‘De grootste strop die de Duitsers hier in Nederland kunnen hebben, is als de pers bij Enschedé in de soep loopt,’ zei Anton Mussert tijdens de oorlog. De NSB-leider sloeg daarmee de spijker op de kop. Het Haarlemse drukkersbedrijf was voor de bezetter inderdaad van cruciaal belang. Het drukte niet alleen de Nederlandse bankbiljetten en postzegels maar ook distributiebonnen voor de voedselvoorziening, Winterhulpbonnen en -loten en stafkaarten voor de Wehrmacht. De Duitsers bestempelden Joh. Enschedé en Zonen daarom als Kriegswichtig, belangrijk voor de oorlogsvoering. Zij kwamen er regelmatig over de vloer voor overleg.
Icoon
Joh. Enschedé is een icoon in de Haarlemse geschiedenis. Een eeuwenoud bedrijf met een reputatie tot ver buiten de landsgrenzen op het gebied van gespecialiseerd en beveiligd drukwerk. Het bestaat nog altijd onder de naam Koninklijke Joh. Enschedé. Tegenwoordig werken er zo’n zeventig mensen. Een halve eeuw geleden waren er dat nog zo’n 1200. Tijdens de Tweede Wereldoorlog had Enschedé ruim 800 mensen in dienst. Wie er werkte, liep aanzienlijk minder kans om naar Duitsland te worden gestuurd in het kader van de Arbeitseinsatz. De productie in dit vitale bedrijf moest immers kost wat kost doorgaan.
Door de knieën

Winterhulp
De Kempenaer toonde zich al meteen een pleitbezorger van het drukken voor Winterhulp. Rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart had deze organisatie voor sociale hulp naar Duits voorbeeld in het najaar van 1940 het leven geroepen. Voor het publiek was al snel duidelijk dat er een sterk nationaalsocialistisch tintje aan zat, al was het maar omdat NSB’ers graag met de collectebus voor Winterhulp op pad gingen.

Fors verdiend
Op voorspraak van De Kempenaer ging Joh. Enschedé miljoenen bonnen en loten voor Winterhulp drukken. Het bedrijf verdiende er fors aan. Alleen al in november 1941, toen de productie startte, leverde dit een nettowinst op van ruim 3500 gulden (nu zo’n 33.000 euro). Joh. Enschedé heeft trouwens tijdens de oorlogsjaren goed geboerd. Bedroeg de nettowinst in het boekjaar 1939-1940 nog maar 64.000 gulden(1,5 miljoen euro), in 1940-1941 was dat gestegen tot bijna 450.000 gulden (ruim 9 miljoen euro).
De afdelingen bankbiljetten en postzegels deden het goed, maar het meeste bracht het drukken van distributiebonnen en Winterhulpbonnen op. Doordat het bedrijf prima draaide, kon er goed worden gezorgd voor het personeel. Dat werd tijdens de oorlog getrakteerd op paling, warme maaltijden en in de Hongerwinter op gratis brandhout.
NSB-propagandafilm
Op voorspraak van De Kempenaer mocht Winterhulp ook een film opnemen in het bedrijf. Dat was bijzonder omdat de policy van Enschedé was: wat er in het bedrijf gebeurt, mag niet naar buiten worden gebracht.
Nóg een stap verder: ook een filmploeg van de NSB werd door zijn toedoen toegelaten. Zij nam eind 1942 in het bedrijf een propagandafilm op voor de foute Legioenzegels. De opbrengst van deze zegels met toeslag kwam, aldus de commentaarstem bij het filmpje, ten goede ‘aan onze mannen die aan het Oostfront hun plicht doen in de strijd tegen het bolsjewisme.’ Pure nazipropaganda dus.

