Herinneringen en literatuur over de Februaristaking van 1941

We moeten iets dóén!
8 minuten leestijd
Raamplein Amsterdam, 25 februari 1941
Februaristaking op het Raamplein Amsterdam, 25 februari 1941 (Keimpe Sikkema)
Wat bewoog honderdduizenden Nederlanders die zich tijdens de Februaristaking van februari 1941 verzetten tegen de Jodenvervolging? Elsbeth Etty herlas wat over deze volksopstand is geschreven en werd opnieuw getroffen door Theun de Vries’ bekende roman ‘Februari’. Begin deze maand verscheen haar boek We moeten iets dóén!, waarin bekende en onbekende getuigenissen over de staking zijn samengebracht. Op Historiek plaatsen we een fragment uit het boek, over de gebeurtenissen van 25 februari 1941 en De Vries’ roman.

25 februari 1941

Ben Sijes, Gerard Maas, Theun de Vries, Lou de Jong en Wim Pelt1 beginnen hun overzicht van de gebeurtenissen op 25 februari met de poging een spoorwegstaking te ontketenen. Vanuit het perspectief van machinist Yp de Jong (Murk Aengwerda in Februari) beschrijft De Vries dat tussen vier en vijf uur ’s ochtends het werk op het rangeerterrein Rietlanden na heftige debatten wordt neergelegd en hoe dat vervolgens op het Centraal Station mislukte. Succesvoller zijn de werkverschaffingsarbeiders Wouter Kalf, Toon van Kampen en Jos Slagter, die op het Centraal Station en station Muiderpoort hun collega’s beletten naar de werkobjecten af te reizen en hen vervolgens aanmoedigen om in de stad mee te helpen bedrijven leeg te halen.

Het is allemaal zorgvuldig in kaart gebracht door Sijes en tot persoonlijke belevenissen omgewerkt door Theun de Vries, die ook zijn eigen bronnen had. Als eigen bronnen ontbraken, plakte hij die van Sijes op zijn romanpersonages. Het mooiste voorbeeld daarvan is zijn adaptatie van de getuigenis van een destijds zeventienjarige leerling van de Derde vijfjarige HBS:

Op weg naar school merkte ik de eerste tijd niets bijzonders: ik kon mij een weinig onrustig bezighouden met de natuurkunderepetitie, die mij het 3e lesuur wachtte. Bij de kruising Amstellaan-Rijnstraat was er echter iets […] er stond een tram stil en eromheen was een groep mensen druk aan het discussiëren. […] Hier hoorde ik voor het eerst van de staking. Na enkele momenten reed ik weer door naar school; de mogelijkheid van een staking hield mij nu bezig. […] De staking slaagde. Wij stapten op onze fietsen en togen naar het gebouw van de 2e O.H.S. aan de Jozef Israëlskade om te pogen hier steun te krijgen. De school was echter al begonnen, zodat ons geroep en gejoel langs de muren afstootte…

Toen begon onze tocht door de stad. Plotseling zette iemand ergens de roep in: ‘A, B, C, D, E, F, G, … weg met de moffen en de N.S.B.’ Dit was een succes en bleef de hele verdere weg onze strijdkreet. […] Vanaf het Roelof Hartplein schoot een klein zwart autootje met het kenteken ‘pol’ de Bronckhorststraat in. In volle vaart reed hij op de stoet in. De jongens en meisjes, die in de eerste rijen reden, konden nog net links en rechts passeren, de rest zag hiertoe geen kans. De fietsen werden neergegooid, een wilde run begon, het autootje kwam na een aantal fietsen gekraakt te hebben tot stilstand en meteen knalden de pistolen. […] Op weg naar huis kwam ik een vriend tegen op de Berlagebrug. Deze vertelde mij dat het geschiet geen slachtoffers had geëist.

Theun de Vries, auteur van 'Februari'
Theun de Vries, auteur van ‘Februari’ (Jack de Nijs / Anefo)
De zeventienjarige jongen die op dinsdag 25 februari een proefwerk ‘beschrijvende meetkunde’ heeft, maar liever een scholierenstaking organiseert, heet in Februari Jaapje Grutto, dezelfde die met zijn vriendinnetje Loekie Perquin bij de knokploeg van ijssalon Sano zat. Onderweg naar school – niet de Derde HBS, maar het Amsterdams Lyceum – fietst Loekie hem tegemoet en roept: ‘Jaapje…! Er gebeurt iets geweldigs! […] Ze staken…! De tram-.’ Jaapje stelt voor om mee te staken. Samen wachten ze hun medescholieren op en met een grote groep beginnen ze, bellend en leuzen roepend, aan een fietstocht door de stad. Jaapje vraagt of er iemand een lied of strijdkreet weet. ‘Ik heb het, ik heb het!’ antwoordt Loekie. ‘Ze zong op de wijze van een bakerrijm: A – B – C – D – E – F – G ! Dood aan de Moffen en de N.S.B.!’

