Johanna Naber, strijdbare pionier van de Nederlandse vrouwenbeweging

5 minuten leestijd
Johanna Naber. Uit: 'Ware wonderdieren'
Johanna Naber (1859-1941) was een van de bekendste pioniers van de Nederlandse vrouwenbeweging. De historica en feministe zette zich decennialang in voor vrouwenrechten, speelde een belangrijke rol in het organiseren van de vroege vrouwenbeweging in Nederland en was korte tijd ook politiek actief als lid van de Amsterdamse gemeenteraad. In het boek ‘Ware wonderdieren’ laat historicus Margit van der Steen zien hoe vrouwen na de invoering van het passieve kiesrecht in 1917 massaal probeerden een plaats te veroveren in de politiek. Op Historiek plaatsen we een fragment uit dit boek, over Johanna Naber, naar wie later ook de prijs voor de beste afstudeerscriptie op het terrein van gendergeschiedenis werd genoemd.

Johanna Naber

(Haarlem 1859 – Den Haag 1941)

Johanna Naber behoorde tot de strijdbaarste figuren van het Nederlands feminisme, aldus haar biograaf Maria Grever. Ze kreeg vooral bekendheid vanwege haar omvangrijke historische oeuvre, maar zette zich ook vele decennia in om de staatkundige bevoogding en economische afhankelijkheid van vrouwen op te heffen. Anderhalf jaar lang maakte ze deel uit van de Amsterdamse gemeenteraad.

Johanna Naber groeide op in een gegoed en intellectueel milieu. Haar vader en haar broer Charles zouden het tot hoogleraar brengen. In 1872, een jaar na de oprichting van de driejarige Amsterdamse Hogere Burgerschool voor meisjes, mocht zij deze opleiding volgen. De latere staatsman Nicolaas G. Pierson, lid van de commissie van toezicht van de school en toentertijd een van de directeuren van De Nederlandsche Bank, sprak zo over deze hbs:

Men schijnt er zeer goed in te slagen om het onderwijs zoodanig in te richten dat van de meisjes geen savantes, geen blauwkousen worden gemaakt, maar dat het zooals het behoort, lieve, aardige, eenvoudige hollandsche meisjes blijven.

HBS voor meisjes, Amsterdam, 1930.
HBS voor meisjes, Amsterdam, 1930.

Terwijl haar drie broers naar de universiteit gingen, mocht Johanna alleen onder begeleiding in de universiteitsbibliotheek werken. Zelfs het bijwonen van enkele colleges over Shakespeare in 1878 werd haar geweigerd, op het moment dat haar vader nota bene rector magnificus van de universiteit was. Ze behaalde enkele aktes als hulponderwijzeres. Wel leerde ze veel van haar vader en de intellectuele discussies die bij hen thuis plaatsvonden.

Naber trouwde niet. Als ongehuwde burgerdochter bleef ze thuis wonen. Hier stond ze onder streng toezicht. Ze mocht niet alleen over straat gaan, ze beschikte zelfs niet over een eigen huissleutel.

De dubbele roeping der vrouw

Zeker als protestantse vrouw had ze, aldus haar biograaf, nauwelijks mogelijkheden om haar eigen inkomen te verwerven. Tot hun dood zorgde ze voor haar ouders en hielp ze mee in het huishouden. Later ging ze voor haar alleenstaande broers zorgen, totdat ze enkele jaren voor haar dood haar eigen flat kreeg. Over de vele zorg die ze haar hele leven had moeten verrichten, naast haar journalistieke, wetenschappelijke en bestuurlijke werk, schreef ze aan een vriendin:

De bezwaren van de dubbele roeping der vrouw, waar men voor de huismoeder zo breed van opgeeft, hebben mij, als ongehuwde vrouw, mijn hele leven gedrukt, drukken me nog. De bezwaren zijn heus geen monopolie van de gehuwde vrouw. Ik heb altijd klaar te staan, heb nooit vakantie en mag zelfs niet laten bemerken, dat ik wel eens aan sociaal en literair werk doe.

Na haar dertigste ontwikkelde Nabers feministische bewustzijn zich en werd ze actief in de vrouwenbeweging. Voor de liberale, orangistische en nationalistische Naber vormde haar streng protestantse geloof een belangrijke bron van kracht in haar persoonlijk leven en in haar openbare feministische optreden.

Spin in het web

Poster van de tentoonstelling 'De vrouw 1813-1913
Poster van de tentoonstelling ‘De vrouw 1813-1913, ontwerp: Wilhelmina Drupsteen.
Uit een overzicht van haar werkzaamheden blijkt dat ze over grote organisatorische en bestuurlijke kwaliteiten moet hebben beschikt en als een spin in het web van de vrouwenbeweging opereerde. Zij was in staat om vrouwen van uiteenlopende politieke gezindtes te verbinden en katholieke en protestantse vrouwen te begeesteren voor het feminisme. Onder veel meer was ze een van de organisatoren van de Nationale Tentoonstelling van vrouwenarbeid die in 1898 in Den Haag plaatsvond, van het grote congres van de Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht tien jaar later in Amsterdam, en van de nationale tentoonstelling De vrouw 1813-1913.

