Rond het jaar 1200 weet Dzjengis Khan de steppevolkeren van Mongolië te verenigen en begint hij zijn veroveringstochten richting China, Oost-Europa en het Abbasidische kalifaat om daarmee een wereldrijk te stichten zonder weerga. In 1258 bereiken de troepen van de Mongoolse veldheer Hulagu Bagdad, dat bijna met de grond gelijk wordt gemaakt en waarbij naar schatting 200.000 mensen worden afgeslacht. Daarmee komt een einde aan het Abbasidische kalifaat van Bagdad. De Abbasidische dynastie zet zich voort in Egypte onder de Mammelukken tot 1516.
Steppenomaden
Het thuisland van de Mongolen bevindt zich in het oostelijk deel van het enorme steppegebied met grasland dat zich westwaarts uitstrekt tot in Hongarije. Grasland, dat het thuisland is van paarden waarop al zo’n veertigduizend jaar geleden door onze voorouders wordt gejaagd om hun vlees als belangrijke leverancier van proteïne. Het zou heel lang duren voordat deze wilde paarden, de zogeheten Przewalskipaarden, oftewel Mongoolse paarden, worden gedomesticeerd. Dat gebeurt pas nadat al vele eeuwen varkens, geiten, schapen en koeien onderdeel uitmaken van het boerenerf.
Het zijn de leden van de Botaj stam in Kazachstan die ongeveer 3.500 jaar v.Chr. ontdekken dat je behalve paarden te consumeren, ze ook kan inzetten als rijdier om effectief te kunnen jagen op rendieren en ander wild.1 Zij perfectioneren de rijkunst, terwijl in andere culturen het paard een rol gaat vervullen als trekdier voor strijd- en triomfwagens. De combinatie van het sterke Przewalskipaard dat beschikt over een enorm uithoudingsvermogen, de vanaf kindsbeen in de rijkunst getrainde nomaden en hun beheersing van het boogschieten, vormt de basis voor de nomadencavalerie van Dzjengis Khan waarmee hij zijn succesvolle veroveringstochten onderneemt.
Omstreeks 800 v.Chr. vindt er op de Aziatische steppe een belangrijke verandering plaats die de wereldhistorie ingrijpend zal beïnvloeden. Nomaden, die voorheen zich beperken tot het rondtrekken over de steppen met hun vee, huisraad en yurts op zoek naar weidegronden en zich daarbij schikken naar de beweging der seizoenen, voeren vanaf dat moment rooftochten uit op Chinees gebied. Daarvoor is overigens zeker sprake geweest van handel, waarbij de nomaden hun paarden, vee en exotische goederen uit de steppen op vreedzame wijze inruilen voor Chinese landbouwproducten en luxe artikelen.
Maar nu slaan de nomaden een andere toon aan. Het markeert de opkomst van de grote nomadische imperia die in allerlei opzichten hemelsbreed verschillen van het agrarische en geletterde Chinese rijk waarin de steppevolkeren nooit in politieke of culturele zin worden geïncorporeerd. De nomaden minachten de verfijnde leefwijze van de Chinezen of van andere geletterde en geürbaniseerde samenlevingen, wat voor een deel verklaart waarom later de Mongolen van Dzjengis Khan en zijn opvolgers kennelijk geen enkele moeite hebben om de door hen veroverde steden volledig te verwoesten.2
Het rijk van Dzjengis Khan is overigens zeker niet het eerste nomadenimperium en ook niet de apotheose van een 1500-jarige ontwikkeling. In de derde eeuw v.Chr. is er het rijk van de Hsiang-nu (Xiongnu) en in de zesde tot en met de negende eeuw na Christus vormen zich de Turkse en Oeigoerse rijken. Rijken die compleet van de aardbodem verdwenen zijn alvorens het Mongoolse imperium ontstaat.3
De opkomst van Dzjengis Khan

Chinggis Qahan was born with his destiny ordained by Heaven above. He was descended from Börte Chino, whose name means “greysh white wolf”, and Qo’ai-maral, the wolf’s spouse, whose name means beautiful doe, who crossed the lake and settled at the source of the Onon river.4
Het verhaal vervolgt met een beschrijving van Temüjins afstamming die meer dan twintig generaties omvat om uit te komen bij zijn moeder Hö’elün en vader Yesükhei Baghatur. Zij verblijven in Deli’ün-Boldaq (oftewel Örünggechi), de Mongoolse naam voor de heuvel waar Temüjin volgens de overlevering wordt geboren en, aldus sectie 59 van de Secret History:
At the time of his birth, he held in his right hand a clot of blood as big as a knucklebone.