Stafkaarten
Uiterst bedenkelijk was verder het feit dat Joh. Enschedé tijdens de oorlog stafkaarten drukte voor de Wehrmacht. Dat waren zeer gedetailleerde militaire kaarten waarmee de Duitsers schade konden toebrengen aan de Geallieerde oorlogsvoering. De Kempenaer beweerde dat dergelijke kaarten gewoon mochten worden gedrukt. Het drukken van de stafkaarten was echter in strijd met het Landoorlogreglement van 1907 en met aanwijzingen die generaal Winkelman kort na de capitulatie van het Nederlandse leger had gegeven. Lucratief was het wel. ‘Wij hebben een aanmerkelijke winst gemaakt met de vier Schotse stafkaarten voor de Duitsche Weermacht,’ zo werd in 1941 in de directievergadering met tevredenheid vastgesteld.
Ook goede dingen
Aan de andere kant deed De Kempenaer ook een aantal goede dingen. Hij wist te bereiken dat personeelsleden niet naar Duitsland werden gestuurd. Al was dat laatste ook in het belang van de Duitsers zelf, want zonder voldoende personeel zou het bedrijf stil zijn komen te liggen. De Kempenaer deed tijdens de Hongerwinter ook zijn best om voedsel te regelen voor het Enschedé-personeel. Verder heeft hij aan het einde van de oorlog nog een bescheiden bijdrage aan het verzet geleverd. Misschien ook wel om zijn blazoen wat op te poetsen.

Steun aan het verzet
De Enschedé-directie wilde zich tijdens de oorlog verre houden van medewerking aan het verzet. Dat zou immers, als het ontdekt werd, het voortbestaan van het bedrijf in gevaar kunnen brengen. Onderzoek in het bedrijfsarchief wijst echter uit dat er in het geheim toch steun werd gegeven aan verzetsactiviteiten.
Zo had directeur Dithmar Huijsman intensief contact met de bekende verzetsman Gerrit Jan van der Veen. Deze schilder, beeldhouwer en ontwerper had voor de oorlog voor Joh. Enschedé enkele ontwerpen voor bankbiljetten gemaakt, die overigens niet in circulatie waren gekomen. Van der Veen vroeg Huijsman om behulpzaam te zijn bij vervalsingen van distributiebonnen en persoonsbewijzen. Huijsman, zelf een expert op dit gebied, stemde toe. Pas na de bevrijding biechtte hij dit op bij zijn collega-directeur Frans Enschedé. Die was niet trots op hem maar juist kwaad, omdat hij door het illegale werk het bedrijf in gevaar had gebracht.
Sem Hartz
Ook grafisch ontwerper Sem Hartz, die sinds de jaren dertig voor Enschedé werkte, was betrokken bij vervalsingswerk. Als Jood moest hij op een gegeven moment onderduiken. Hij ging echter door met het ontwerpen van postzegels, die als camouflage op naam van iemand anders werden gezet. Hartz genoot de twijfelachtige eer dat een door hem ontworpen 40-centszegel van Cornelis Evertsen de Jongste, de favoriete zegel was van Seyss-Inquart. De rijkscommissaris is zelf maar één keer op bezoek geweest bij het bedrijf, kort voor de bevrijding. Hij toonde zich meer geïnteresseerd in de fraaie boekencollectie van Joh. Enschedé dan in de technische werkprocessen.

Bijna gebombardeerd
Het heeft overigens niet veel gescheeld of het grote bedrijfscomplex van Joh. Enschedé was tijdens de oorlog in één grote puinhoop veranderd. In 1943 drong het Nederlandse verzet erop aan, het bedrijf te bombarderen omdat de tweede distributiestamkaart die er werd gedrukt door de koppeling aan het persoonsbewijs de ongeveer honderdduizend onderduikers fataal zou worden. Zij konden dan niet meer aan distributiebonnen voor voedsel komen.

Geen vervolging
Joh. Enschedé en Zonen is na de oorlog niet wegens collaboratie vervolgd, al lag dat wel voor de hand. Het bleef bij de constatering dat Wim van Andringa de Kempenaer ‘wel heel goede vriendjes’ met de Duitsers was geweest. Hij werd niet opgeroepen om zich voor zijn houding te verantwoorden.
Het Enschedé-dossier werd al snel gesloten. Dat was overigens geen uitzondering. In het naoorlogse Nederland werden de meeste bedrijven die hadden samengewerkt met de Duitsers niet vervolgd. De captains of industry werden ontzien, ze waren onmisbaar voor de wederopbouw van het land. Tekenaar L.J. Jordaan gaf deze gang van zaken in een prent treffend weer: hoge bomen vangen weinig wind.

Joop en Ad Hoogendoorn: strijders voor het vrije woord
‘Onze toon is erop berekend onze vijanden moreel te vernietigen’
Haarlem in de Tweede Wereldoorlog
Bloembollenbolleboos: Jacob Heinrich Krelage