De fietsende scholieren krijgen veel bijval, maar in de buurt van het Concertgebouw – ongeveer op de plek waar de stakende leerlingen van de Derde HBS werden beschoten – stuiten ze op gewapende rechercheurs.

Jaapje zag de revolver in de vuist van de stille. Hij staarde naar de kleine, zware, glanzende vuurmond, ten diepste verbaasd, nog niet eens ontsteld. Alles ging te snel. De rechercheur loste drie schoten achter elkaar, zij floten in de kring van jongelui, één ervan ketste tegen de stenen, midden tussen de voeten, één ervan werd door een fietsframe opgevangen. De derde raakte Jaapje Grutto in de linkerzij. […] Het leek lang te duren voor ze Jaapje in een deken hadden gerold en op de brancard gelegd, en wat zij vlak voor Loekies ogen in de wagen met de rode kruisen schoven, was alleen dit ingepakte, grijze voorwerp, dat niets te maken scheen te hebben met Jaapje Grutto, die des ochtends vroeg op het denkbeeld was gekomen om te gaan staken en het laatste uur naast haar had gefietst, uitgelaten en zonder vrees.

De zwaargewonde jongen wordt naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis gebracht, het Joodse CIZ. Hij sterft de volgende dag in aanwezigheid van Loekie, die hem een afscheidskus geeft; een roerende scène, die niet helemaal uit de lucht gegrepen is. De eerste stakingsdag raakten immers zes mensen gewond, van wie er vier in een ziekenhuis werden opgenomen. Op 26 februari – de dag waarop de fictieve Jaapje Grutto sterft – reden Duitse politiemannen in overvalwagens door de stad. Ze schoten in het wilde weg en gooiden handgranaten. In de Jan Pieter Heijestraat werd een jongen van vijftien gedood door een granaatscherf in zijn rug.

De stakingsoproep van de Febreuaristaking (Verzetsmuseum)
De stakingsoproep van de Februaristaking (Verzetsmuseum)

Op basis van slechts één getuigenis heeft De Vries getracht een geloofwaardig verhaal over stakende scholieren te maken. Dat kan niet worden gezegd van Gerard Maas, die het – zonder bronvermelding – heeft over ‘duizenden scholieren’ die ‘de volksactie’ kwamen versterken.

Ondanks alles is 25 februari 1941 de boeken ingegaan als een feestelijke dag, waarvoor Sijes de toon zette in zijn beschrijving van de eerste stakingsdag:

Een chauffeur van een zuivelproductenhandel zag omstreeks kwart voor acht overal samenscholingen voor fabrieken en werkplaatsen, alsmede troepen arbeidersmeisjes en arbeidersjongens die zingende van hun werk kwamen. […]

Vooral tussen 9 en 10 uur, toen de arbeiders van de overkant van het IJ in de stad kwamen, nam het aantal manifestaties hand over hand toe. In de arbeiderswijken en daar waar fabrieken en kantoren gevestigd waren, openbaarde zich die ochtend het ware hart van Amsterdam. In de Jordaan kwamen twintig fabrieksmeisjes bij een ander bedrijf, gooiden er de deuren open en riepen: ‘Meide, eruit! Er wordt gestaakt vandaag.’ […] In de Marnixstraat vormden arbeiders van de Stadsreiniging en anderen een grote demonstratie. In de Plantage Kerklaan liepen, zingend en demonstrerend, jongere en oudere mannen naar huis terug. […]

Men wist niet wie achter de staking stonden. Niemand vroeg ernaar en het kon ook trouwens niemand wat schelen. […] Het niet-rijden van de trams en het terugkeren van de stakende arbeiders uit de bedrijven veranderden het stadsbeeld. […] Stakers en niet-stakers werden in dit stadsbeeld tot demonstranten. […] Gezamenlijk trok men op – allen die reeds zo lang hun afkeer tegen de bezetter hadden willen uiten.

Het aanstekelijke enthousiasme over de omvang van de staking leidde ertoe dat een enorme massa mensen gehoor gaf aan de door de CPN verspreide oproep om ’s middags te demonstreren op de Noordermarkt. Sijes schrijft dat het daar om halftwee al zwart zag van de mensen.

Door de nauwe straten van de Jordaan, door de Westerstraat en de oude grachten trokken in de vroege middag vele duizenden naar de Noordermarkt […] Als een lopend vuurtje was het door Amsterdam en haar stakende bevolking gegaan, dat daar gezamenlijk tegen de Jodenvervolging zou worden geprotesteerd.

