Dark
Light

Jan Steen en de historieschilderkunst

De ‘andere Jan Steen’
8 minuten leestijd
Jan Steen, De bespotting van Simson, c.1675-1676. Doek, 65 x 82 cm. - Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Antwerpen
Jan Steen, De bespotting van Simson, c.1675-1676. Doek, 65 x 82 cm. - Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Antwerpen

Het onovertroffen talent van een verhalenverteller

Jan Steen was een onvermoeibare verteller. Hij schilderde verhalen en anekdotes over mensen met al hun emoties en tekortkomingen, hun dagelijkse beslommeringen, vreugde en verdriet. Vaak gaat het over de lusten en lasten van de liefde, het huishouden en de opvoeding van het nageslacht. Hij schilderde voorstellingen van vertier in of bij een herberg, kwakzalvers en liefdeszieke meisjes. In zijn rumoerige taferelen rennen kinderen rond of geven ouders het slechte voorbeeld. Vaak zijn de figuren voor iedereen herkenbare types in amusante standaardsituaties, zoals de onnozele dokter, het verleidelijke meisje, de oude koppelaarster, het stoute kind of de bedrogen echtgenoot. Altijd is er wat aan de hand. Het menselijk bedrijf was voor Steen een onuitputtelijke bron van inspiratie en vermaak. De kunstenaar moet altijd op zoek zijn geweest naar verhalen en anekdotes als onderwerp voor zijn schilderijen.

Het grootste deel van het oeuvre van Jan Steen bestaat uit genretaferelen, voorstellingen ontleend aan het leven van alledag. Deze schilderijen maakten hem tot een van de meeste geliefde Hollandse schilders uit de zeventiende eeuw. Veel minder bekend is dat Steens ambitie verder reikte. Hij zocht zijn thema’s ook in schriftelijke bronnen: de Bijbel, de apocriefe boeken bij het Oude Testament, de klassieke mythologie en Romeinse geschiedenis. Verhalen uit deze bronnen werden in zijn tijd ‘Historiën’ genoemd. Er zijn tegenwoordig nog zo’n vijfenzeventig historiestukken van Steen bekend, ongeveer een zesde van zijn oeuvre dat op ongeveer 450 schilderijen wordt geschat. Vanaf zijn jonge jaren vervaardigde Steen af en toe een historiestuk van relatief bescheiden afmetingen. Pas in de tweede helft van zijn loopbaan lijkt hij werkelijk ambitieus te worden als historieschilder en kwam zijn productie op dat vlak goed op gang. In deze periode werden de afmetingen van zijn schilderijen vaak groter.

Steen bracht een breed scala aan historische onderwerpen in beeld; verhalen vol opwinding, passie en drama. Net als in zijn genrestukken besteedde hij in zijn historiestukken bijzondere aandacht aan de interactie tussen de vele figuren en aan de uitbeelding van emoties. Daarbij had hij een voorliefde voor vertellingen met humoristische mogelijkheden. Zo schilderde hij als eerste de bespotting van de overwonnen geweldenaar Simson door de Filistijnen (afb. boven), een oudtestamentisch onderwerp dat zelfs in de prentkunst – een medium waarin kunstenaars al vroeg experimenteerden met de uitbeelding van nieuwe thema’s – nooit eerder was afgebeeld. Feest- en banketscènes waren eveneens favoriet, zoals de Bruiloft te Kana of het Banket van Antonius en Cleopatra, maar ook verhalen over liefde en verraad, zoals Simson en Delila en de tamelijk onbekende geschiedenis van Amnon en Tamar.

Misschien nog wel meer dan in zijn genrestukken voerde Steen in zijn historiestukken een bonte stoet theatrale personages ten tonele, uitgedost in kleurrijke kostuums waarmee hij zijn talent voor stofuitdrukking kon etaleren. Veel van de bekende types uit zijn genrestukken figureren ook in zijn historische taferelen, vaak zijn er amusante nevenscènes waarin kinderen een rol spelen. Zoals zal blijken was bij Steen de scheidslijn tussen genre en historie dikwijls dun.

In de kunsttheoretische bronnen stond de historie bovenaan in de hiërarchie van uit te beelden onderwerpen, omdat een kunstenaar die dit beoefende alle aspecten van de schilderkunst tot in de finesses diende te beheersen. Met een overtuigende weergave van de handeling van de figuren en de bijbehorende gemoedsaandoeningen moest een verhaal op een heldere manier worden verteld en de betekenis worden overgebracht. Toen Steen halverwege de zeventiende eeuw met zijn loopbaan begon, bestonden er verschillende tendensen en tradities binnen de Hollandse historieschilderkunst.

In Utrecht had zich een caravaggistische stroming ontwikkeld onder invloed van de Italiaanse kunstenaar Caravaggio. Er bestond een classicistische school die vooral in Haarlem en Den Haag in zwang was en de emotioneel geladen trant van Rembrandt en zijn navolgers speelde de hoofdrol in Amsterdam. Vanouds was de hooggeschatte historieschilderkunst het terrein van de verheven onderwerpen, maar aan het begin van de eeuw hadden kunstenaars als Hendrick Goltzius en Joachim Wtewael ook ruimte geboden aan humor en een wat luchtiger toon, net zoals Rembrandt in zijn vroege werk.

