor, reconstrueerde nauwkeurig hoe de gaskamers zich ontwikkelden. In het voorjaar van 1942 werden drie kleine gaskamers gebouwd, maar al snel bleek de capaciteit onvoldoende. Onder leiding van Erwin Lambert, een bouwspecialist uit Aktion T4, verrezen in de zomer van 1942 acht grotere gaskamers. De nazi’s pasten de constructie van het kamp en de gaskamers voortdurend aan om het proces te versnellen. Sobibor was geen statisch kamp, maar een voortdurend geoptimaliseerde moordmachine.
De gaskamers waren luchtdicht afgesloten ruimtes met zware metalen deuren. In een aparte kamer stond de motor die het koolmonoxide produceerde. Zodra de deuren sloten, werd de motor gestart en vulde de ruimte zich met giftig gas. Binnen tien tot twintig minuten waren alle mensen binnen gestorven. Voor de SS-officieren die de gaskamers bedienden, was dit een technische handeling; zij spraken over ‘ladingen’ en ‘capaciteit’, alsof het om goederen ging.
De zones waren verbonden door de Schlauch, een smalle van hekken en takken die de nazi’s bewust onzichtbaar maakten. Hier werden de slachtoffers naartoe gejaagd onder geschreeuw en slagen. De Schlauch symboliseerde Sobibor: misleiding die direct in vernietiging overging. In SS‑jargon werd dit pad cynisch de Himmelfahrtstrasse genoemd — de ‘Hemelvaartstraat’ — een macabere benaming voor de corridor die slachtoffers naar de gaskamers leidde nadat eerst hun haren geschoren waren. Achter deze corridor begon het werk van het Sonderkommando.

Het Sonderkommando
Het Sonderkommando bestond uit Joodse gevangenen die gedwongen werden de lichamen uit de gaskamers te halen, gouden tanden te verwijderen en de ruimtes schoon te maken. Aanvankelijk werden de doden begraven in massagraven, maar door ontbinding, stank en angst voor de vervuiling van het grondwater liet de SS vanaf de herfst van 1942 de lichamen op grote roosters van spoorrails verbranden. Sobibor had geen crematorium; de verbranding gebeurde in de open lucht, waarbij hout en lichaamsvet als brandstof dienden. HHet werk van het Sonderkommando was essentieel voor de vernietigingsmachine. De leden ervan werden uiteindelijk zelf vermoord om getuigen uit te schakelen.
Volgens Rosanne Kropman, onderzoeksjournalist en auteur van Het donkerste donker: Een geschiedenis van Sobibor, was Sobibor het resultaat van kille berekening: een systeem waarin tot in detail was nagedacht over hoe je zoveel mogelijk mensen ordelijk en zo snel mogelijk kon doden. Daarom woonde het Sonderkommando letterlijk naast de gaskamers, zodat het ruimen van de ruimtes vrijwel direct kon plaatsvinden. Dit was niet de enige reden voor deze inrichting: wat er gebeurde in Lager III moest zo geheim mogelijk blijven. Gevangenen die eenmaal in dit deel van het kamp werkten, kwamen er nooit meer uit en hadden geen contact met de Joden in Lager I en II, al circuleerden er soms via een Trawniki-bewaker korte berichten.

De vernietigingsmachine in bedrijf
De verantwoordelijkheid voor deze efficiëntie van deze vernietigingsketen lag in de eerste plaats bij de leiding van het kamp. Franz Stangl, de eerste commandant, bracht zijn ervaring uit de T4-euthanasiecentra rechtstreeks mee naar Sobibor. Hij zag het kamp als een fabriek die zonder onderbreking moest draaien. Onder zijn leiding werd de vernietigingsketen geperfectioneerd. Globocnik, de verantwoordelijke voor Aktion Reinhard, prees Stangl als ‘de beste kampcommandant die het meeste werk bij de hele actie had gedaan.’
In september 1942 werd Stangl overgeplaatst naar Treblinka, omdat de commandant daar niet tegen het werk bestand was. Hij werd in Sobibor opgevolgd door Franz Reichleitner, eveneens afkomstig uit Aktion T4. Stangl was de technocraat; Reichleitner vertrouwde op brute discipline. Hij breidde de capaciteit van de gaskamers verder uit en gaf de Trawniki-wachters veel ruimte voor geweld. Samen belichamen Stangl en Reichleitner de professionalisering van de nazi-vernietigingspolitiek: functionarissen die hun ervaring uit eerdere moordprogramma’s toepasten om Sobibor tot een strak geoliede vernietigingsfabriek te maken. Onder deze leiding functioneerde een nauwkeurig georganiseerde administratieve machine. Zoals SS’er Alfred Ittner in 1963 verklaarde:
Het kamp functioneerde als een gesloten organisatie met als doel zo snel en zo veel mogelijk Joden te doden. Alles verliep daar gesmeerd, omdat op elke plaats het Duitse kamppersoneel ervoor heeft gezorgd dat er geen moeilijkheden ontstonden. Ieder heeft op de plaats waar hij werd ingezet dusdanig meegeholpen dat de totale organisatie klopte.
De uitvoering van de vernietiging lag in handen van ongeveer 25 SS’ers en enkele tientallen Trawniki-wachters, vaak Oekraïense of Letse krijgsgevangenen die door de SS waren gerekruteerd. Zij bewaakten de hekken, dreven mensen door de Schlauch en bewaakten Lager III. Overlevenden beschreven hen als extreem wreed, vooral wanneer zij dronken waren. Mannen als Biskup, Klier en Oswald stonden berucht om hun geweld.
Figuren als Erich Bauer, verantwoordelijk voor de motor van de gaskamers, en Lagerführer Karl Frenzel hadden hun vaardigheden in massavernietiging al eerder opgedaan. Ook de Oekraïense en Letse Trawniki-wachters hadden vaak een achtergrond als krijgsgevangene of collaborateur. Hun biografieën maken duidelijk dat Sobibor werd bemand door daders die niet toevallig in een vernietigingskamp terechtkwamen, maar door mannen die stap voor stap waren gevormd tot uitvoerders van industriële moord.