Het is een symbool van kracht en een voorteken van de bloedige veldslagen die hij zou voeren om zijn enorme rijk op te bouwen.
De Mongolen zijn aanhangers van het sjamanisme waarin de tengggeri (almachtige geesten) de hemelen regeren en de chinggis het land. Om aan te geven dat Temüjin over al het land zal regeren, wordt hij getooid met die erenaam.5 Deze geesten hebben hem gunsten verleend en hem gemandateerd om de wereld te regeren. Over de vraag of Dzjengis Khan dat zelf geloofde bestaat verschil van mening, maar zijn nakomelingen waren daarvan overtuigd en geloofden dat dit mandaat aan hen werd overgedragen. Een mandaat dat het meedogenloos afslachten legitimeert van hen die zich verzetten tegen de hemelse wil.6
Rond de tijd van de geboorte van Dzjengis Khan leven er meerdere stammen in het steppegebied die door deze jonge krijger deels worden uitgeroeid – wat de Tataren overkwam – en deels aaneengesmeed tot een enorm leger dat bij zijn overlijden 129.000 manschappen telt. Op een bevolking van naar schatting twee miljoen inwoners is dat veel, maar volgens Dzjengis Khan:
…every man has his use, even if only to gather dried cow dung in the Gobi for fuel.7
Kortom, Temüjin kan putten uit een enorm reservoir, maar in tegenstelling tot zijn voorgangers die erin slagen een nomadenimperium op te bouwen, moet hij van de grond af aan beginnen. Sommigen van deze voorgangers waren erfgenamen van mannen die aan de leiding gingen van sterke stammen, anderen konden een gat vullen nadat een nomadische staat uiteengevallen was door interne strijd en weer anderen werden op basis van hun talent gekozen tot hoofd van een confederatie van stammen die de steppen beheerste.
Dzjengis Khan past in geen van deze categorieën. Weliswaar ziet hij het levenslicht binnen een clan die een stevige positie inneemt, maar niet de gehele steppe beheerst en de jonge Temüjin absoluut niet voorziet van een stevige uitgangspositie. Sterker nog, de Mongolen laten hem tijdens zijn strijd om de macht dikwijls in de steek. Als Temüjin zich de rijkunst meester maakt en de boog leert hanteren, verkeert de steppe in anarchie en machtige stammen of clans staan elkaar naar het leven.8
Daar kun je je voordeel mee doen en anderen aan je binden, maar je kunt ook op vijandschap rekenen. Temüjin maakt van de verdeeldheid onder de steppevolkeren handig gebruik en toont zich een kundig leider en veldheer. Die eigenschappen zouden hem volgens velen maken tot de grootste veroveraar aller tijden, nog boven Napoleon en Alexander de Grote.
In 1206 heeft Temüjin zijn doel, de verwezenlijking van een nomadenimperium dat het gehele steppegebied omvat, grotendeels bereikt en wordt hij tijdens een zogeheten quriltai oftewel assemblee uitgeroepen tot Grote Khan der Mongolen. Quriltais waren gebruikelijk in de nomadensamenleving om een leider uit te roepen en wetten en strategieën vast te stellen in gemeenschappelijk overleg tussen de belangrijkste stamleiders, militaire commandanten, edelen, en soms ook religieuze leiders zoals sjamanen. Je zou het een vorm van democratie kunnen noemen, maar het is meer bedoeld om de hoogste macht van de khan te legitimeren, consensus te bevorderen en zo interne conflicten binnen de elite te voorkomen. Dat doet Dzjengis Khan in dat jaar dan ook, waarbij hij tevens vertegenwoordigers van onderworpen stammen en bondgenoten uitnodigt. Hij delegeert taken aan verwanten of andere Mongoolse leiders, maar beknot ze tegelijkertijd in hun autonomie.9
Dzjengis Khan is uitermate precies als het gaat om de organisatie van zijn eigen lijfwacht en het leger. De keshig oftewel imperiale garde, waakt over het welzijn van de khan en de kern ervan bestaat uit zijn meest loyale volgelingen – de nökörs – die hem trouw zijn gebleven vanaf zijn jonge jaren. Rond 1206 bestaat deze lijfwacht uit 10.000 leden, gerekruteerd uit diverse stammen en het lidmaatschap wordt beschouwd als een teken van de hoogste eer.10 Zijn leger, dan 95.000 manschappen sterk, organiseert Dzjengis Khan naar oud gebruik bij de nomaden volgens het decimale stelsel in eenheden van 10, 100, 1.000 en 10.000 waarbij sommige ervan bestaan uit stammen die hem gesteund hebben in zijn opmars naar de macht.
