Jonge jaren in het rijke Leiden
Leiden was zeer welvarend toen Jan Steen er ter wereld kwam. Na Amsterdam was het de grootste stad van de Republiek, met een bloeiende industrie (vooral lakennijverheid), een grote groep welvarende bewoners (met de middelen om kunst te verzamelen) en een universiteit die studenten en geleerden uit de hele wereld aantrok. In Leiden werden bovendien opvallend veel kunstenaars geboren: in 1494 Lucas van Leyden, in 1571 Jacob Isaacsz. van Swanenburg, in 1584 David Bailly, in 1596 Jan van Goyen, in 1606 Rembrandt.
En zo ging het maar door: Jan Lievens (1607), Gerrit Dou (1613), Jan Steen (1626), Gabriël Metsu (1629), Frans van Mieris (1635), Pieter van Slingeland (1640), Godfried Schalcken (1643)… Vele andere kunstenaars, soms afkomstig uit het verre Antwerpen of Gent, vestigden zich in Leiden omdat ze werden aangetrokken door het culturele klimaat. Ze kenden elkaar, hadden les van elkaar, concurreerden met elkaar, keken de kunst van elkaar af, en zaten met elkaar in de kroeg te pimpelen. Biografen als Arnold Houbraken (1660–1719) en Jacob Campo Weyerman (1677–1747) legden die kunstenaarslevens vast, vaak aangedikt met grappige anekdotes en sappige roddels. En nu? Schilderijen van Leidse meesters zijn te zien in musea over de hele wereld.

Jan Steen werd in 1626 geboren als oudste zoon van Havick Janszoon Steen en Elisabeth Capiteyns. Na hem volgde nog een aantal kinderen, luisterend naar mooie namen als Wijbrand, Margaretha, Swaentje, Maria, Emerentia, Duifje en Catharina. Omdat vader Havick de brouwerij van zijn familie had overgenomen, leefde het gezin in betrekkelijke welstand. Het waren gouden tijden voor de Leidse brouwers, want tussen 1630 en 1650 verdubbelde de Leidse bierproductie. Bier – met een laag alcoholpercentage – was een eerste levensbehoefte, want het gewone water was zo vervuild dat iedereen bier dronk. De brouwerij van Havick Steen, ‘De Rode Hellebaert’, waar het gezin ook een aantal jaren woonde, bevond zich aan de Vliet, vlak achter het Rapenburg.

Maar zodra Jan de Latijnse school binnenstapte, kwam hij in een andere wereld terecht. Achter de muren van het gebouw met de karakteristieke trapgevel kreeg hij les in Grieks en Latijn, en in vakken zoals schrijven, geschiedenis, wiskunde, welsprekendheid en logica. Ook tekenen, Bijbelkennis en het lezen van verhalen van onder anderen Ovidius en Cicero behoorden tot het lesprogramma. Dat zou hem allemaal later nog van pas komen.
Na de Latijnse school kon Jan zich inschrijven aan de Leidse universiteit en dat deed hij in november 1646. Wat was zijn toekomstbeeld? Wilde hij een studie voltooien, of had hij zich vooral ingeschreven omdat hij als student vrijgesteld werd van belasting op bier en wijn, en niet zou worden opgeroepen voor de schutterij? Zijn studententijd duurde niet lang, want nog geen anderhalf jaar later, op 18 maart 1648, trad hij als meester-schilder toe tot het recent opgerichte Leidse Sint-Lucasgilde.

Om dat te kunnen doen, moet hij al les hebben gehad van andere schilders. Volgens zijn biografen had Steen lessen gevolgd bij Nicolaus Knüpfer in Utrecht, bij de uit Leiden afkomstige Jan van Goyen en bij Haarlemmer Adriaen van Ostade, maar jammer genoeg zijn hierover geen archiefstukken bekend. Hoe het ook precies is gegaan: met zijn inschrijving bij het gilde legde Jan Steen de basis voor zijn loopbaan als kunstenaar.
Schildersvonk
Hoe kwam Steen op het idee om kunstenaar te worden? Waarom ging hij niet bij zijn vader in de zaak, die hem het bierbrouwen had geleerd? Speelde de plotselinge crisis in de Hollandse brouwindustrie een rol? Zagen zijn ouders een getalenteerde schilder in hem, moedigden familieleden hem aan, of had iets anders de schildersvonk in hem doen ontbranden?

Het is onbekend wat of wie Jan Steen heeft aangespoord om het penseel ter hand te nemen. Maar kort na zijn inschrijving bij het gilde ging hij aan de slag in het Haagse atelier van de landschapsschilder Jan van Goyen – en werd prompt verliefd op Van Goyens dochter Margaretha (Grietje). Gelukkig waren ze beiden katholiek en in 1649 traden ze met elkaar in het huwelijk. Kort na hun trouwen schilderde Steen zichzelf en Grietje in Bijbellezend paar. Zijn leven lang zou hij de gewoonte blijven koesteren om zichzelf en zijn dierbaren in zijn schilderijen te laten figureren. Met Grietje kreeg hij zeven kinderen die de volwassen leeftijd bereikten: Thaddeus, Eva, Constantinus, Havick, Johannes, Catharina en Cornelis. De gezichten van de kleine Steentjes kennen we – het is zeer waarschijnlijk dat Steen voor schilderijen als Het Sint-Nicolaasfeest (zie openingsafbeelding) en Kinderen leren een poes dansen zijn eigen kinderen als model inzette.

Jan Steen (1625-1679) – Vrolijke kunstenaar uit de Gouden Eeuw
Jan Steen bracht leven in de brouwerij
Een huishouden van Jan Steen – Herkomst van de uitdrukking
Jan Steen en de historieschilderkunst
Het Leidens Ontzet (1574) – Hutspot, haring en wittebrood