De vergeten Poolse slachtoffers
Veruit de meeste slachtoffers van Sobibor waren Poolse Joden uit het Generalgouvernement. Volgens Rosanne Kropman en Stichting Sobibor laat het ontbreken van hun stemmen een groot gat in ons begrip van het kamp: hun namen zijn nauwelijks bewaard, hun verhalen ontbreken en er waren vrijwel geen overlevenden die na de oorlog konden getuigen. In Nederland ligt de nadruk vaak op de 34.313 gedeporteerde Nederlandse Joden, maar zij vormden slechts een deel van het totaal.
De deportaties troffen vooral de districten Lublin, Krakau en Galicië. Toen Aktion Reinhard in 1942 begon, werden eeuwenoude Joodse gemeenschappen in een paar dagen weggevaagd. De treinen reden rechtstreeks naar Sobibor. Selectie was uiterst zeldzaam: voor vrijwel iedereen betekende aankomst de dood.
De SS maakte onderscheid tussen Pools/Russische en westerse transporten. In de treinen uit Westerbork schommelde het aantal personen per wagon tussen de 55 en 75. Voor transporten die rechtstreeks uit Polen kwamen, werden er wel tot 200 mensen in een wagon gepropt; tot 160 mensen per wagon was geen uitzondering. Een overlevende getuigde hierover:
We stonden in de wagon als haringen in een ton. We waren nog minder dan vee, want dieren kregen nog stro in de wagon. Wij hadden helemaal niets. We kregen zelfs geen water.
Omdat de nazi’s nauwelijks administratie bijhielden en bijna niemand werd gespaard voor arbeid, liet deze slachtoffergroep vrijwel geen sporen na. De geschiedenis van Sobibor is daardoor vooral gebaseerd op Nederlandse, Tsjechische en Sovjet-Joodse getuigenissen, terwijl juist de Poolse slachtoffers numeriek de kern van de vernietiging vormden. Daarom zijn de getuigenissen van overlevenden als Thomas Blatt, Philip Bialowitz en Chaim Zielinski onmisbaar: zij wisten toch een beeld te schetsen van hoe het kamp functioneerde voor de Poolse Joden. Daarnaast bracht archeologisch onderzoek de afgelopen jaren persoonlijke voorwerpen aan het licht — sleutels, sieraden, naamplaatjes — afkomstig van slachtoffers uit West-Europa, maar ook van Poolse Joden.
Nederland en Sobibor
Sobibor ontving naast transporten uit het Generalgouvernement ook treinen uit Duitsland, Oostenrijk, Tsjechië, Slowakije en Frankrijk. Vanaf maart 1943 vertrokken ook transporten vanuit Nederland naar het kamp. Volgens Schelvis wist men in Westerbork niet wat Sobibor was. De Joodse Raad gaf geen informatie over de bestemming en daardoor bleef de illusie van ‘arbeidsinzet in het Oosten’ tot het allerlaatste moment bestaan.
De Duitse bezetter kon rekenen op een efficiënt administratief apparaat. Gemeentelijke bevolkingsregisters, de Joodse Raad en de door de bezetter gecontroleerde politie- en spoorwegdiensten maakten het mogelijk om in korte tijd duizenden mensen te verzamelen, registreren en deporteren. Voor de slachtoffers bleef de bestemming verhuld achter de belofte van werk, terwijl Sobibor in werkelijkheid een kamp was waar bijna niemand langer dan enkele uren na aankomst in leven bleef.
Hoe snel de vernietiging verliep, wordt pijnlijk duidelijk in de Andere Tijden-documentaire De Andere Familie Frank. De Zwolse familie Frank zat drie dagen in een trein zonder te weten waar ze heen gingen. Binnen een uur na aankomst in Sobibor waren ze gescheiden, uitgekleed en via de Schlauch naar de gaskamers gejaagd. Geen registratie, geen verblijf, geen spoor. Hun hele bestaan werd in één middag uitgewist.
Tussen 3 maart en 20 juli 1943 vertrokken negentien transporten met in totaal 34.313 Nederlandse Joden vanuit Westerbork naar Sobibor. Slechts een handvol gedeporteerden werd geselecteerd voor dwangarbeid; vrijwel iedereen werd direct na aankomst vermoord. Juist daardoor zijn de persoonlijke verhalen van Nederlandse slachtoffers en de achttien Nederlandse overlevenden van onschatbare waarde voor onze kennis van Sobibor.
Nederlandse getuigenissen en familiegeschiedenissen
Een van de meest bijzondere bronnen over de Nederlandse deportaties naar Sobibor is Enkele reis Sobibor van Guida Joseph. Centraal staan de briefkaarten die haar grootmoeder, Ida Joseph Franken, op 5 maart 1943 uit de trein gooide. Het zijn zeldzame documenten: ze laten zien wat een Nederlandse Joodse vrouw dacht en voelde tijdens de reis naar een bestemming die zij niet kende. Ida schreef over haar hoop, haar zorgen en haar verwachting dat zij haar zoon zou terugzien, niet beseffend dat Sobibor geen werkkamp was maar een vernietigingskamp. Het boek toont hoe één familiegeschiedenis abrupt werd afgebroken en hoe de gebeurtenissen van 1943 generaties later nog doorwerken.
Ook andere persoonlijke verhalen kwamen pas laat naar voren. Zo werd de familie Cambridge — met wortels in de Surinaamse slavernij — in Sobibor vermoord. Hun geschiedenis laat zien hoe breed het Nederlandse Jodendom was en hoe divers de groep slachtoffers die via Westerbork werd weggevoerd.