Overwonnen stammen, voor zover er nog iets van over is gebleven, worden gedistribueerd over verschillende eenheden. In zekere zin vervangt Dzjengis Khan de oude tribale structuur door een nieuwe, waarbij de loyaliteit van de manschappen aan hun stam overschaduwd wordt door de loyaliteit aan hun militaire eenheid en haar leider.11 Dzjengis Khan is zich ervan bewust dat je zo’n leger moet gebruiken, anders valt het uiteen.12 Hij richt de blik op het zuiden, op China, de aartsvijand van de steppevolkeren. Peking valt in 1215, waarna hij zijn aandacht verlegt naar het westen.

Al-Mustansir
In 1226 treedt al-Mustansir aan als kalief van Bagdad. Hij is de kleinzoon van succesvolle al-Nasir die het Abbasidische kalifaat na de overheersing van de Boejiden van Seltsjoeken vanaf 946 weer de status heeft proberen te geven zoals in vroeger tijden. In het Middellandse Zeegebied heersen de van Saladin afstammende Ajjoebiden over Egypte en Syrië. Zij spelen een belangrijke rol in de strijd tegen de kruisvaarders die op hun vijfde tocht pogingen wagen Jeruzalem te veroveren op de moslims.
In 1221 moeten zij de terugtocht aanvaarden als zij door sultan al-Kamiel worden verslagen. Aan de oostkant van het kalifaat vinden al eerder grote veranderingen plaats. Daar verliezen de Seltsjoeken in 1190 hun macht als hun legers door sjah Ala al-Din Mohammed II van het Perzische Khwarazm (oftewel Chorasmië) worden vernietigd. In 1217 besluit deze ambitieuze sjah een poging te wagen om Bagdad te veroveren en de positie in te nemen die de Boejiden en Seltsjoeken voor hem hadden. Een sneeuwstorm drijft hem echter terug, wat in Bagdad gezien wordt als een teken uit de hemel.13 De sjah maakt rechtsomkeert en raakt vervolgens in conflict met de Mongoolse heerser Dzjengis Khan.
Onder het mom van een handelsmissie stuurt Dzjengis Khan een gezelschap van spionnen naar het hof van Ala al-Din Mohammed II, die de missie niet vertrouwt en alle leden ervan om het leven brengt. Er volgt een Mongools verzoek om compensatie, maar alweer reageert Ala al-Din overmoedig. Een van de afgezanten wordt vermoord en bij de anderen wordt de baard afgeschoren, beledigingen bij uitstek en het enige antwoord is oorlog.14

Dzjengis Khan neemt het initiatief en start twee jaar later een offensief waarmee hij de sjah overrompelt. Deze vlucht, zijn leger achterlatend in garnizoenen die een voor een worden opgeruimd door de Mongolen. Ala al-Din Mohammed II komt aan zijn einde in 1220. De Abbasiden zijn niet meer dan toeschouwers van dit conflict, waarbij in steden als Nishapur en Herat onvoorstelbare bloedbaden worden aangericht. Zoals hierboven aangegeven, hebben de Mongolen een weerzin jegens urbane samenlevingen die totaal verschillen van de hunne. En als de steden gaandeweg de handelsroutes beginnen te overheersen vormen zij eens te meer een bedreiging voor de levenswijze van de nomaden.15
Het zijn uitingen van welhaast genocidale neigingen die de Mongolen eerder lijken te hebben gehad in China, maar waarvan zij zich zouden hebben laten weerhouden vanwege het te verwachten verlies aan belastinginkomsten.16 Al-Mustansir vreest een verdere opmars van de Mongolen en verzoekt de sultan van Egypte om steun, maar krijgt nul op het rekest omdat deze net verwikkeld is in een treffen met de kruisvaarders. De kalief kan opgelucht ademhalen als de Mongolen voorlopig besluiten hun opmars te staken.