Ze was enkele jaren hoofdbestuurslid van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht (1908-1910) en president van de Nationale Vrouwenraad tussen 1917 en 1922. Haar werkzaamheden bleven niet tot Nederland beperkt. Van 1904 tot 1906 was ze bestuurslid van de Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht en later was ze actief in de Internationale Vrouwenraad. In 1935 richtte ze samen met Wilhelmina Posthumus-van der Goot en Rosa Manus het Internationaal Archief voor de Vrouwenbeweging op.

Naber had oog voor de verschillen tussen vrouwen op basis van hun klasse, religie, burgerlijke staat en politieke opvattingen. Nadat in Australië en Nieuw-Zeeland de invoering van het actieve vrouwenkiesrecht geen nieuwe politieke verhoudingen opleverde, constateerde ze in 1906 dat ‘verschil van sekse niets te maken heeft met verschil van politiek inzicht’. Ze verzette zich tegen de oprichting van een vrouwenpartij. Er waren volgens haar geen aparte vrouwenbelangen meer. Ook wees ze op de grote verschillen tussen vrouwen op basis van klasse en burgerlijke staat. Vrouwen moesten samen met mannen de wereld verbeteren, want ‘vrouwen zijn noch denken homogeen’. Daarom moesten vrouwen zich over de bestaande politieke partijen verdelen.

Politiek actief

Johanna Naber op een lijst met Amsterdamse gemeenteraadsleden (1921)
Johanna Naber op een lijst met Amsterdamse gemeenteraadsleden (1921)
De stap naar samenwerking met mannen had Naber al eerder gezet. In 1918 was ze de eerste vrouw in het hoofdbestuur van de Bond van Vrije Liberalen. Ook stond ze op een, weliswaar onverkiesbare, plek op de kandidatenlijst voor de Tweede Kamer. Bij tussentijdse verkiezingen in 1921 kwam ze op 63-jarige leeftijd in de gemeenteraad van Amsterdam. Er traden toen zes vrouwen toe tot de raad, en Naber had de meeste stemmen gekregen. De verwachtingen ten aanzien van haar waren hooggespannen. Men zag haar al als wethouder. Toch hield ze er na anderhalf jaar mee op en verhuisde naar Utrecht.

Verschillende zaken moeten haar afscheid hebben bespoedigd. Een conflict over de kandidatuur voor de Tweede Kamer van een andere liberaal, Welmoet Wijnaendts Francken-Dyserinck, speelde een rol. Volgens een bericht in het Algemeen Handelsblad zou ze haar broer Charles, net weduwnaar geworden, gaan verzorgen. Later werd ook wel gesuggereerd dat ze in lichamelijk opzicht niet opgewassen was tegen haar taak. Maar in De Telegraaf liet ze zelf weten hoe teleurgesteld ze was in de partij en de samenwerking met mannen. De leiding van de Vrijheidsbond (de opvolger van de Bond van Vrije Liberalen) droeg volgens haar ‘de mooie liberale begrippen van het programma’ niet uit. Vrouwen van links tot rechts waren bij de kandidaatstelling te vaak op lage plekken terechtgekomen en hadden zich laten leiden ‘door de willekeur, door de dictatuur van de man’. Gebrek aan inzicht en een ‘gemis van gevoel van eigenwaarde’ hadden ertoe geleid dat de feministen niet met een eigen partij aan de verkiezingen hadden deelgenomen, en dat moesten ze nu bezuren.

Journalistiek en wetenschap

‘Ware wonderdieren’ - Margit van der Steen
 
Naast alle politieke en bestuurlijke werkzaamheden verrichtte Naber journalistiek werk en wetenschappelijk onderzoek. Als autodidact liet ze een omvangrijk historisch oeuvre na. Erkenning hiervoor kreeg ze door prijzen, het lidmaatschap van historische genootschappen en van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Ze schreef, onder veel meer, biografieën over beroemde vrouwen en feministische publicaties die de basis vormden voor het standaardwerk over de vrouwenbeweging, Van moeder op dochter. Het aandeel van de vrouw in een veranderende wereld (1948). Niet voor niets bestempelde haar biograaf haar als de eerste geschiedschrijver van de vrouwenbeweging in Nederland.

Het mede door Naber opgerichte Internationaal Archief voor de Vrouwenbeweging bestaat nog steeds en leeft voort onder de naam ‘Atria, kennisinstituut voor emancipatie en vrouwengeschiedenis’. Als eerbetoon aan haar hebben Atria en de Nederlands-Vlaamse Vereniging voor Gendergeschiedenis de Johanna Naberprijs ingesteld voor de beste afstudeerscriptie op het terrein van gendergeschiedenis.

×