Voor Jules Schelvis werd de geschiedenis van Sobibor pijnlijk persoonlijk. Zijn vrouw en schoonfamilie werden direct na aankomst vermoord, iets wat hij pas veel later te weten kwam. Zijn getuigenis maakt de abstracte cijfers van de Nederlandse deportaties concreet en invoelbaar. Rosanne Kropman benadrukt dat juist deze directe vernietiging ervoor zorgt dat Sobibor in Nederland geen centrale plaats inneemt in de herinnering.
Een kleine groep Nederlanders werd tijdelijk in leven gehouden om in het kamp te werken. Sommigen werden ingezet in de sorteercommando’s, anderen in de keuken of in de werkplaatsen. Hun onderlinge contacten waren van levensbelang: informatie werd gedeeld, kleine vormen van verzet besproken en er ontstonden hechte banden die later een rol speelden in de opstand van 14 oktober 1943.
De achttien Nederlandse overlevenden van Sobibor
Van de 34.313 Nederlandse Joden die vanuit Westerbork naar Sobibor werden gedeporteerd, overleefden slechts achttien de oorlog.
- Elias Isak Alex Cohen – transport van 17 maart 1943
- Judith Eliazar – transport van 10 maart 1943
- Bertha Ensel – transport van 10 maart 1943
- Selina Ensel – transport van 10 maart 1943
- Sophie Huisman – transport van 10 maart 1943
- Mirjam Penha-Blitz – transport van 10 maart 1943
- Cato Polak – transport van 10 maart 1943
- Suzanne Polak – transport van 10 maart 1943
- Surry Polak – transport van 10 maart 1943
- Bertha van Praag – transport van 10 maart 1943
- Debora van Praag – transport van 10 maart 1943
- Jules Schelvis – transport van 1 juni 1943
- Ursula Stern – transport van 6 april 1943
- Sophie Verduin – transport van 10 maart 1943
- Jetje Veterman – transport van 10 maart 1943
- Sientje Veterman – transport van 10 maart 1943
- Jozef Wins – transport van 11 mei 1943
- Selma Wijnberg – transport van 6 april 1943
Bron: Sobibor Interviews.
De kindertransporten
Op 6 en 7 juni 1943 voltrok zich in Nederland een van de meest hartverscheurende episodes van de Jodenvervolging: de kindertransporten van Kamp Vught. In totaal werden 1.269 Joodse kinderen, sommigen nog geen twee jaar oud, samen met hun moeders en enkele vaders op transport gezet naar Westerbork. De aanleiding was bureaucratisch en kil: de Duitse bezetter had bepaald dat kinderen niet thuishoorden in het ‘Arbeitslager’ Vught. De oplossing was eenvoudig en vernietigend: ze moesten weg. De documentairebeelden, getuigenissen en reconstructies laten zien hoe kinderen uit de barakken werden gehaald, soms huilend, soms nog half slapend, soms aan de hand van oudere broertjes of zusjes die niet begrepen wat er gebeurde. Bewakers dwongen ouders hun kinderen af te staan; anderen mochten mee, maar alleen om samen te sterven.
In Westerbork verbleven de kinderen slechts enkele dagen. Op 8 juni 1943 vertrok een trein met bijna alle kinderen en hun begeleidende ouders richting Sobibor. De reis duurde drie dagen. De wagons waren overvol, heet, zonder water, zonder sanitaire voorzieningen. Kinderen huilden, moeders probeerden hen te troosten, vaders probeerden hun wanhoop te verbergen. Maar niemand wist dat de bestemming geen werkkamp was, geen plek van selectie of verblijf, maar een vernietigingskamp waar kinderen altijd direct werden gedood.
Toen de trein op 11 juni 1943 in Sobibor aankwam, was het proces binnen een uur voltooid. De kinderen werden uit de wagons gehaald, gescheiden, uitgekleed en via de Schlauch naar de gaskamers geleid. Er was geen registratie, geen kampnummer, geen verblijf. Op het terrein van Kamp Vught staat vandaag de dag het Kindergedenkteken, met 1.269 stenen, één voor ieder kind dat werd weggevoerd. Het monument herinnert aan een transport dat in zijn snelheid, omvang en doelgerichtheid de essentie van Sobibor zichtbaar maakt: een plek waar zelfs de allerkleinsten geen enkele kans kregen om te leven. Sobibor trof niet alleen gezinnen, maar ook prominente figuren uit de Nederlandse cultuur, onder wie Ben Ali Libi.
Ben Ali Libi in Sobibor

Zijn verhaal staat symbool voor de vernietiging van de Nederlandse Joodse cultuur van artiesten, muzikanten, cabaretiers en variétégezelschappen die door de nazi’s systematisch werd uitgeroeid. In een eerder artikel bij Historiek werd benadrukt dat zijn naam vooral bekend bleef dankzij het gedicht Ben Ali Libi van Willem Wilmink, dat de vraag stelt hoe een samenleving kan toestaan dat iemand die vreugde bracht aan duizenden, zomaar verdwijnt. Sobibor was een kamp zonder herinnering, zonder overlevenden, zonder sporen en juist daarom is het verhaal van Ben Ali Libi zo belangrijk. Hij laat zien dat achter elk nummer op een transportlijst een mens stond met een beroep, een talent, een leven dat ertoe deed.
Han Hollander: van nationale stem tot slachtoffer van Sobibor

De Duitse bezetting maakte abrupt een einde aan zijn loopbaan. In mei 1940 ontsloeg AVRO-directeur Willem Vogt hem om de Duitsers niet voor het hoofd te stoten. Hollander geloofde dat zijn Berlijnse oorkonde hem zou beschermen, maar toen zijn dochter werd gearresteerd, meldde hij zich bij de bezetter. Het gezin werd naar Westerbork gedeporteerd, waar Hollander dankzij zijn bekendheid tijdelijk in het Heidelager terechtkwam en administratief werk verrichtte.
Een conflict — veroorzaakt door een ongelukkige opmerking van zijn vrouw — leidde echter tot hun deportatie. Op 9 juli 1943 kwamen Han Hollander, zijn vrouw Leentje en hun dochter Froukje in Sobibor aan, waar zij direct na aankomst werden vermoord. Zijn dood staat symbool voor de kwetsbaarheid van zelfs de meest zichtbare Joodse Nederlanders: een nationale stem die, ondanks roem en erkenning, in Sobibor werd vernietigd.

Aankomst en misleiding
Om te begrijpen wat Ben Ali Libi, Han Hollander en tienduizenden anderen bij aankomst te wachten stond, is het nodig om naar de misleiding van het kamp te kijken. Tot het laatste moment hield de SS de schijn op dat men slechts een routineprocedure doorliep. Jules Schelvis beschreef hoe dodelijk effectief deze misleiding was: volgens hem verliep de vernietiging in Sobibor sneller dan de meeste mensen zich kunnen voorstellen, vaak waren slachtoffers binnen een uur na aankomst al vermoord.
Binnen enkele minuten werden mannen en vrouwen gescheiden, hun kleding afgenomen en werden zij in hoog tempo de Schlauch ingejaagd, zonder te beseffen wat er werkelijk gebeurde. De misleiding was zo overtuigend dat velen tot het allerlaatste moment hoop bleven houden en soms zelfs dansten en zongen bij aankomst in het kamp.
De misleiding begon al op het perron. Nederlandse en andere West-Europese Joden vaak goedgekleed en voorzien van bagage, werden bij aankomst soms bijna hoffelijk ontvangen. Auschwitz overlevende dr. Elie A. Cohen schreef het boek De 19 treinen naar Sobibor. Daarin beschreef hij hoe er soms zelfs gedekte tafels klaarstonden met brood en marmelade, en dat SS’ers koffie schonken om de indruk van normaliteit te versterken. Deze schijnveiligheid stond in contrast met de ontvangst van Poolse Joden, die na de eerste maanden al wisten dat Sobibor een vernietigingskamp was en met grof geweld uit de wagons werden gedreven.
De onwetende Nederlanders moesten onder toezicht briefkaarten schrijven naar familie en bekenden, waarin zij verplicht moesten melden dat zij “goed waren aangekomen” en “nu door zouden gaan naar de werkkampen in Oekraïne”. Als afzendadres moest steevast Arbeitslager Wlodawa worden vermeld, een dorpje in de buurt van Sobibor die de werkelijke bestemming moest verhullen. Deze combinatie van schijnbare zorg, gedwongen geruststellende berichten en het grote verschil in behandeling tussen Nederlandse en Poolse Joden maakte dat veel slachtoffers tot op het laatste moment niet beseften wat Sobibor werkelijk was.

