Op Tasmanië getuigen veel straten, bruggen en gebouwen nog altijd van lijden en ontberen. Deze voor de kust van Australië gelegen archipel was het toneel van een lange tijd verzwegen geschiedenis. In de negentiende eeuw stuurde het British Empire meer dan zeventigduizend strafgevangenen naar Tasmanië om hen daar tot inkeer te laten komen en hun leven te verbeteren.
Daarmee werd het in feite één grote strafkolonie onder de vrije hemel. Waar nodig werd de inheemse bevolking verjaagd, de veroordeelden uitgebuit en dat alles ten voordele van de Engelse kroon. Tasmanië deed dienst als proefstation waar isolatie moest leiden tot loutering van zielen en tot schepping van een nieuwe samenleving.

Daar werden ze aan een uitvoerig verhoor onderworpen. Niets ontging de scherpe blik van de gevangenisleiding en ieder lichaamskenmerk werd tot in detail schriftelijk vastgelegd in een kaartensysteem. Haarkleur, tatoeages en andere lichaamskenmerken werden zorgvuldig geregistreerd, maar vooral ook waartoe de gevangenen lichamelijk in staat waren. Op basis daarvan werden zij verdeeld over verschillende werkgevers op het eiland.
Dwangarbeid

Heropvoeding en straf
Port Arthur ligt op de zuidpunt van een schiereiland en was het meest beruchte strafkamp van Tasmanië. Gesticht in 1830 als een nederzetting voor houthakkers, werd Port Arthur drie jaar later omgevormd tot een gevangenis met een uiterst hard regime, waarin straf en afschrikking centraal stonden. Port Arthur behoorde tot de categorie van de secundaire strafinrichtingen, waar diegenen opgesloten en heropgevoed moesten worden die op het dieptepunt van het detentiesysteem waren beland. Het strafkamp groeide daarmee uit tot een symbool van de harde en strenge aanpak van het koloniale gezag. Lange tijd werden gedetineerden er geketend en zwaar lichamelijk gestraft.

Later werden onder invloed van religieuze instellingen de lijfstraffen meer en meer ingeperkt. Een periode van eenzame opsluiting moest vanaf 1850 de gevangen tot berouw over hun misdaden brengen. Niet onder hun eigen naam, maar onder een nummer. Als ze door een bewaarder werden aangesproken, wat slechts zelden gebeurde, dan sprak deze hen met dat nummer aan. Alles was erop gericht gevangenen te disciplineren en om te vormen tot personen die voldeden aan de normen van de koloniale samenleving.
De afgelegen locatie van Port Arthur versterkte dit harde strafregime alleen nog maar. Tientallen woeste waakhonden waren een onneembare hindernis voor de weinigen die het in hun hoofd haalden om de benen te nemen. Toch bestonden er uitzonderingen in dit oord vol ontbering. Wie bereid en in staat was om een ambacht te leren, kon uiteindelijk toestemming krijgen om dit onder de vrije hemel uit te oefenen.
Bush rangers en het leven in de Midlands
Sommige gevangenen probeerden naar de binnenlanden van Tasmanië te vluchten, de zogenoemde ‘Midlands’. Daar wachtte hun een zacht glooiend heuvelgebied met eucalyptusbomen. Gedurende de eerste decennia van de kolonie was het bestaan een strijd van overleven geweest omdat er te weinig voedsel was. Zo ontstond een situatie die men later ‘kangoeroe-bestaan’ is gaan noemen. Het gezag liet veel strafgevangenen in de Midlands aan hun lot over, met de boodschap dat zij zelf maar in hun dagelijkse onderhoud moesten voorzien. Vervolgens gingen de strafgevangenen op jacht naar kangoeroes, opossums, wallaby’s en alles wat enigszins eetbaar was.