Net als al-Nasir voor hem, poogt al-Mustansir de vrede tussen soennieten en sjiieten te bewaren door vanuit beide geloofsgemeenschappen mensen op belangrijke functies te benoemen. Ook besteedt hij veel aandacht in de bouw en het onderhoud van hun moskeeën en financiert hij de oprichting van madrassa’s, de onderwijsinstellingen die een belangrijke rol spelen in de verspreiding van kennis op het gebied van theologie, recht en seculiere vakken zoals geneeskunde, wiskunde, en astronomie. Een en ander versterkt niet alleen het gevoel van eenheid onder de moslims, maar verhoogt ook het aanzien van het kalifaat van Bagdad dat kan rekenen loyaliteitsuitingen van opkomende regionale heersers zoals de emir van Mekka Nur al-Din Umar ibn Ali ibn Rasul en uit het verre India van Iltutmish die het sultanaat van Delhi in het leven roept in 1211. Zij vragen de kalief om zijn goedkeuring via een schriftelijke bevestiging (diploma van investituur) om hun hoge ambt te mogen uitvoeren.
Maar op de achtergrond speelt voortdurend de dreiging die uitgaat van de opmars der Mongolen die vanuit Karakorum, de ooit door Dzjengis Khan gestichte hoofdstad van zijn imperium, rond 1230 besluiten zich zowel te richten op de verovering van de rijke graslanden van het westen als van de moslimrijken van het Midden-Oosten. Het is de derde zoon van de in 1227 overleden Dzjengis Khan, Ögedei Khan, die daartoe het initiatief neemt. Hij treedt aan als Grote Khan van de Mongolen in 1229 na een tweejarige periode van regentschap door zijn jongere broer Tolui.
De eerste aanvallen gericht op Europa vinden twee jaar later plaats onder aanvoering van zijn neef Batu die in 1241 bij Liegnitz in Polen een leger van hertog Hendrik van Silezië verslaat. Daarna delft koning Béla van Hongarije het onderspit: de graslanden van Hongarije liggen open voor bezetting. In 1242 sticht Batu’s broer Berke het sultanaat van de Gouden Horde met als hoofdstad Saraj die uitgroeit tot een omvang van naar schatting 600.000 inwoners, een van de grootste steden in het middeleeuwse Europa.
Uiteindelijk bereiken de Mongolen Wiener Neustadt in Oostenrijk, maar trekken zich in 1242 terug als hen het bericht bereikt dat Ögedei Khan het jaar ervoor blijkt te zijn overleden. De vraag is of Batu tot deze manoeuvre besluit omdat hij tijdig terug wil zijn Mongolië om zich te mengen in de opvolgingskwestie, of dat de aanzienlijke verliezen die hij heeft geleden er debet aan zijn. En dan is er natuurlijk ook de mogelijkheid dat Batu’s ambities minder groot zijn geweest dan wel wordt aangenomen.17
Deze enorme expansie richting Europa weerhoudt de Mongolen er niet van om ook de druk te verhogen op het Midden-Oosten en rond 1230 zet door de in Azerbeidzjan gevestigde Mongoolse onderkoning Chormaqan de aanval in op Armenië, Georgië en Anatolië. In Iran wordt de stad Isfahan veroverd. Vanaf 1232 proberen de Mongolen de stad Irbil in Noord-Irak in handen te krijgen, zo’n vierhonderd kilometer ten noorden van Bagdad, maar de stad houdt stand evenals de veel dichterbijgelegen stad Khanaqin in 1238. Er breekt vervolgens een hevig gevecht uit in de buurt van Bagdad tussen de Mongoolse troepen en die van de kalief, een veldslag waarbij beide combattanten enorme verliezen moeten incasseren. Dit leidt tot enige bezinning en op initiatief van al-Muntasir ontstaat een diplomatieke overeenkomst die voorlopig wat rust geeft.
Al-Musta’sim en de val van Bagdad
Al-Mustansir overlijdt plotseling in 1246 en wordt opgevolgd door zijn zoon al-Musta’sim, de laatste Abbasidische kalief die door historici later dikwijls in een zeer negatief daglicht is gesteld ofschoon er eigenlijk maar weinig van hem bekend is. Opmerkelijk is zijn krachtige reactie in 1250 als er in Egypte een machtsvacuüm ontstaat ten gevolge van het overlijden van sultan as-Salih Ajjoeb en de Mammelukse soldaten trouw zweren aan Shajarat al-Durr, een voormalige concubine van de sultan.