Een van de belangrijkste bronnen voor de geschiedenis van Sobibor is het boek Vernietigingskamp Sobibor van Jules Schelvis. Als overlevende en onderzoeker reconstrueerde hij de structuur en werking van het kamp op basis van getuigenissen, processtukken en archeologisch onderzoek. Schelvis beschrijft nauwkeurig hoe de drie Lagers functioneerden, hoe de misleiding bij aankomst was georganiseerd en hoe de Schlauch en de gaskamers deel uitmaakten van de strak geordende vernietigingsketen. Zijn gedetailleerde verslag van de opstand van 14 oktober 1943 en de daaropvolgende vernietiging van het kamp vormt tot op de dag van vandaag de basis voor vrijwel alle studies over Sobibor.
In de Sobibor Tapes benadrukken vrijwel alle overlevenden dat toeval een bepalende factor was in hun overleven. Een plek in de rij, een bewaker die even wegkeek, een kapotte motor of een mislukte telling kon het verschil betekenen tussen directe vergassing en tijdelijke dwangarbeid. Deze radicale willekeur bepaalde het ritme van het kamp.
Toch kwam er altijd een moment waarop de façade instortte. Zodra de SS’ers en Trawniki-wachters begonnen te schreeuwen en te slaan, werd het pijnlijk duidelijk dat er iets verschrikkelijks stond te gebeuren. Maar er was geen weg terug meer. De Schlauch was smal, omheind met prikkeldraad en zwaar bewaakt. Wie probeerde te vluchten, werd direct neergeschoten. Schelvis zei later dat hij pas jaren na de oorlog volledig begreep hoe geraffineerd en efficiënt dit proces was ingericht.
Het dagelijks leven in Sobibor
Voor de gevangenen die niet direct na aankomst werden vermoord, begon in Sobibor een bestaan dat nauwelijks te bevatten is. Hun dagen werden bepaald door angst, uitputting en de voortdurende wetenschap dat hun leven elk moment kon eindigen. Sobibor was geen kamp waar men maanden of jaren kon overleven; het was een plek waar de dood altijd dichtbij was. Jules Schelvis benadrukte dat zijn eigen overleven neerkwam op puur toeval: hij werd geselecteerd voor werk buiten het kamp, vrijwel iedereen uit zijn transport direct werd vermoord.
De gevangenen die tijdelijk in leven werden gehouden, werden geselecteerd op basis van fysieke kracht, technische vaardigheden of simpelweg willekeur. Sommigen werden timmerman of kleermaker, anderen werkten in de keuken of sorteerden de bezittingen van de slachtoffers. Maar welke taak men ook kreeg, het leven hing aan een zijden draadje. Een misstap, een vermoeid gebaar of een verkeerde blik kon genoeg zijn om alsnog naar Lager III gestuurd te worden.

Hoewel Sobibor een vernietigingskamp was, kende het kamp een dagelijkse routine die bijna mechanisch verliep. De dag begon voor zonsopgang met appèl, gevolgd door werk. SS-officieren en Trawniki-wachters hielden alles nauwlettend in de gaten. In Lager I werkten gevangenen in werkplaatsen waar kleding werd gerepareerd, schoenen gelijmd en uniformen versteld. Anderen sorteerden de bezittingen van de slachtoffers: koffers, sieraden, kinderspeelgoed. Brieven en fotoalbums van de slachtoffers werden direct verbrand. Het was een van de meest ondraaglijke taken, omdat de persoonlijke voorwerpen een directe herinnering vormden aan de mensen die net waren vermoord.
In Lager II moesten gevangenen de aankomst van nieuwe transporten voorbereiden. Ze verzamelden achtergelaten kleding en zorgden ervoor dat de illusie van orde en normaliteit werd gehandhaafd. Het was een macabere vorm van logistiek: het kamp moest er altijd ‘klaar’ uitzien voor de volgende trein, bijvoorbeeld door het zand te harken op het open veld waar de slachtoffers zich moesten uitkleden voordat zij naar Lager III werden geleid.
De SS gebruikte terreur als instrument om de gevangenen onder controle te houden. Executies waren willekeurig en dienden als waarschuwing. Soms werd een gevangene gedood omdat hij te langzaam werkte, soms omdat een SS’er slecht gehumeurd was. De Trawniki-wachters stonden berucht om hun wreedheid: ze sloegen gevangenen zonder reden, lieten honden op hen los of schoten hen dood voor hun eigen vermaak. Deze radicale willekeur bepaalde het ritme van het kamp en maakte elke dag tot een onvoorspelbare strijd om te blijven bestaan. SS’ers en Trawniki-wachters dronken regelmatig, wat hun wreedheid nog onvoorspelbaarder maakte. In deze routine werd elke vorm van individualiteit systematisch afgebroken. Toch groeide onder deze omstandigheden langzaam het besef dat niets doen geen optie was.
De weg naar de opstand
In de loop van 1943 werd voor de gevangenen duidelijk dat niets doen gelijkstond aan de dood. De sluiting van Bełżec, waar alle overgebleven gevangenen waren vermoord, liet zien wat Sobibor te wachten stond. Cohen en Schelvis beschrijven hoe kleine vormen van verzet ontstonden: gereedschap werd verstopt, hekken verkend, wachtroutines geobserveerd. Maar elke ontsnappingspoging werd meedogenloos afgestraft. Zo werd er een onderaardse tunnel ontdekt, waarna de betrokkenen werden gedood en het kamp werd omsingeld. Individuele ontsnappingen waren uitzonderingen; de meesten werden neergeschoten. Volgens Schelvis groeide hierdoor het besef dat alleen een massale, gecoördineerde opstand kans van slagen had.

Jozeph Jacobs speelde een belangrijke rol in de aanloop naar de opstand. Hij behoorde tot de kleine groep Nederlanders die bij aankomst niet direct werd vermoord en werkte in de sorteercommando’s en bij het camoufleren van het kamp. Door zijn marinetijd werd hij door Poolse gevangenen “de Nederlandse kapitein” genoemd. Vanaf het begin zocht hij contact met andere gevangenen om ontsnappingsmogelijkheden te verkennen en sloot hij zich aan bij de groep rond Leon Fehlhendler, met wie hij een grootschalig plan voorbereidde: een gecoördineerde aanval op de SS, gevolgd door het overtuigen van de Oekraïense bewakers om alle gevangenen te laten gaan.
Het plan werd verraden, waarna Jacobs tijdens een strafappel naar voren stapte en verklaarde dat hij alleen verantwoordelijk was. Ondanks zware marteling verraadde hij niemand. Zijn zwijgen redde de Poolse medegevangenen — van wie sommigen later zouden deelnemen aan de opstand van 14 oktober 1943 — maar betekende zijn eigen dood en die van bijna alle Nederlandse mannen in het kamp.
De opstand van 14 oktober
Op 14 oktober 1943 kwam in Sobibor het ondenkbare in beweging. In een kamp dat volledig was ingericht op totale controle en onmiddellijke vernietiging, wisten gevangenen een georganiseerde opstand te ontketenen. Binnen een uur doodden zij elf SS’ers, onder wie plaatsvervangend commandant Johann Niemann. Ongeveer driehonderd gevangenen wisten het kamp te verlaten; slechts een kleine vijftig zouden de oorlog overleven.