Velen van hen maakten van deze situatie gebruik om niet meer terug te keren en gingen als zogenoemde ‘bush rangers’ leven. Als struikrovers overvielen zij grote boerderijen en postkoetsen die over afgelegen wegen trokken. Deze bush rangers waren overigens niet de enigen die zich in de bossen schuil hielden. Ook het Palawa-volk leefde daar, de oerbewoners van Tasmanië. Ontmoetingen met deze inheemse bewoners draaiden doorgaans uit op geweld, al waren er uitzonderingen. Sommige bush rangers mengden zich onder de Palawa-stammen en namen hun gewoonten over. Ze trouwden af en toe zelfs met Palawa-vrouwen en verwekten kinderen. De gouverneur vreesde dat de kolonie hierdoor op den duur een inheems karakter zou krijgen. Hij vaardigde daarom een bevel uit dat de kolonisten verbood om huizen te bouwen zoals de inheemse bevolking dat deed of vergelijkbare kleding te dragen. Zo hoopte hij ook op de lange duur de controle over de kolonie te handhaven. Onder deze omstandigheden groeide de eerste weerstand tegen het koloniale gezag.
Cascades Female Factory
In de heuvels rond Hobart stond de Cascades Female Factory, een strafinrichting die uitsluitend voor vrouwen bedoeld was. Gedurende enkele decennia werden hier meer dan zevenduizend vrouwen uit Groot-Brittannië en Ierland opgesloten en bijna tweeduizend kinderen geboren. Het betrof vrouwen die hun huishouden ontvlucht waren, voor dronkenschap waren opgepakt of het gewaagd hadden om een gezagdrager tegen te spreken. De straf die hen dat opleverde was hard en barbaars: ketening, uithongering en dagenlange opsluiting in duisternis en eenzaamheid. Zodra de deur achter hen met de grendel werd gesloten, konden zij zich slechts tastend langs de celmuren een beeld vormen van hun kale onderkomen, waarin een emmer met deksel als latrine diende.

Het ingrijpendst ervoeren velen echter het afscheren van hun haren, waarmee zij een laatste gevoel van waardigheid verloren. Tijdens hun dagelijkse werk grepen de vrouwen vaak alle gelegenheid aan om sabotage te plegen, vooral bij de vervaardiging van textiel. Ze drukten dan linten, banden en knopen achterover waarmee ze hun sobere gevangenistenue versierden. Ook gebruikten ze hun stem om verzet te plegen door provocerende en obscene liedjes te zingen. Rond 1840 werden deze spontane zangkoren steeds groter en namen zij het karakter aan van collectieve protestacties. Deze vormen van verzet brachten de gevangenisleiding herhaaldelijk in moeilijkheden en leidden uiteindelijk tot een dagenlange opstand, die met geweld werd neergeslagen.
Stukje bij beetje groeide onder delen van de koloniale samenleving de kritiek op het bestaande systeem. In kerken en woonkamers verhieven kolonisten hun stem tegen de hardvochtigheid en onrechtvaardigheid die Tasmanië in hun greep hielden. Onder druk van de publieke opinie schafte de regering in Londen in 1853 de deportatie van gevangenen af. Vijftien jaar later kwam er een einde aan de status van strafkolonie. Sindsdien verbleekt met iedere nieuwe generatie de zogenaamde ‘Convict Stain’, zoals de schaamte over het verleden als strafkolonie ook wel wordt genoemd.

Tegenwoordig bezoeken veel mensen Hobart en Port Arthur om zich in dit verleden te verdiepen, niet zelden omdat een van hun voorouders deel uitmaakte van het systeem van deportatie en dwangarbeid. Waar dit verleden lange tijd met schaamte werd omgeven, maakt die schaamte tegenwoordig steeds vaker plaats voor trots op het doorzettingsvermogen van voorouders die dit harde bestaan wisten te overleven. Uit de koude cellen van de strafkolonie kwam uiteindelijk een drang voort naar de rechtsgelijkheid die tegenwoordig aan de basis staat van de Australische democratie. Zo zette het land als voorloper op het gebied van arbeidsrecht ooit als eerste de stap naar de achturige werkdag.
Australië, kolonie voor gevangenen en gelukzoekers
Van wees tot werkpaard: het harde leven in de Kinderkolonie
De Nederlandse strafkolonies van Ommerschans en Veenhuizen
Australië 1935 – Haaialarm om een arm
MS Oranje, passagiersschip met een roerige geschiedenis
Het Sydney Opera House, icoon van Australië