In haar recent verschenen boek Het eeuwige leven onderzoekt de Finse bioloog en wetenschapshistoricus Tiina Raevaara hoe mensen zich door de eeuwen heen hebben verzet tegen veroudering en de dood. In haar zoektocht naar antwoorden op deze vragen gaat ze te rade bij de (wetenschaps)geschiedenis: van vampierlegenden en alchemie tot stamcelbehandelingen en genbewerking. In onderstaand fragment staat de alchemistische strijd tegen vergankelijkheid centraal en laat Raevaara zien hoe oude denkbeelden onverwacht doorwerken in moderne wetenschap en cultuur.
De steen der wijzen voor een langer leven
Bijna 8000 kilometer ten westen van Xi’an wordt 1700 jaar na de dood van Qin Shi Huangdi een man geboren met de naam Paracelsus. Hij komt uit het stadje Einsiedeln in Zwitserland, in de buurt van Zürich. Paracelsus leefde in een heel andere tijd en op een heel andere plek dan de eerste keizer van China, maar ze vochten allebei tegen de dood.
Einsiedeln is een pittoresk plaatsje, mooi gelegen in een vallei. De klokken van de abdij weergalmen tussen de bergen, in de tuinen worden rozen gekweekt en zelfs vreemden groeten elkaar op straat. Zo was het in ieder geval meer dan 500 jaar later, toen ik er een maand verbleef om aan mijn scriptie te werken.

Wie was Paracelsus? Hij wordt gezien als de beroemdste alchemist van de nieuwe tijd en heeft een grote invloed gehad op de ontwikkeling van de moderne wetenschap. Alchemie had onder meer als doel om ziekten te genezen en uiteindelijk de dood te verslaan.
Paracelsus heette eigenlijk Theophrastus Philippus Aureolus Bombastus von Hohenheim. Zijn vader was arts en de kleine Theophrastus Philippus Aureolus kreeg thuis les in onder andere botanica en natuurfilosofie. Toen hij negen was, stierf zijn moeder en verhuisde de jonge Paracelsus met zijn vader naar Villach in Oostenrijk. Na het kleine kloosterdorpje was Villach, destijds een van de grootste steden van Oostenrijk, ongetwijfeld een hele belevenis.
Het was de tijd van de renaissance, religieuze hervormingen, groeiende steden en toenemende handel, wetenschappelijke nieuwsgierigheid en het Heilige Roomse Rijk. De wereld en misschien wel vooral het wereldbeeld veranderden, en Paracelsus speelde daar uiteindelijk een grote rol in. Hij reisde door Europa om te studeren, van Londen tot Constantinopel en van Parijs tot Sint-Petersburg, en deed overal nieuwe indrukken op. Hij werkte als legerarts en begon zijn eigen praktijk. Hij schreef veel en gaf lezingen aan verschillende Europese universiteiten, maar kwam ook in conflict met collega’s en instellingen en was op veel plekken niet meer welkom.
Paracelsus’ ideeën werden soms zelfs als godslasterlijk en gevaarlijk beschouwd. Hij deed de term alchemie in de ban en sprak in plaats daarvan alleen nog over scheikunde, en begon systematisch op zoek te gaan naar de giftige stoffen die beroepsziekten veroorzaakten. Je zou zelfs kunnen zeggen dat hij een van de eersten was die de wetenschap populariseerden: toen hij lesgaf aan de universiteit van Bazel, deed hij dat niet in het Latijn, maar in het Duits, zodat zoveel mogelijk mensen zijn lessen konden volgen.

Er hangt een onnodig mysterieuze sfeer rond alchemie. Voor de meeste mensen van nu is het vooral iets uit de populaire cultuur. Een alchemist wordt vaak gezien als een soort gekke wetenschapper die probeert de steen der wijzen te maken, waarmee hij niet alleen gewone metalen in goud kan veranderen, maar ook onsterfelijk kan worden. Gehuld in zijn cape mengt de alchemist in zijn schemerige laboratorium borrelende brouwsels in alle kleuren van de regenboog om zich toegang te verschaffen tot geheime kennis.
Er was echter een tijd dat alchemie vrij gewoon was, ook al gebruikte men werkwijzen die afkomstig waren uit occultisme en astrologie en die nu nogal vreemd lijken. Alchemie was veel meer dan het beeld dat de populaire cultuur ervan heeft gemaakt. Het bracht allerlei kennis samen en putte op verschillende plaatsen in de wereld uit heel verschillende bronnen.
Egyptische metaalkunde en de oude Grieken
In haar boek Alkemian historia (De geschiedenis van de alchemie) schrijft Sara Norja dat de Europese alchemie ontstond rond 330 voor Christus, toen Alexander de Grote Egypte binnenviel en de Egyptische metaalkunde zich vermengde met de ideeën van de oude Grieken over de elementen, de basis waaruit alle materie was opgebouwd. Alchemie werd ook beoefend in onder andere China en India, maar tussen deze verschillende alchemistische culturen bestond nauwelijks contact. In het oude China putte de alchemie onder meer uit het taoïsme en de natuurgodsdiensten van inheemse volkeren.
Alchemisten hadden zich onder meer als doel gesteld om goud te maken. Voordat ze goud uit andere stoffen konden vervaardigen, moesten ze eerst de zogenaamde steen der wijzen maken. Daarmee konden elementen in andere elementen worden omgezet, ook wel transmutatie genoemd. Met de steen der wijzen kon ook een elixer voor het eeuwige leven worden gemaakt, dat ziekten zou genezen, het leven zou verlengen en volgens sommige alchemistische stromingen zelfs onsterfelijkheid zou garanderen. Wat die steen precies was, is nog steeds niet helemaal duidelijk, maar men dacht dat het een vaste stof was die bijvoorbeeld lood in goud kon veranderen. Het is ook mogelijk dat er volgens alchemisten verschillende stenen der wijzen zouden hebben bestaan, en misschien was het elixer voor het eeuwige leven uiteindelijk hetzelfde als de steen der wijzen.