Maar vrijheid betekende nog geen overleven. Van de driehonderd gevangenen die het bos bereikten, zouden uiteindelijk slechts 47 personen de oorlog overleven. Zij konden vertellen wat er in Sobibor was gebeurd, getuigen in processen en de wereld laten weten dat er een kamp had bestaan dat bijna volledig uit het geheugen was gewist. Hun verhalen vormen de basis voor vrijwel alles wat we vandaag de dag over Sobibor weten.
Een van de belangrijkste bronnen waarin deze verhalen zijn vastgelegd, is de documentaire De Sobibor Tapes. Deze bevat unieke filmopnamen waarin opstandelingen als Pechersky en Chaskiel Menche de gebeurtenissen van die dag van minuut tot minuut reconstrueren. Pechersky vertelt dat hij eerst niet geloofde dat de opstand zou slagen, maar dat hij toch doorging omdat “misschien vijftien tot twintig mensen konden ontsnappen om de wereld de waarheid te vertellen”. Menche beschrijft hoe hij, gedreven door het verlies van zijn vrouw, kind en moeder die direct na aankomst waren vermoord, tijdens de opstand een SS’er met een bijl doodde.
Uit de interviews blijkt dat de opstandelingen niet alleen wilden ontsnappen, maar vooral wilden getuigen. Pechersky zei dat zijn belangrijkste doel was “die fascisten te doden”, terwijl Menche benadrukte dat hij moest laten zien “wat hier gebeurt in dit kamp”. De opstand was daarmee niet alleen een verzetsdaad, maar ook een poging om de waarheid levend te houden.
Jules Schelvis benadrukte in zijn gesprek met Rob Trip dat de opstand geen poging was om het kamp te bevrijden — dat was onmogelijk — maar een laatste daad van waardigheid. Voor de gevangenen was het geen strategische keuze, maar een existentiële: als sterven onvermijdelijk was, dan liever in verzet dan in totale machteloosheid. Deze interpretatie geeft de opstand een diepe morele lading. Het was een moment waarop mensen die volledig waren ontmenselijkt, toch een vorm van autonomie terugvonden. De opstand van Sobibor staat daarmee niet alleen voor ontsnapping, maar voor het weigeren om de eigen dood volledig door de daders te laten bepalen.
Dat blijkt ook uit de documentaire Echo’s van Sobibor, waarin overlevenden en hun kinderen beschrijven hoe dit moment van verzet, hoe klein ook, een blijvende bron van waardigheid en identiteit werd binnen hun families.
Selma Engel-Wijnberg beschreef hoe zij samen met haar latere man Chaim Engel actief deelnam aan de opstand. Chaim wist een SS’er te doden met een mes dat hij had bemachtigd. Samen renden ze het bos in, achtervolgd door schoten, honden en de voortdurende dreiging van het mijnenveld dat rondom het kamp lag bij Lager I. Ze vonden uiteindelijk onderdak bij Poolse boeren die hen verborgen hielden.

De vernietiging van het kamp
De opstand van 14 oktober 1943 was voor de nazi’s een ongekende vernedering. Dat honderden gevangenen uit een vernietigingskamp konden ontsnappen en daarbij SS’ers hadden gedood, tartte het fundament van hun systeem. Heinrich Himmler reageerde onmiddellijk: Sobibor moest verdwijnen. Niet worden gesloten, maar worden uitgewist.
Binnen enkele dagen begonnen SS‑eenheden aan een systematische vernietiging van het kamp. Barakken werden afgebroken, hekken verwijderd, de gaskamers opgeblazen en de spoorlijn ontmanteld. Het terrein werd geëgaliseerd, greppels opgevuld en beplant met bomen en gewassen om het de aanblik van onschuldige landbouwgrond te geven. Op de plek van Lager III verrees een boerderij waar een Oekraïense boer moest wonen.
Het doel was duidelijk: Sobibor moest verdwijnen, niet alleen fysiek, maar ook uit het geheugen van de wereld. De nazi’s wisten dat hun misdaden zo groot waren dat alleen totale vernietiging van bewijs hen nog kon beschermen. De opstand had laten zien dat zelfs in een vernietigingskamp getuigen konden ontsnappen. Daarom moest Sobibor worden uitgewist alsof het nooit had bestaan.
Rosanne Kropman benadrukt dat juist deze totale uitwissing ertoe bijdroeg dat Sobibor decennialang vrijwel onzichtbaar bleef. Waar Auschwitz herkenbare gebouwen en iconische beelden behield, bleef Sobibor een overwoekerd terrein zonder tastbare sporen, waardoor het kamp lange tijd buiten het Nederlandse bewustzijn bleef.
Vervolging na de oorlog
Die onzichtbaarheid had ook grote gevolgen voor de naoorlogse rechtsgang. Juridisch gezien dreigde Sobibor na de oorlog vrijwel volledig te verdwijnen. Omdat het kamp geen administratie had, nauwelijks overlevenden kende en door de nazi’s was uitgewist, ontbrak het aan de basis die nodig was voor strafrechtelijke vervolging. Slechts enkele landen zetten zich actief in om daders op te sporen. Polen en Tsjechoslowakije begonnen vroeg met processen tegen Trawniki-wachters, terwijl West-Duitsland pas in de jaren zestig systematisch onderzoek deed. In veel andere landen ontbrak de politieke wil, de juridische prioriteit of de morele overtuiging om vervolging na te streven. Hierdoor konden veel daders jarenlang ongestoord leven, soms onder hun eigen naam, soms onder een nieuwe identiteit in Zuid-Amerika of de Verenigde Staten.
De processen die wél plaatsvonden, werden ernstig bemoeilijkt door het gebrek aan bewijs. Jules Schelvis beschrijft hoe aanklagers vaak moesten werken met fragmentarische getuigenissen en zonder documenten die individuele verantwoordelijkheid konden aantonen. In de zaken tegen mannen als Erich Bauer en Karl Frenzel werd duidelijk hoe kwetsbaar de juridische basis was. Bauer werd in 1950 veroordeeld tot levenslang, maar alleen omdat meerdere overlevenden hem direct herkenden als de man die de gaskamers bediende. Frenzel kreeg in 1966 levenslang, maar werd in hoger beroep vrijgelaten. Andere daders ontliepen vervolging volledig: commandant Franz Reichleitner werd in 1944 door partizanen gedood, terwijl zijn voorganger Franz Stangl jarenlang ongestoord in Brazilië leefde voordat hij in 1967 werd gearresteerd en tot levenslang werd veroordeeld. Kurt Bolender pleegde zelfmoord tijdens het Hagen-proces. Veel Trawniki-wachters verdwenen spoorloos of leefden onder nieuwe identiteiten in Zuid-Amerika. Deze uiteenlopende lotgevallen benadrukken hoe willekeurig en beperkt de naoorlogse rechtsgang was.