De zestiende-eeuwse wortels van een komische traditie in de historieschilderkunst zijn mede te vinden bij Pieter Bruegel de Oude, een van de kunstenaars van wie Steen het werk via de prentkunst goed heeft bestudeerd. In het derde kwart van de zeventiende eeuw voerde een hang naar waardigheid en monumentaliteit de boventoon bij de uitbeelding van historiën. In deze periode creëerde Steen juist een uniek oeuvre van levendige en kleurrijke historiestukken, die vooral door de nadruk op het anekdotische en humoristische een heel eigen positie innemen binnen het brede en gevarieerde spectrum van de Hollandse historieschilderkunst.

Jan Steen, De prediking van Johannes de Doper, c.1655. Paneel, 79 x 75 cm. Speed Art Museum, Louisville, Kentucky
Jan Steen, De prediking van Johannes de Doper, c.1655. Paneel, 79 x 75 cm. Speed Art Museum, Louisville, Kentucky

Steens vroege historiestukken

Jan Steen, De dood van Ananias, 1651. Paneel, 45 x 36 cm. Matthiesen Gallery, Londen
Jan Steen, De dood van Ananias, 1651. Paneel, 45 x 36 cm. Matthiesen Gallery, Londen
Al vroeg in zijn loopbaan moet Steen zijn talent als schilder van het komische genre hebben ontdekt, maar als historieschilder begon hij zoals gezegd tamelijk bescheiden en lijkt hij nog enige tijd zoekende te zijn geweest naar het type onderwerpen waarmee hij het beste uit de voeten kon. Vanaf omstreeks 1650 tot begin jaren 1660 schilderde hij meestal traditionele Bijbelse thema’s, zoals de Aanbidding van de herders of de Prediking van Johannes de Doper. Maar soms nam hij al een bijzonder onderwerp ter hand.

Een historiestuk uit Steens vroege jaren geeft een weinig bekende, nieuwtestamentische geschiedenis weer: De dood van Ananias. Dit paneel uit 1651 is een ijkpunt, omdat het als enige vroege historiestuk van zijn hand is gedateerd. Afgebeeld is een episode uit het leven van Petrus, waarin de apostel een zekere Ananias confronteert met diens leugenachtigheid over de verkoop van een stuk grond waarvan hij de opbrengst stiekem had achtergehouden; de leugenaar valt als door een wonder dood neer (Hand. 5:1-11). Het was een onderwerp dat vanwege de rol van de eerste paus van Rome vooral katholieken zal hebben aangesproken – zo had Rafaël het weergegeven op een van zijn tapijten voor de Sixtijnse Kapel. Steen baseerde zich voor zijn compositie op een zestiende-eeuwse prent van Maarten de Vos, waarvan hij de figuur van Petrus met zijn opgeheven arm overnam evenals het motief van de geldbuidel met uitgestrooide munten op de voorgrond.

Maarten de Vos, De dood van Ananias, 1590-1600. Gravure, 194 x 127 mm. Rijksmuseum, Amsterdam
Maarten de Vos, De dood van Ananias, 1590-1600. Gravure, 194 x 127 mm. Rijksmuseum, Amsterdam
Als figuurstuk is deze Ananias misschien nog wat onaanzienlijk, met de onevenwichtige uitwerking van de personages rond het dode lichaam. Opvallend is evenwel hoe precies Steen zich aan de Bijbeltekst heeft gehouden, waarin is beschreven hoe Ananias direct na zijn dood werd weggedragen. Op de prent van De Vos wordt de eenheid van plaats en tijd verbroken doordat op de achtergrond tevens het vervolg van het verhaal is afgebeeld: even later stierf ook Ananias’ leugenachtige vrouw. Steen nam dat niet over, maar koos voor de uitbeelding van één moment uit het verhaal. Hij heeft de vrouw van Ananias achter Petrus’ rug weergegeven, terwijl ze toekijkt hoe het dode lichaam van haar man wordt opgetild. Als type lijkt ze op de listige koppelaarster die in veel van Steens voorstellingen een rol speelt.

Steen bracht in zijn jonge jaren ook wel oudtestamentische onderwerpen in beeld. Zo moet hij in of kort voor 1651 een ‘Geschiedenis van Hagar’ hebben geschilderd. Een werk met deze omschrijving werd in juli van dat jaar geveild in Steens toenmalige woonplaats Den Haag. Daar werd het met nog drie andere schilderijen van Steen aangeschaft door de Amsterdamse agent van de Zweedse gouverneur van Pommeren, graaf Karl Gustav Wrangel. De rekening die Wrangel moest betalen voor de vier werken van de ‘fürnehmlichen Meister Namens Steen’, en voor nog enkele andere Hollandse meesters, is bewaard gebleven. Eén van deze vier werken, een Winterlandschap, hangt nog altijd in het door Wrangel gestichte kasteel Skokloster in Zweden, maar over de verblijfplaats van de andere werken bestaat geen zekerheid. Mogelijk kan de ‘Geschiedenis van Hagar’ worden geïdentificeerd met een Hagar en Ismaël in de wildernis uit het Universiteitsmuseum in Virginia, maar zeker is deze identificatie allerminst. Hoe dan ook biedt de transactie tussen Wrangel en zijn agent een interessante vermelding van een vroeg Bijbels tafereel van Steen. Het document getuigt bovendien van de faam die de schilder al vroeg in zijn carrière tot over de landsgrenzen genoot.

