Vierhonderd jaar Jan Steen: kind van een bloeiende kunstenaarsstad

Thuis bij Jan Steen
5 minuten leestijd
‘Eerlijk zullen we alles delen, ik een beetje meer dan jij’ kan allicht leiden tot tranen. ‘Het Sint Nicolaasfeest’ schilderde Jan Havicksz. Steen tussen 1665 en 1668.
Jan Steen, Het Sint-Nicolaasfeest, ca. 1665–1668
In 2026 is het vierhonderd jaar geleden dat schilder Jan Steen in Leiden werd geboren, destijds een welvarende stad met een opvallend rijk kunstenaarsklimaat. Museum De Lakenhal in Leiden staat de komende maanden stil bij deze geschiedenis met de tentoonstelling ‘Thuis bij Jan Steen’. Bij uitgeverij Waanders verschijnt gelijktijdig een gelijknamig boek, waarin Gerdien Verschoor en Lea van der Vinde het leven en de Leidse omgeving van de kunstenaar belichten. Het rijk geïllustreerde boek besteedt onder meer aandacht aan de vele – vaak komische – details in Steens schilderijen en zijn bekende ‘huishoudens’. Op Historiek publiceren we een fragment uit het boek, over zijn vroege jeugd.

Jonge jaren in het rijke Leiden

Leiden was zeer welvarend toen Jan Steen er ter wereld kwam. Na Amsterdam was het de grootste stad van de Republiek, met een bloeiende industrie (vooral lakennijverheid), een grote groep welvarende bewoners (met de middelen om kunst te verzamelen) en een universiteit die studenten en geleerden uit de hele wereld aantrok. In Leiden werden bovendien opvallend veel kunstenaars geboren: in 1494 Lucas van Leyden, in 1571 Jacob Isaacsz. van Swanenburg, in 1584 David Bailly, in 1596 Jan van Goyen, in 1606 Rembrandt.

En zo ging het maar door: Jan Lievens (1607), Gerrit Dou (1613), Jan Steen (1626), Gabriël Metsu (1629), Frans van Mieris (1635), Pieter van Slingeland (1640), Godfried Schalcken (1643)… Vele andere kunstenaars, soms afkomstig uit het verre Antwerpen of Gent, vestigden zich in Leiden omdat ze werden aangetrokken door het culturele klimaat. Ze kenden elkaar, hadden les van elkaar, concurreerden met elkaar, keken de kunst van elkaar af, en zaten met elkaar in de kroeg te pimpelen. Biografen als Arnold Houbraken (1660–1719) en Jacob Campo Weyerman (1677–1747) legden die kunstenaarslevens vast, vaak aangedikt met grappige anekdotes en sappige roddels. En nu? Schilderijen van Leidse meesters zijn te zien in musea over de hele wereld.

Jan van Goyen, Gezicht op Leiden uit het noordoosten, 1650. Paneel, 66,5 x 97,5 cm Museum De Lakenhal, Leiden
Jan van Goyen, Gezicht op Leiden uit het noordoosten, 1650. Paneel, 66,5 x 97,5 cm. Museum De Lakenhal, Leiden. Uit: Thuis bij Jan Steen

Jan Steen werd in 1626 geboren als oudste zoon van Havick Janszoon Steen en Elisabeth Capiteyns. Na hem volgde nog een aantal kinderen, luisterend naar mooie namen als Wijbrand, Margaretha, Swaentje, Maria, Emerentia, Duifje en Catharina. Omdat vader Havick de brouwerij van zijn familie had overgenomen, leefde het gezin in betrekkelijke welstand. Het waren gouden tijden voor de Leidse brouwers, want tussen 1630 en 1650 verdubbelde de Leidse bierproductie. Bier – met een laag alcoholpercentage – was een eerste levensbehoefte, want het gewone water was zo vervuild dat iedereen bier dronk. De brouwerij van Havick Steen, ‘De Rode Hellebaert’, waar het gezin ook een aantal jaren woonde, bevond zich aan de Vliet, vlak achter het Rapenburg.

Hendrick van der Burgh, Promotieoptocht aan de Leidse universiteit, ca. 1650 Doek, 74,5 x 61 cm. Rijksmuseum, Amsterdam, in langdurig bruikleen aan Museum De Lakenhal
Hendrick van der Burgh, Promotieoptocht aan de Leidse universiteit, ca. 1650. Doek, 74,5 x 61 cm. Rijksmuseum, Amsterdam, in langdurig bruikleen aan Museum De Lakenhal. Uit: Thuis bij Jan Steen
Net als het huis aan de Papengracht is ook De Rode Hellebaert verdwenen – maar als je er vandaag de dag een wandeling maakt, zie je dat de zeventiende eeuw nog altijd heel dichtbij is. Wanneer de jonge Jan de deur uitstapte, kon hij links, achter het Rapenburg, in de verte nog net het dak en een van de torens van de Pieterskerk zien. Hij was bevoorrecht: terwijl veel van zijn leeftijdsgenoten, met name weeskinderen, lange dagen maakten in de lakenindustrie, mocht hij naar de Latijnse school aan de Lokhorststraat. Vanaf De Rode Hellebaert was dat nog geen tien minuten lopen. Kleurstoffen schilderden het water in de grachten soms blauw of rood en onderweg moet het behoorlijk gestonken hebben: de lakenindustrie loosde het afvalwater, dat veel urinezuur bevatte, direct in de grachten.