Schelvis beschrijft dat de daders die hij tijdens en na deze processen ontmoette geen enkele spijt toonden. Ze zagen zichzelf als radertjes in een machine, zonder persoonlijke verantwoordelijkheid. Voor hem was juist die morele leegte — het totale gebrek aan reflectie of berouw — een van de meest schokkende aspecten van zijn onderzoek. Het confronteerde hem met de banaliteit van het kwaad: gewone mannen die zonder aarzeling meewerkten aan massamoord en daar later geen enkele verantwoordelijkheid voor voelden.
Toch verdwenen de daders niet volledig uit beeld. Echo’s van Sobibor laat zien hoe sommige beulen pas decennia later werden opgespoord, soms bij toeval. In Brazilië herkende een overlevende een voormalige SS’er en een van de grootste beulen op straat, wat leidde tot nieuwe onderzoeken. Zulke late confrontaties tonen hoe de misdaad van Sobibor tot ver in de twintigste eeuw doorwerkte en hoe de waarheid zich niet volledig liet begraven. De juridische nasleep eindigde pas in 2011, met de veroordeling van Iwan Demjanjuk voor medeplichtigheid aan de moord op 29.000 Joden. Weliswaar ging hij in beroep, maar nog voordat het proces begon stierf hij in 2012. Daarmee kwam, bijna zeventig jaar na de opstand, een einde aan de formele rechtsgang rond Sobibor, maar de morele vragen die het kamp opriep bleven voortleven.
De strijd om herinnering
Die vragen vormden de basis voor een nieuwe strijd: die om herinnering. De Sobibor Tapes vormen een van de meest uitzonderlijke bronnen over het kamp. In de jaren tachtig legde Jules Schelvis achttien uur aan interviews vast met overlevenden, opgenomen met een eenvoudige consumentencamera. Omdat Sobibor geen bevrijd kamp was en er nauwelijks documenten bestonden, werden deze getuigenissen onmisbaar voor historisch onderzoek én voor de juridische vervolging van daders.
Toch heerste er decennialang stilte. In veel families werd niet gesproken over Sobibor; kinderen en kleinkinderen ontdekten pas op volwassen leeftijd wat er met hun familie was gebeurd. Die persoonlijke stiltes weerspiegelden een bredere maatschappelijke vergetelheid. Toen het Rode Leger in juli 1944 het gebied bereikte, trof het een leeg en stil terrein aan: barakken waren afgebroken, de gaskamers opgeblazen, het terrein geëgaliseerd en beplant. Zonder gebouwen, zonder sporen en zonder bevrijdingsbeelden.
Volgens Rosanne Kropman werd Sobibor zo grondig door de nazi’s afgebroken dat er nauwelijks iets overbleef om te laten zien; de totale vernietiging van het kamp maakte het vrijwel onmogelijk om de geschiedenis te begrijpen, te herdenken en zichtbaar te houden. In de jaren na de oorlog richtte de internationale aandacht zich bovendien vooral op kampen die nog zichtbaar waren en waar meer overlevenden waren, zoals Auschwitz, terwijl Sobibor nauwelijks getuigen had: van de tienduizenden gedeporteerden overleefden slechts enkelen, te weinig om meteen een breed publiek te bereiken. Het kamp paste ook niet in het vroege naoorlogse beeld van de Holocaust — er was geen poort, geen kampstructuur, geen iconografie die het verhaal kon dragen — waardoor Sobibor nog verder uit het collectieve bewustzijn verdween.

Ook de politieke context in Polen speelde een rol. In de communistische periode lag de nadruk, zoals Kropman uitlegt, op het lijden van het Poolse volk als geheel en niet op de specifieke vernietiging van Joden. Sobibor — een kamp dat vrijwel uitsluitend voor de moord op Joden was gebouwd — paste niet in het narratief dat vooral gericht op verzet en partizanen. Daardoor bleef het verhaal van Sobibor decennialang onderbelicht. Het terrein werd in de jaren zestig wel gemarkeerd met een eenvoudig monument, maar bleef verder een vergeten plek waar de bossen steeds dichter groeiden.
Direct na de oorlog gingen omwonenden het terrein op om te zoeken naar goud, vertelt Kropman. Er werd neergekeken op deze graafpraktijken, maar ze waren wijdverbreid. In de omgeving ontstonden kleine economietjes rondom de opgegraven kostbaarheden, waardoor sommige boerderijen zichtbaar welvarender werden. Het is een pijnlijk voorbeeld van hoe Sobibor niet alleen vergeten raakte, maar zelfs werd uitgebuit.
De terugkeer van Sobibor in het bewustzijn
Pas in de jaren zestig en zeventig kwam Sobibor langzaam terug in het bewustzijn. Rechtszaken tegen voormalige kampbeulen brachten nieuwe getuigenissen aan het licht, en overlevenden zoals Schelvis, Selma Engel-Wijnberg en Thomas Blatt begonnen hun verhalen te delen. Schelvis speelde een centrale rol in het opsporen en berechten van daders; hij reisde naar processen in Duitsland en hielp aanklagers om de structuur van het kamp te reconstrueren. Schelvis’ werk maakte duidelijk dat de geschiedenis van Sobibor niet alleen een verhaal van slachtoffers is, maar ook van daders die decennialang buiten beeld bleven.
Ook de persoonlijke strijd om erkenning was groot. Selma Engel-Wijnberg vertelde dat zij en haar man Chaim zich na de oorlog niet welkom voelden in Nederland en jarenlang moesten vechten voor erkenning van hun status als overlevenden van Sobibor. Hun ervaring weerspiegelt de bredere moeite om Sobibor een plaats te geven in de Nederlandse herinnering: een kamp zonder gebouwen, zonder beelden, zonder overlevenden en daardoor decennialang zonder stem.
Sobibor opnieuw zichtbaar
Vanaf het begin van de eenentwintigste eeuw bracht archeologisch onderzoek Sobibor opnieuw onder de aandacht. Onder de grond kwamen fundamenten van de gaskamers en talloze persoonlijke voorwerpen tevoorschijn. De archeologie maakte Sobibor opnieuw zichtbaar en bracht een verleden aan het licht dat decennialang verborgen was gebleven.
Volgens Rosanne Kropman verliep de totstandkoming van het nieuwe museum moeizaam. Het project werd vanaf het begin omgeven door politieke gevoeligheden in Polen en discussies over internationale betrokkenheid. De verschillende landen die bij Sobibor waren betrokken, moesten het eens worden over de vormgeving van de herdenkingsplaats en de reikwijdte van het archeologisch onderzoek.
Archeoloog Ivar Schute benadrukt dat Sobibor uniek is omdat het kamp bijna volledig werd vernietigd. Daardoor is archeologie geen aanvulling, maar een noodzakelijke bron:
De bodem is letterlijk het archief van Sobibor.

