Gerrit de Stotteraar was in de twintigste eeuw een van de bekendste inbrekers van Nederland, berucht om zijn vele ontsnappingen. In de jaren vijftig gold hij als gevaarlijke crimineel, later groeide hij uit tot een bijna legendarische figuur. Criminoloog Hagar Peeters schreef een mooie biografie over deze opvallende inbreker: Gerrit de Stotteraar. Biografie van een boef (De Bezige Bij, 2016). Daarin wordt niet alleen het levensverhaal van van de meesterinbreker geschetst, maar ook inzichtelijk gemaakt hoe het Nederlandse straf- en gevangeniswezen na de Tweede Wereldoorlog ingrijpend veranderde.
Jeugd
Meesterboef Gerrit de Stotteraar werd op 20 januari 1920 als Gerrit Brom geboren in een liberaal-katholiek gezin aan de Borgerstraat in Amsterdam-West. Zijn eerste herinnering was het ontfutselen van het gouden zakhorloge van zijn opa, bij wie hij op schoot zat. Hij gooide dit horloge vervolgens in een ton met palingen. Peeters vervolgt:
Van de ene op de andere dag, toen hij vier jaar geworden was, begon zijn eigen tong hem tegen te werken Hij vroeg niets meer en bloosde wanneer hij aangesproken werd. Op school werd hij gepest. Bij klassikale beurten sloegen zijn onderwijzers hem over. (19)

Op zijn vijftiende, na het afronden van de lagere school (Gerrit had een paar jaar vertraging opgelopen), ging hij aan het werk als fietsjongen bij een drukkerij. Daarna had hij nog een paar losse, tijdelijke baantjes, maar telkens haakte Gerrit snel af. Een werkloosheidscursus bood evenmin soelaas, waarna de Gemeentelijke Nazorg hem tot twee keer toe bij de ‘Werkverschaffing voor onvolwaardigen’ plaatste.
Opnieuw lukte het Gerrit, die een baantje in een cafetaria kreeg aangeboden, niet om zich te handhaven. Hierna, in 1938, besloot de kinderrechter om Gerrit in het Rijksopvoedingsgesticht De Kruisberg in Doetinchem te plaatsen. Hier zaten 180 jongens, die omgevormd moesten worden tot ‘flinke, eerlijke kerels’. Een psychiater beoordeelde het gedrag van de jongens, keek of de dwangopvoeding aansloeg en schreef hierover dan rapporten:
Deze psychiatrische rapportage is de eerste van ten minste zestien voorlichtingsrapportages, observatierapporten en psychiatrische rapporten die tussen 1938 en 1962 over De Stotteraar zijn uitgebracht. (28)
De rapporten waren niet echt positief over Gerrit – hij was onmaatschappelijk, emotioneel, nerveus en had een vaag ethisch besef -, wat ervoor zorgde dat hij veertig jaar van instelling naar instelling verplaatst zou worden.

Inbrekerscarrière van Gerrit de Stotteraar
In december 1939 ontsnapte Gerrit uit de Rekkensche Inrichtingen waarnaar hij enkele maanden eerder was overgeplaatst. Hij vertrok naar Amsterdam waar hij op 3 januari 1940 zijn eerste inbraak pleegde – nota bene bij de hoofdcommissaris van de politie – om aan geld te komen. De Stotteraar werd opgepakt en een jaar lang in de cel gezet.
In de jaren na de Tweede Wereldoorlog bleef De Stotteraar zich onderscheiden als dief, waarbij hij ook minderbedeelde medeburgers niet spaarde. Dit leverde soms fikse veroordelingen op, zoals acht jaar gevangenisstraf in 1957. Voortdurend wist de atletische Gerrit echter uit de gevangenis te ontsnappen, bijvoorbeeld door zich te vermommen of door de tralies door te vijlen. Naast kruimeldiefstal hield Gerrit zich in deze jaren ook bezig met het rekruteren van vrouwen voor naaktschilderijen. Onder de naam ‘Aalbers’ plaatste hij op 17 juli 1956 een advertentie in Het Parool voor vrouwelijke modellen. Peeters:
Aan vrouwen die reageerden vertelde hij dat hij fotograaf was en in opdracht van kunstschilders naaktfoto’s maakte, In andere gevallen noemde hij zichzelf kunstschilder en fotograaf. (89)
Wim T. Schippers schreef zelfs een lied over de Stotteraar, gezongen door Gerrit Dekzeil, getiteld: Ik ben Gerrit, ik steel als de raven (hieronder te beluisteren).
Mediabeeld

Werd hij in de jaren veertig en vijftig afgeschilderd als door en door asociaal, dief van de armen en ‘onverbeterlijk psychopaat’ – vanaf halverwege de jaren zestig bleven morele veroordelingen goeddeels achterwege, of werd hij tegen de achtergrond van de toenemende verharding van de criminaliteit juist afgeschilderd als een man die in zijn diepste wezen goed is, en die in tegenstelling tot moderner geboefte iedere vorm van gewelddadigheid schuwt. Uit de Kamerdebatten in deze periode wordt eveneens duidelijk dat de aandacht van relatief ongevaarlijke delicten verschoof naar de meer ernstige en gewelddadige. (173,174)
Moordenaar Hendrik Jut en zijn kop-van-jut
Als een dief in de nacht – Herkomst van de uitdrukking
Eenzame opsluiting was vroeger écht eenzaam
De Duitse diamantenroof uit Nederland en België
Turfdiefstal in Brabant – een rechtszaak uit 1853
Vincenzo Peruggia stal de Mona Lisa uit het Louvre (1911)