In de Middeleeuwen geloofde men dat bij het Laatste Oordeel de doden lichamelijk zouden verrijzen. Volgens een hardnekkig idee was de grote teen daarbij het enige onvergankelijke deel van het menselijk lichaam.

In de Middeleeuwen leefde breed het geloof dat God bij het Laatste Oordeel de doden lichamelijk zou doen verrijzen. Uit beenderen en overblijfselen zou opnieuw een volledig mens ontstaan, vervolmaakt en vrij van aardse gebreken. Sommige theologen meenden zelfs dat men zou verrijzen in de volmaakte leeftijd van 33 jaar – de leeftijd waarop Christus stierf. In de christelijke traditie werd de dood daarmee niet als definitief einde gezien, maar als doorgang naar eeuwig leven: dood doet leven.
Binnen dit denken kreeg de grote teen een bijzondere betekenis: als een klein, maar essentieel restant van het lichaam kon zij symbool staan voor de mogelijkheid van herstel en wederopstanding.
Ook in samenlevingen waar crematie gebruikelijk was, zoals in de Romeinse wereld, bestond de gedachte dat niet alles verloren mocht gaan. Soms werden vóór de verbranding kleine botdelen, zoals vingerkootjes of een grote teen, apart gehouden. Zo bleef een tastbaar deel behouden dat kon fungeren als pars pro toto – een deel dat het geheel vertegenwoordigt.
Volgens Santing weerspiegelen deze opvattingen en praktijken een dieper liggend menselijk verlangen naar continuïteit en onsterfelijkheid. De middeleeuwse ideeën over lichaam en opstanding laten zien hoe sterk de behoefte was om de lichamelijke identiteit te bewaren – een thema dat ook in latere perioden, zij het in andere vormen, steeds weer terugkeert.
Oorspronkelijk gepubliceerd op 2 februari 2010
De steen der wijzen en de zoektocht naar onsterfelijkheid
Een teenprothese uit het Oude Egypte (die prima werkte)
Leven met de dood in de klassieke Oudheid
Het onfortuinlijke bestaan van ridder Jan van Brederode
Vrouwenmoordenaar Halewijn werd verslagen door een slimme koningsdochter
Houten straat uit de 14e eeuw ontdekt onder Paardenmarkt in Antwerpen