Tijdens het zeven van zand kwamen persoonlijke objecten tevoorschijn die het verleden een gezicht geven. Deze objecten zijn vaak het enige dat van de slachtoffers is overgebleven. Schute beschrijft zijn werk als een morele opdracht: elke vondst is een overwinning op de nazi’s, die juist wilden dat Sobibor uit het geheugen zou verdwijnen.
In 2020 werd het nieuwe museum geopend. Het hele terrein fungeert sindsdien als monument: het asveld is bedekt met stenen, de contouren van de Schlauch zijn in het landschap zichtbaar gemaakt en op de plek van de gaskamers kunnen bezoekers door glas kijken naar de originele stenen die bij de opgravingen zijn blootgelegd. Het hart van het museum bestaat uit archeologische vondsten die de slachtoffers individualiseren en Sobibor opnieuw een tastbare geschiedenis geven. ‘De voorwerpen zijn heel persoonlijk en daardoor brengen ze je ook voorbij het verhaal van het grote aantal slachtoffers,’ zegt Kropman.
Denk aan een kinderspeldje, kleurloos en versleten, maar onmiskenbaar Mickey Mouse. Daarvan zie je: hier is ooit een kind blij mee geweest. Zoiets zegt meer dan een abstract getal als 170.000 doden.

Sobibor vandaag
Sobibor is vandaag de dag een symbool van twee ogenschijnlijk tegenstrijdige werkelijkheden: de totale vernietiging van menselijke waardigheid én de kracht van verzet. Voor nabestaanden is het een plaats van rouw die extra zwaar weegt, omdat er geen individuele graven zijn. Ook in Nederland wordt jaarlijks stilgestaan bij de slachtoffers van Sobibor. Op 1 juni vindt bij het monument in het Amsterdamse Vondelpark de Sobibor-herdenking plaats, georganiseerd door Stichting Sobibor. De datum markeert de deportatie van ruim drieduizend Joden vanuit Westerbork in 1943. Tijdens de ingetogen plechtigheid worden getuigenissen voorgelezen, afgewisseld met muziek en momenten van stilte.
Zo blijft de herinnering aan Sobibor levend, zowel op de historische plek zelf als in de Nederlandse publieke ruimte. Stichting Sobibor organiseert daarnaast jaarlijks een verdiepingsreis naar het kampterrein en andere locaties van Aktion Reinhard, bedoeld voor nabestaanden, geïnteresseerden en vooral docenten. Door het terrein zelf te betreden, archiefmateriaal te bestuderen en in gesprek te gaan met onderzoekers en betrokkenen, wordt voelbaar hoe weinig er is overgebleven en hoe groot de leegte is die de nazi’s wilden achterlaten.
Voor overlevenden als Selma Engel-Wijnberg bleef Sobibor een levenslange aanwezigheid. In documentaires vertelt zij hoe zij na de oorlog met Chaim Engel trouwde en uiteindelijk in de Verenigde Staten terechtkwam. Nederland voelde voor haar nooit als een plek van rust; de herinnering aan het verlies van haar familie bleef te zwaar. Ze zei haar verhaal te vertellen “voor degenen die het niet kunnen”. Haar woorden staan symbool voor de manier waarop Sobibor generaties later nog doorwerkt. In Echo’s van Sobibor vertellen kinderen en kleinkinderen van overlevenden hoe het zwijgen in hun families en het verlies van hele bloedlijnen hun levens heeft gevormd. Sobibor is daarmee niet alleen een historische plek, maar ook een intergenerationeel litteken.
De herinnering aan Sobibor verschilt internationaal sterk. In Polen is het kamp veel minder bekend dan Auschwitz of Majdanek; in Israël staat vooral de opstand van 14 oktober 1943 centraal; in Nederland wordt Sobibor vooral gezien door de lens van de deportaties vanuit Westerbork en Vught. Deze uiteenlopende perspectieven tonen dat Sobibor geen eenduidige herinnering kent, maar vele.