Jan Steen, Hagar en Ismaël in de wildernis, c.1650(?). Doek, 63 x 51,5 cm. The Fralin Museum of Art at the University of Virgina,  Charlottesville (Gift of Jack Kilgore, 1999)
Jan Steen, Hagar en Ismaël in de wildernis, c.1650(?). Doek, 63 x 51,5 cm. The Fralin Museum of Art at the University of Virgina, Charlottesville (Gift of Jack Kilgore, 1999)

Een verhaal uit het Oude Testament dat Steen zowel in zijn vroege jaren als later in zijn loopbaan heeft uitgebeeld, is de geschiedenis van Mozes die water uit de rots slaat voor de dorstige Israëlieten in de woestijn (Ex. 17). Op het vroegste werk, dat waarschijnlijk uit het begin van de jaren 1650 dateert, zijn de figuren klein en onopvallend gekleed. De versie van zo’n twee decennia later onderscheidt zich juist door de gedetailleerde weergave van de figuren en de zorg waarmee alle verschillende stoffen en materialen zijn uitgebeeld. Door de mogelijkheid die het onderwerp bood om allerlei vermakelijke nevenscènes te schilderen, was dit duidelijk een thema dat Steen goed lag. Zowel op de vroege als de late voorstelling heeft hij het Bijbelverhaal aangegrepen om alle mogelijke variaties rond het thema ‘drinken’ in beeld te brengen.

Jan Steen, De bruiloft te Kana, 1653. Paneel, 75 x 91,5 cm. Verblijfplaats onbekend (vermoedelijk verloren gegaan)
Jan Steen, De bruiloft te Kana, 1653. Paneel, 75 x 91,5 cm. Verblijfplaats onbekend (vermoedelijk verloren gegaan)
In zijn vroege schilderijen heeft Steen nog weinig aandacht voor bijzondere kostumeringen – pas in zijn bloeiperiode als historieschilder zou hij zijn talent voor stofuitdrukking ten volle ontplooien. Steen begon daarentegen wel al vroeg te experimenteren met ingewikkelde, drukbevolkte composities. Een mooi voorbeeld daarvan is een Bruiloft te Kana uit 1653, een werk dat vermoedelijk in de Tweede Wereldoorlog verloren is gegaan. Het is een bekend thema uit het Nieuwe Testament – Jezus die zijn eerste wonder verricht door water in wijn te veranderen (Joh. 2) – dat een mooie aanleiding bood om feestvierende mensen te schilderen, als ware het een herbergtafereel. In allerlei details wordt benadrukt dat er weer voldoende te drinken is op de bruiloft, zelfs voor de baby die de borst krijgt van zijn moeder. Een schilderij uit ongeveer dezelfde periode is De prediking van Johannes de Doper uit het Deense Nivaa, een onderwerp dat Steen omstreeks 1655 nogmaals zou uitbeelden.

Jan Steen, De prediking van Johannes de Doper, c.1653. Doek, 107 x 113 cm. Nivaagaards Malerisamling, Nivaa
Jan Steen, De prediking van Johannes de Doper, c.1653. Doek, 107 x 113 cm. Nivaagaards Malerisamling,
Nivaa

In navolging van Pieter Bruegel bood het thema gelegenheid om een menigte figuren in een landschap weer te geven. De boerse types op het vroege schilderij in Nivaa herinneren aan het werk van Adriaen van Ostade die volgens kunstenaarsbiograaf Jacob Campo Weyerman een van Steens leermeesters was.

Jan Steen en de historieschilderkunst
 
Van enkele personages op dit schilderij heeft hij de kostuums al met meer zorg uitgebeeld, vooral de vrouw in de met goudbrokaat versierde witte jurk en haar exotisch uitgedoste metgezel, beiden met bonte veren op hun hoofddeksels. Tussen het eenvoudige volk ziet dit stel er nogal extravagant uit, ongetwijfeld verwijzend naar het feit dat ze te veel wereldse zaken aan hun hoofd hebben om vroom te luisteren naar de preek. De aandacht voor de weergave van dergelijke uitdossingen zou een belangrijk handelsmerk worden van Steens late historiestukken.

Fragment uit het boek Jan Steen en de historieschilderkunst van Ariane van Suchtelen. Jan Steen is een van de populairste schilders uit de Hollandse Gouden Eeuw. Hij staat bekend om zijn komische voorstellingen van verlopen huishoudens, vertier in de herberg, kwakzalvers en liefdeszieke meisjes. Minder bekend is dat hij ook historiestukken schilderde.
×