Johanna Naber
(Haarlem 1859 – Den Haag 1941)
Johanna Naber behoorde tot de strijdbaarste figuren van het Nederlands feminisme, aldus haar biograaf Maria Grever. Ze kreeg vooral bekendheid vanwege haar omvangrijke historische oeuvre, maar zette zich ook vele decennia in om de staatkundige bevoogding en economische afhankelijkheid van vrouwen op te heffen. Anderhalf jaar lang maakte ze deel uit van de Amsterdamse gemeenteraad.
Johanna Naber groeide op in een gegoed en intellectueel milieu. Haar vader en haar broer Charles zouden het tot hoogleraar brengen. In 1872, een jaar na de oprichting van de driejarige Amsterdamse Hogere Burgerschool voor meisjes, mocht zij deze opleiding volgen. De latere staatsman Nicolaas G. Pierson, lid van de commissie van toezicht van de school en toentertijd een van de directeuren van De Nederlandsche Bank, sprak zo over deze hbs:
Men schijnt er zeer goed in te slagen om het onderwijs zoodanig in te richten dat van de meisjes geen savantes, geen blauwkousen worden gemaakt, maar dat het zooals het behoort, lieve, aardige, eenvoudige hollandsche meisjes blijven.

Terwijl haar drie broers naar de universiteit gingen, mocht Johanna alleen onder begeleiding in de universiteitsbibliotheek werken. Zelfs het bijwonen van enkele colleges over Shakespeare in 1878 werd haar geweigerd, op het moment dat haar vader nota bene rector magnificus van de universiteit was. Ze behaalde enkele aktes als hulponderwijzeres. Wel leerde ze veel van haar vader en de intellectuele discussies die bij hen thuis plaatsvonden.
Naber trouwde niet. Als ongehuwde burgerdochter bleef ze thuis wonen. Hier stond ze onder streng toezicht. Ze mocht niet alleen over straat gaan, ze beschikte zelfs niet over een eigen huissleutel.
De dubbele roeping der vrouw
Zeker als protestantse vrouw had ze, aldus haar biograaf, nauwelijks mogelijkheden om haar eigen inkomen te verwerven. Tot hun dood zorgde ze voor haar ouders en hielp ze mee in het huishouden. Later ging ze voor haar alleenstaande broers zorgen, totdat ze enkele jaren voor haar dood haar eigen flat kreeg. Over de vele zorg die ze haar hele leven had moeten verrichten, naast haar journalistieke, wetenschappelijke en bestuurlijke werk, schreef ze aan een vriendin:
De bezwaren van de dubbele roeping der vrouw, waar men voor de huismoeder zo breed van opgeeft, hebben mij, als ongehuwde vrouw, mijn hele leven gedrukt, drukken me nog. De bezwaren zijn heus geen monopolie van de gehuwde vrouw. Ik heb altijd klaar te staan, heb nooit vakantie en mag zelfs niet laten bemerken, dat ik wel eens aan sociaal en literair werk doe.
Na haar dertigste ontwikkelde Nabers feministische bewustzijn zich en werd ze actief in de vrouwenbeweging. Voor de liberale, orangistische en nationalistische Naber vormde haar streng protestantse geloof een belangrijke bron van kracht in haar persoonlijk leven en in haar openbare feministische optreden.
Spin in het web

Ze was enkele jaren hoofdbestuurslid van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht (1908-1910) en president van de Nationale Vrouwenraad tussen 1917 en 1922. Haar werkzaamheden bleven niet tot Nederland beperkt. Van 1904 tot 1906 was ze bestuurslid van de Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht en later was ze actief in de Internationale Vrouwenraad. In 1935 richtte ze samen met Wilhelmina Posthumus-van der Goot en Rosa Manus het Internationaal Archief voor de Vrouwenbeweging op.
Naber had oog voor de verschillen tussen vrouwen op basis van hun klasse, religie, burgerlijke staat en politieke opvattingen. Nadat in Australië en Nieuw-Zeeland de invoering van het actieve vrouwenkiesrecht geen nieuwe politieke verhoudingen opleverde, constateerde ze in 1906 dat ‘verschil van sekse niets te maken heeft met verschil van politiek inzicht’. Ze verzette zich tegen de oprichting van een vrouwenpartij. Er waren volgens haar geen aparte vrouwenbelangen meer. Ook wees ze op de grote verschillen tussen vrouwen op basis van klasse en burgerlijke staat. Vrouwen moesten samen met mannen de wereld verbeteren, want ‘vrouwen zijn noch denken homogeen’. Daarom moesten vrouwen zich over de bestaande politieke partijen verdelen.
Politiek actief

Verschillende zaken moeten haar afscheid hebben bespoedigd. Een conflict over de kandidatuur voor de Tweede Kamer van een andere liberaal, Welmoet Wijnaendts Francken-Dyserinck, speelde een rol. Volgens een bericht in het Algemeen Handelsblad zou ze haar broer Charles, net weduwnaar geworden, gaan verzorgen. Later werd ook wel gesuggereerd dat ze in lichamelijk opzicht niet opgewassen was tegen haar taak. Maar in De Telegraaf liet ze zelf weten hoe teleurgesteld ze was in de partij en de samenwerking met mannen. De leiding van de Vrijheidsbond (de opvolger van de Bond van Vrije Liberalen) droeg volgens haar ‘de mooie liberale begrippen van het programma’ niet uit. Vrouwen van links tot rechts waren bij de kandidaatstelling te vaak op lage plekken terechtgekomen en hadden zich laten leiden ‘door de willekeur, door de dictatuur van de man’. Gebrek aan inzicht en een ‘gemis van gevoel van eigenwaarde’ hadden ertoe geleid dat de feministen niet met een eigen partij aan de verkiezingen hadden deelgenomen, en dat moesten ze nu bezuren.
Journalistiek en wetenschap

Het mede door Naber opgerichte Internationaal Archief voor de Vrouwenbeweging bestaat nog steeds en leeft voort onder de naam ‘Atria, kennisinstituut voor emancipatie en vrouwengeschiedenis’. Als eerbetoon aan haar hebben Atria en de Nederlands-Vlaamse Vereniging voor Gendergeschiedenis de Johanna Naberprijs ingesteld voor de beste afstudeerscriptie op het terrein van gendergeschiedenis.
Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart
Johanna Westerdijk werd in 1917 de eerste vrouwelijke hoogleraar van Nederland
Bijzondere vrouwen in de Eerste Wereldoorlog