Jules Schelvis vertelde in zijn gesprek met Rob Trip dat hij zich verplicht voelde om te blijven spreken over Sobibor. Zijn getuigenis was voor hem geen historische activiteit, maar een morele opdracht: het verhaal van de doden moest verteld blijven worden, juist omdat stilte precies was wat de daders wilden. Sobibor werd vergeten omdat het moest verdwijnen; het wordt herinnerd omdat historici, archeologen, nabestaanden en bovenal de overlevenden weigerden de stilte te accepteren. Dat het kamp vandaag weer zichtbaar is, danken we aan de stemmen die bleven spreken — tegen de leegte in die de nazi’s wilden nalaten. In die zin is ieder woord over Sobibor een overwinning op de nazi’s.
De negentien Nederlandse transporten naar Sobibor
| Vertrek | Aankomst | Aantal personen |
|---|---|---|
| 2/3 maart 1943 | 5/6 maart 1943 | 1.105 |
| 10 maart 1943 | 13 maart 1943 | 1.105 |
| 17 maart 1943 | 20 maart 1943 | 964 |
| 23 maart 1943 | 26 maart 1943 | 1.250 |
| 30 maart 1943 | 2 april 1943 | 1.255 |
| 6 april 1943 | 9 april 1943 | 2.020 |
| 13 april 1943 | 16 april 1943 | 1.204 |
| 20 april 1943 | 23 april 1943 | 1.166 |
| 27 april 1943 | 30 april 1943 | 1.204 |
| 4 mei 1943 | 7 mei 1943 | 1.187 |
| 11 mei 1943 | 14 mei 1943 | 1.446 |
| 18 mei 1943 | 21 mei 1943 | 2.511 |
| 25 mei 1943 | 28 mei 1943 | 2.862 |
| 1 juni 1943 | 4 juni 1943 | 3.006 |
| 8 juni 1943 | 11 juni 1943 | 3.017 |
| 29 juni 1943 | 2 juli 1943 | 2.397 |
| 6 juli 1943 | 9 juli 1943 | 2.417 |
| 13 juli 1943 | 16 juli 1943 | 1.988 |
| 20 juli 1943 | 23 juli 1943 | 2.209 |
| Totaal | 34.313 | |
Meer kijken en lezen
Voor wie meer wil weten over Sobibor zijn op NPO Start verschillende documentaires en reportages beschikbaar, waaronder Echo’s van Sobibor, Sobibor: het kamp dat niet bevrijd werd, NOS – Er reed een trein naar Sobibor, Herdenking opstand Sobibor – 80 jaar en Selma Wijnberg – De vrouw die Sobibor overleefde. Daarnaast biedt de Stichting Sobibor uitgebreide achtergrondinformatie over het vernietigingskamp, de slachtoffers en de geschiedenis van de Holocaust.
- Echo’s van Sobibor – NPO Start
- Sobibor: het kamp dat niet bevrijd werd – NPO Start
- NOS – Er reed een trein naar Sobibor – NPO Start
- Herdenking opstand Sobibor – 80 jaar – NPO Start
- Selma Wijnberg – De vrouw die Sobibor overleefde – NPO Start
- Stichting Sobibor
– Andere Tijden, Alle kinderen op transport. https://anderetijden.nl/aflevering/37/Alle-kinderen-op-transport (Geraadpleegd 31 mei 2026).
– Andere Tijden, De andere familie Frank. https://anderetijden.nl/aflevering/315/de-andere-familie-frank (Geraadpleegd 31 mei 2026).
– Elie A. Cohen., De 19 treinen naar Sobibor. Uitgeverij Noordboek, 2025 (2e herziene editie).
– Guida Joseph., Enkele reis Sobibor. De briefkaarten van mijn grootmoeder. Nijgh & Van Ditmar, 2025.
– Historiek, Ben Ali Libi, de goochelaar die in Sobibor werd vermoord. https://historiek.net/ben-ali-libi-michel-velleman-goochelaar/70877/ (Geraadpleegd 31 mei 2026).
– Historiek, Een archeoloog op zoek naar sporen van de Holocaust. https://historiek.net/een-archeoloog-op-zoek-naar-sporen-van-de-holocaust/135676/ (Geraadpleegd 31 mei 2026).
– Historiek, Het donkerste donker – een geschiedenis van Sobibor. https://historiek.net/het-donkerste-donker-een-geschiedenis-van-sobibor/160001/ (Geraadpleegd 31 mei 2026).
– Historiek, Het verhaal van de kindertransporten in brieven – Bijna 1300 kinderen op transport naar Sobibor. https://historiek.net/het-verhaal-van-de-kindertransporten-in-brieven/58922/ (Geraadpleegd 31 mei 2026).
– Historiek, Vermoord in Sobibor: Han Hollander, https://historiek.net/vermoord-in-sobibor-han-hollander/49914/ (Geraadpleegd 12 juni 2026).
– Historisch Nieuwsblad, Sobibor is lang een genegeerde plek geweest. https://www.historischnieuwsblad.nl/sobibor-is-lang-een-genegeerde-plek-geweest/ (Geraadpleegd 31 mei 2026).
– Ivar Schute., In de schaduw van een nachtvlinder. Een archeoloog op zoek naar sporen van de Holocaust. Prometheus, 2020.
– Jules Schelvis., Ooggetuigen van Sobibor. Ambo, 2010.
– Jules Schelvis., Vernietigingskamp Sobibor. De Bataafsche Leeuw, 2008 (8e druk).
– Martijn Eickhoff, Erik Somers & Jelke Take (red.), Excavating Sobibor. Holocaust Archaeology between Heritage, History and Memory. WBooks, 2024.
– Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD), Vernietigingskamp Sobibor, Archief 804. https://www.archieven.nl/nl/zoeken?mivast=0&mizig=210&miadt=298&miaet=1&micode=804&minr=1023673&miview=inv2
– NOS, Sterverslaggever Hollander ook vermoord, https://nos.nl/bevrijdingsjaar/bericht/2343157 (Geraadpleegd 12 juni 2026).
– NPO Start, De Sobibor Tapes – De vergeten interviews van Jules Schelvis. https://npo.nl/start/afspelen/de-sobibor-tapes-de-vergeten-interviews-van-jules-schelvis (Geraadpleegd 31 mei 2026).
– NPO Start, Herdenking opstand Sobibor 80 jaar. https://npo.nl/start/afspelen/herdenking-opstand-sobibor-80-jaar (Geraadpleegd 31 mei 2026).
– NPO Start, NOS – Er reed een trein naar Sobibor. https://npo.nl/start/afspelen/nos-er-reed-een-trein-naar-sobibor_3 (Geraadpleegd 31 mei 2026).
– NPO Start, Rob Trip in gesprek met Jules Schelvis. https://npo.nl/start/afspelen/rob-trip-in-gesprek-met-jules-schelvis (Geraadpleegd 31 mei 2026).
– NPO Start, Selma Wijnberg – De vrouw die Sobibor overleefde. https://npo.nl/start/afspelen/selma-wijnberg-de-vrouw-die-sobibor-overleefde (Geraadpleegd 31 mei 2026).
– NPO Start, Sobibor – Het kamp dat niet bevrijd werd. https://npo.nl/start/video/sobibor-het-kamp-dat-niet-bevrijd-werd/meer-informatie (Geraadpleegd 31 mei 2026).
– Oorlogsbronnen, Kindertransporten. https://www.oorlogsbronnen.nl/thema/Kindertransporten%20Kamp%20Vught (Geraadpleegd 31 mei 2026).
– Rosanne Kropman., Het donkerste donker. Een geschiedenis van Sobibor. Nieuw Amsterdam, 2023.
– Sobibor Interviews, https://www.sobiborinterviews.nl/nl/ (Geraadpleegd 12 juni 2026).
– Stephan Lehnstaedt., De kern van de Holocaust. Belzec, Sobibor, Treblinka en Aktion Reinhard. Uitgeverij Verbum, 2021.
– Stichting 4 en 5 mei, Vught kindergedenkteken. https://www.4en5mei.nl/oorlogsmonumenten/zoeken/1981/vught-kindergedenkteken (Geraadpleegd 31 mei 2026).
– Stichting Sobibor
– Stichting Sobibor, Verdiepingsreis, https://www.sobibor.org/verdiepingsreis/ (Geraadpleegd 14 juni 2026).
– Stichting Sobibor & Audiodroom Podcastproducties, De Stilte van Sobibor (podcast), 2025. https://www.sobibor.org/persbericht-de-stilte-van-sobibor/
– Ton Roozeboom., De Nazi moordfabrieken: Chelmno, Belzec, Treblinka, Sobibor. Uitgeverij Aspekt, 2017.
– United States Holocaust Memorial Museum, Sobibor. https://encyclopedia.ushmm.org/content/en/article/sobibor (Geraadpleegd 31 mei 2026).
– Yitzhak Arad., Belzec, Sobibor, Treblinka. The Operation Reinhard Death Camps. Indiana University Press, 1987.
Het Niemann Album – Foto’s van vernietigingskamp Sobibor
Aktion Reinhard: de vergeten moordmachine van de Holocaust
De Holocaust – Systematische Jodenvervolging door de nazi’s
Risiera di San Sabba, een nazi-concentratiekamp in Italië
Płaszów, het beruchte concentratiekamp uit Schindler’s List