Maar zodra Jan de Latijnse school binnenstapte, kwam hij in een andere wereld terecht. Achter de muren van het gebouw met de karakteristieke trapgevel kreeg hij les in Grieks en Latijn, en in vakken zoals schrijven, geschiedenis, wiskunde, welsprekendheid en logica. Ook tekenen, Bijbelkennis en het lezen van verhalen van onder anderen Ovidius en Cicero behoorden tot het lesprogramma. Dat zou hem allemaal later nog van pas komen.

Na de Latijnse school kon Jan zich inschrijven aan de Leidse universiteit en dat deed hij in november 1646. Wat was zijn toekomstbeeld? Wilde hij een studie voltooien, of had hij zich vooral ingeschreven omdat hij als student vrijgesteld werd van belasting op bier en wijn, en niet zou worden opgeroepen voor de schutterij? Zijn studententijd duurde niet lang, want nog geen anderhalf jaar later, op 18 maart 1648, trad hij als meester-schilder toe tot het recent opgerichte Leidse Sint-Lucasgilde.

Jan Steen, Bijbellezend paar, ca. 1650 (detail uit cat. 3)
Jan Steen, Bijbellezend paar, ca. 1650. Uit: Thuis bij Jan Steen

Om dat te kunnen doen, moet hij al les hebben gehad van andere schilders. Volgens zijn biografen had Steen lessen gevolgd bij Nicolaus Knüpfer in Utrecht, bij de uit Leiden afkomstige Jan van Goyen en bij Haarlemmer Adriaen van Ostade, maar jammer genoeg zijn hierover geen archiefstukken bekend. Hoe het ook precies is gegaan: met zijn inschrijving bij het gilde legde Jan Steen de basis voor zijn loopbaan als kunstenaar.

Zijn leven lang zou hij de gewoonte blijven koesteren om zichzelf en zijn dierbaren in zijn schilderijen te laten figureren.

Schildersvonk

Hoe kwam Steen op het idee om kunstenaar te worden? Waarom ging hij niet bij zijn vader in de zaak, die hem het bierbrouwen had geleerd? Speelde de plotselinge crisis in de Hollandse brouwindustrie een rol? Zagen zijn ouders een getalenteerde schilder in hem, moedigden familieleden hem aan, of had iets anders de schildersvonk in hem doen ontbranden?

Thuis bij Jan Steen - Gerdien Verschoor & Lea van der Vinde
 
De jonge Steen werd omringd door lieden uit de kunsten en wetenschappen: een van zijn oudooms was schilder en goudsmid, enkele ooms waren gepromoveerd in de geneeskunde en zijn tante Marijtje was getrouwd met boekverkoper Joost Lievens de Rechte, die een boekhandel had aan het Rapenburg. Deze oom Joost was de oudste broer van de schilder Jan Lievens (bevriend met Rembrandt), die mogelijk ook bij de familie Steen over de vloer kwam. Een andere interessante figuur was oom Dirck Steen, die in 1633 was overleden en zijn grote bibliotheek aan de familie had nagelaten.

Het is onbekend wat of wie Jan Steen heeft aangespoord om het penseel ter hand te nemen. Maar kort na zijn inschrijving bij het gilde ging hij aan de slag in het Haagse atelier van de landschapsschilder Jan van Goyen – en werd prompt verliefd op Van Goyens dochter Margaretha (Grietje). Gelukkig waren ze beiden katholiek en in 1649 traden ze met elkaar in het huwelijk. Kort na hun trouwen schilderde Steen zichzelf en Grietje in Bijbellezend paar. Zijn leven lang zou hij de gewoonte blijven koesteren om zichzelf en zijn dierbaren in zijn schilderijen te laten figureren. Met Grietje kreeg hij zeven kinderen die de volwassen leeftijd bereikten: Thaddeus, Eva, Constantinus, Havick, Johannes, Catharina en Cornelis. De gezichten van de kleine Steentjes kennen we – het is zeer waarschijnlijk dat Steen voor schilderijen als Het Sint-Nicolaasfeest (zie openingsafbeelding) en Kinderen leren een poes dansen zijn eigen kinderen als model inzette.

Kinderen leren een poes dansen,… Jan Havicksz. Steen, 1660 - 1679. Afbeeldingen: Rijksmuseum
Kinderen leren een poes dansen – Jan Havicksz. Steen, 1660 – 1679 (Rijksmuseum)
×