De communistische aanvoerder van de werkverschaffingsarbeiders, Wouter Kalf, vertelde Sijes dat er tienduizenden mannen en vrouwen op afkwamen en volgens Maas verdrongen zich zelfs ‘vele tienduizenden op de Noordermarkt, in de Westerstraat en andere straten en straatjes van de Jordaan’.

De Dokwerker - Monument ter nagedachtenis aan de Februaristaking
De Dokwerker – Monument ter nagedachtenis aan de Februaristaking (CC BY-SA 3.0 – Zanaq – wiki)

Theun de Vries is de enige die niet met (oncontroleerbare) aantallen demonstranten smijt. Zoals in hoofdstuk 2 van dit boek te lezen valt, beschrijft hij in Februari het dramatische verloop van de demonstratie vanuit het perspectief van Warner Bodde (Wouter Kalf), die wegens het hardhandige Duitse politieoptreden de demonstranten niet kan toespreken, op het nippertje ontsnapt aan de door verrader Meerlandt geïnstrueerde SD en ’s avonds op aanwijzing van een NSB’er alsnog wordt gearresteerd.

De Duitse reactie

Het had geruime tijd geduurd voordat de aanvankelijk totaal overrompelde Duitse bezettingsmacht de Grüne Polizei tegen de stakers inzette en met andere tegenmaatregelen kwam. SS‑ und Polizeiführer Rauter wilde koste wat kost voorkomen dat de staking – die al naar andere steden was overgeslagen – de volgende dag doorging. Het SS-Totenkopf-Bataillon uit Zandvoort werd naar Amsterdam gestuurd, evenals een extra bataljon Grüne en 250 marechaussees. Rond halfzeven ’s avonds verschenen er aanplakbiljetten op muren en zuilen met de mededeling:

Iedere demonstratie van welke aard ook, en dergelijke verschijnselen worden als tegen de Duitse bezettingsoverheid gericht opgevat en door Duitse veiligheidsorganen direct onderdrukt en neergeslagen.

We moeten iets dóén! - Elsbeth Etty
 
Via de radiodistributie en vijf geluidswagens werd er een uitgaansverbod (spertijd) afgekondigd: na halfacht mocht niemand de straat op. Bij overtreding zou de Duitse politie onmiddellijk schieten. ‘Tussen half acht en acht uur waren de straten volledig ontruimd,’ citeert Sijes een Duitse autoriteit. Volgens Gerard Maas voerden de ‘opgezweepte Duitse soldaten’ charges uit ‘en waar zich maar mensen op straat vertoonden (en het waren er velen) werd zonder meer geschoten. […] Diezelfde avond verschenen in een massaoplage de oproepen van de illegale CPN de staking ook de volgende dag voort te zetten en dan de 27ste in gesloten gelederen het werk te hervatten’.

In Februari wil vuilnisman Jeen Distelrooy (Dirk van Nimwegen) de door zijn vrouw Trudi gestencilde oproepen om de staking te prolongeren, vóór spertijd op de fiets bij een collega langsbrengen. Hij redt het niet om voor halfacht terug te zijn en wordt op weg naar huis doelwit van een colonne tanks en overvalwagens.

Jeen slingerde in het duister. Hij hoorde achter zich het geschreeuw van stemmen. Hij trapte uit alle macht, bijna in den blinde, toen de machinepistolen ratelden. Een korte bitse hageljacht van lood, een van de hagelstenen sprong tegen het spatbord van zijn fiets. Hij stoof zonder te remmen naar de kant van de straat, blinder dan voorheen, hij botste op goed geluk tegen een trottoirband, zijn voorvelg krijste. […] Hij lag stil als een stuk hout, een stuk stoepgraniet. […] De metalen wagens stoven over de Hoofdweg voorbij. Misschien dachten de vijanden dat ze hem doorzeefd hadden, dat hij ergens achter die fiets kapot in de goot lag. Er was verduiveld veel kans op geweest. […] Hij reed de Kinkerstraat in. Hij keek nog één keer om zich, spitste de oren. Geen sterveling meer op straat, goed of slecht.

Drie kwartier na het ingaan van de avondklok meldt hij zich bij zijn dodelijk ongeruste vrouw, die woedend en zonder een woord te zeggen begint met het herstellen van de bij de schietpartij opgelopen winkelhaak in zijn broek, die hij de tweede stakingsdag weer aan moet.

Noten

[1] Ben Sijes, De Februari-staking/25-26 februari 1941 (ROID, 1954)
Gerard Maas, Kronieken van de Februari-staking 1941 (1961)
Theun de Vries, Februari. Roman uit het bezettingsjaar 1941 (1962)
Lou de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog (1969 – 1944)
Wim Pelt, Vrede door revolutie (1990)
×