Het idee dat een vrouw een islamitisch rijk zou besturen is al-Musta’sim een gruwel en naar verluidt stuurt hij de Mammelukken een brief waarin hij hen waarschuwt met de woorden: ‘als er zich geen man meer bevindt in jullie midden, zeg het ons en we sturen er een’. Op dat moment is Shajarat al bezig om munten te laten vervaardigen met als inscriptie Malikat al-Muslimin (koningin van de moslims), maar wordt na een regeringsperiode van tachtig dagen gedwongen om in het huwelijk te treden met de Mammelukse commandant Izz ad-Din Aibak die het regime overneemt en daarmee het Mammelukse sultanaat sticht.18
Het besluit van de kalief om de omvang van het leger terug te brengen mag gezien in het licht van de Mongoolse dreiging onverstandig genoemd worden, waarbij nog komt dat hij te weinig investeert in de waterwerken in en buiten Bagdad. Rond het jaar 1250 wordt de stad geteisterd door regenval van ongekende omvang. De Eufraat en Tigris treden buiten hun oevers en veel dijken begeven het wat ertoe leidt dat een groot aantal gebouwen in Bagdad wordt verwoest en de verdedigingswerken grote schade oplopen.19
Intussen zijn er conflicten uitgebroken over de benoeming van een nieuwe khan in Mongolië. Na het overlijden van Ögedei in 1241 neemt zijn weduwe Töregene als regentes de macht over en weet uiteindelijk hun zoon Güyük op de troon te zetten als Grote Khan tot woede van de uit Europa teruggekeerde Batu die achter het net vist. Maar Güyük is geen lang leven beschoren. Hij sterft twee jaar later en net als Töregene probeert ook zijn weduwe, Oghul Ghaimish, hun zoon Khadu aan de macht te brengen, maar dat mislukt. Door toedoen van Batu wordt in 1251 niet een telg uit de stam van Ögedei benoemd, maar Möngke, de zoon van Tolui uitgeroepen tot Grote Khan. Het is een besluit dat in Mongolië met veel vreugde wordt begroet en men maakt zich op voor nieuwe militaire campagnes. Op verzoek van de nieuwe khan worden de veldtochten in zuidwestelijke richting geleid door zijn broer Hulagu terwijl zijn andere broer Kublai koers zet richting China.

Hulagu’s eerste doel is het afrekenen met de orde der Assassijnen in Iran, een sjiitische ismaëlitische sekte, ook bekend als de Nizari’s, die door hun gewelddadige acties veel onrust veroorzaken. Zij staan met name soennitische leiders naar het leven en vormen in de ogen van niemand minder dan Dzjengis Khan een geduchte tegenstander die vanuit hun talrijke vestigingen – met als belangrijkste die van Alamoet in het Elbroes gebergte – de Mongolen heel wat hoofdbrekens kunnen bezorgen. Wetende dat de Mongolen niets minder wensen dan de totale onderwerping van alle volkeren waarmee zij in contact komen, zoeken de Assassijnen steun in het westen, van de Franse en Britse koningen, die natuurlijk de opmars van de Mongolen met argusogen bekijken. Als dat tevergeefs blijkt en alle diplomatieke middelen falen, besluiten zij om hun doorgaans effectief gebleken tactiek van infiltratie te gebruiken om langs die weg Ögedei te vermoorden. Een poging die mislukt en als een boemerang werkt.
Vanaf dat moment zijn de Mongolen vastbesloten om korte metten te maken met de Nizari’s. In 1256 ontmoet Hulagu de leider der Assassijnen, Rukn ad-Din, die zich overgeeft en met de Mongool een ronde maakt langs al zijn vestigingen om iedereen ertoe te bewegen dat ook te doen, hetgeen veel bloedvergieten kan voorkomen. Maar een aantal Nizari’s, waaronder die in Alamoet, weigert daaraan gehoor te geven. Er volgt een beleg van deze vesting dat eindigt in de volledige vernietiging ervan. In wanhoop geeft Rukn ad-Din te kennen de Grote Khan Möngke te willen ontmoeten, maar eenmaal aangekomen in Karakorum geeft de khan aan – zich ongetwijfeld de mislukte moordaanslag op Ögedei herinnerend – daar niet van gediend te zijn.