Juist hun strijd tegen de dood maakt alchemisten natuurlijk zo geliefd in de populaire cultuur. Ook het beroemdste horrorpersonage aller tijden, graaf Dracula, bedacht door Bram Stoker, kwam in zijn bijzondere situatie terecht als gevolg van alchemie. Stoker schrijft dat graaf Dracula op zoek was naar geheime kennis, en toen gebeurde het: Dracula werd een vampier, een ondode die mensenbloed moest drinken om te blijven voortbestaan. Een saillant detail is dat volgens sommige alchemisten juist menselijk bloed de beste basis was voor de steen der wijzen.

In de populaire cultuur loopt het met alchemisten vaak slecht af, en alchemie kon inderdaad gevaarlijk zijn voor degenen die het beoefenden. Een veelgebruikte grondstof was het giftige metaal kwik, waarvan alchemisten de gassen inademden. Kari Leppälä stelt in zijn artikel Luonnontieteiden kaari alkemiasta kvanttimekaniikkaan (‘De ontwikkeling van de natuurwetenschappen van alchemie tot kwantummechanica’) dat de gevaren van alchemie wellicht ook aan de basis lagen van de mythe van dokter Faust. Oorspronkelijk was Faust een personage van een onbekende Duitse schrijver, die hem dr. Johann Faust noemde, maar in latere versies werd hij Faustus of simpelweg Faust. Hij verkocht zijn ziel aan de duivel in ruil voor oneindige kennis en bovennatuurlijke krachten. Faust figureert in honderden kunstwerken.
Volgens Leppälä zou het verhaal gebaseerd kunnen zijn op de rondtrekkende alchemist Johann Georg Faust, die leefde rond de jaren 1400-1500. Fausts lichaam werd gruwelijk verminkt in zijn laboratorium aangetroffen, en men dacht dat alleen de duivel in eigen persoon hiervoor verantwoordelijk kon zijn.

Ontwikkeling natuurwetenschappen
Vanuit een hedendaags perspectief lijkt het ongelooflijk dat alchemie zo’n grote rol heeft gespeeld in de ontwikkeling van de natuurwetenschappen en de geneeskunde. Het lijkt net zo ongelooflijk dat Paracelsus, die in zijn werk ook gebruikmaakte van occultisme en astrologie, nu geldt als een pionier op het gebied van toxicologie, experimentele scheikunde en geneeskunde. Als resultaat van Paracelsus’ werk ontstond echter het idee van een materieel gelijke werkelijkheid, waarin bijvoorbeeld vuur niet een van de oerelementen is, maar eerder een instrument waarmee elementen kunnen worden gemanipuleerd. De elementen verschillen niet in kwaliteit, maar bestaan uit gelijkaardige deeltjes. Dit inzicht was een vroege, belangrijke stap op weg naar de moderne natuurwetenschappen.
De invloed van Paracelsus op de wetenschap was het grootst na zijn dood in 1541, toen wetenschappelijke publicaties zich verder ontwikkelden en de ideeën van Paracelsus een groter publiek bereikten. Zijn zogenaamde scheikundige filosofie, oftewel zijn ideeën over materie, zorgde voor een ware revolutie in de wetenschap, net zo invloedrijk als het werk van Copernicus in de astronomie. Copernicus leefde in dezelfde tijd als Paracelsus en geldt als de grondlegger van bijvoorbeeld het heliocentrische model, waarin de aarde om de zon draait en niet andersom. Net zo baanbrekend was het werk van Paracelsus.

Het verlengen van het leven door middel van alchemie ligt eigenlijk ook aan de basis van de moderne natuurwetenschappen, vooral de wetenschappen waarbij in het laboratorium experimenten worden gedaan, zoals de scheikunde, natuurkunde en biochemie, en later ook de geneeskunde en mijn eigen vakgebied, de moleculaire biologie. De manier van onderzoek doen, waarbij chemische verbindingen in een laboratorium worden gemengd en de ontstane reacties worden geobserveerd, stamt uit de alchemie. Volgens Sara Norja, auteur van het eerdergenoemde boek over de geschiedenis van de alchemie, zou zelfs het woord ‘laboratorium’ gemunt zijn door alchemisten.

De manier waarop ik onderzoek deed, komt eigenlijk uit de alchemie: ik werkte in een lab en gebruikte de geïsoleerde omgeving van reageerbuisjes, die alleen de gewenste verbindingen bevatten.
Je zou kunnen zeggen dat al dit soort moleculair-biologisch onderzoek inhoudelijk verwant is aan de zoektocht naar het geheim van het eeuwige leven. Als we weten waarom sommige mensen een bepaalde vorm van kanker krijgen, kunnen we er iets aan doen. Fout na fout kan uit de mens worden verwijderd, waardoor alle ziekten kunnen worden genezen. Veroudering kan worden vertraagd of zelfs voorkomen. En dan, misschien, kunnen we aan de dood ontsnappen.
Waarom werden mensen volgens de Bijbel vroeger zo oud?
Heliocentrisme en geocentrisme – De zoektocht naar het centrum van ons universum
Paracelsus, de arts die de geneeskunde definitief veranderde
Robert Liston (1794-1847) – De chirurg die drie mensen doodde tijdens één operatie
Claudius Galenus en zijn humorenleer
Frans Hooijmaijers, de ‘spuitreus’: moordenaar met injectiespuit