Op zijn terugtocht wordt de Nizarische leider vermoord, een daad waar Möngke zeer waarschijnlijk de hand in heeft gehad en waarmee de khan Rukn ad-Din de aanblik van hun totale vernietiging in Perzië bespaart. Hulagu verordonneert de Nizari’s bijeen te komen voor een volkstelling, een voorwendsel waaraan zij voldoen, om vervolgens door de Mongolen te worden afgeslacht conform de wens van Dzjengis Khan dat niemand mag worden gespaard, zelfs de baby’s in hun wiegjes niet.20

Na met de Nizari’s korte metten te hebben gemaakt, vestigt Hulagu zich in 1257 te Hamadan, een stad in Iran die ongeveer vijfhonderd kilometer ten noordoosten van Bagdad ligt en begint van daaruit een kortaangebonden briefwisseling met kalief al-Musta’sim die hij verwijt de Mongolen geen steun te hebben verleend bij de bestrijding van de Nizari’s en van hem excuses verwacht. Hier botsen twee culturen, want de kalief, trots op zijn afstamming en zijn leiderschap van de islam, ziet de samenwerking met iemand van lage komaf en behorend tot een heidense bevolking als een moreel en religieus affront, iets dat Hulagu eenvoudigweg niet kan begrijpen. De correspondentie verhardt en het komt er uiteindelijk op neer dat de Mongool van de kalief eist dat hij hem erkent als superieur, net zoals eerder kaliefs dienden te zwichten voor de druk der Boejiden en Seltsjoeken. Hulagu sluit de gedachtewisseling af met de woorden:
Indien aan ons bevel gehoor wordt gegeven, zal het niet nodig zijn vergelding uit te oefenen en kunt u uw land, leger en onderdanen behouden. Indien u echter onze raad naast u neerlegt en het geschil met ons aangaat, stel dan uw troepen op en maak u gereed voor het slagveld.21

Intussen heeft bij de Mongolen de gedachte postgevat dat de kalief over een enorm en sterk leger beschikt en is Hulagu onder de indruk geraakt van de reputatie die Bagdad geniet. Hij werpt aarzelingen van zich af als de eerste minister van al-Muta’sim, Ibn al-Alqami, een sjiiet, zijn meester verraadt, de Mongool persoonlijk in kennis stelt van de werkelijke sterkte van het Abbasidische leger, de zwakte van de verdedigingswerken van de stad en hem zijn trouw belooft. Dan besluit Hulagu ten aanval te gaan. Zijn leger trekt op richting Bagdad waarbij alle struikelblokken op zijn pad met de grond gelijk worden gemaakt.
Op 28 januari 1258 bereikt hij Bagdad en begint een beleg waarbij hij dankbaar gebruik maakt van eerder opgedane ervaringen van de Mongolen bij de verovering van Peking in 1215. Er wordt zwaar geschut in stelling gebracht: mechanische dubbele en driedubbele kruisbogen die salvo’s kunnen afvuren van nafta voorziene pijlen ter lengte van drie meter en enorme blijdes waarvoor van heinde en ver karrenvrachten keien worden aangevoerd die in de omgeving van Bagdad niet te vinden zijn.22 Het bombardement start op 4 februari en na een week komt de kalief tot de conclusie dat hem weinig rest dan onderhandelen.

Naar zeggen ontvangt Hulagu zijn tegenstander beleefd. Hij verzoekt hem zijn mensen de wapenen te laten neerleggen en de stad te verlaten in ruil voor hun hachje. Het is dezelfde truc die hij toepaste op de Nizari’s. Al-Musta’sim trapt erin, de burgers van Bagdad treden naar buiten en worden massaal afgemaakt. Over het aantal doden tast men nog steeds in het duister. Volgens Hulagu zelf heeft hij ongeveer 200.000 mensen over de kling gejaagd.23
Ook de kalief sterft, maar niet op de manier zoals Marco Polo dat heeft opgetekend, door hem op te sluiten met al zijn schatten in een toren en daar te laten verhongeren als les dat hij die rijkdom beter had kunnen besteden aan het investeren in zijn leger. Hij wordt naar oud Mongools gebruik in een tapijt gerold om hem vervolgens door trappelende paarden ter dood te brengen.24
Bagdad wordt geplunderd en grotendeels verwoest op een manier zoals de Mongolen dat eerder deden in een stad als Nishapur, zij het dat niet alles ten prooi valt aan de Mongoolse vernietigingsdrang. De al-Mansur moskee, ooit gebouwd door de tweede kalief der Abbasiden in de achtste eeuw, blijft gespaard en vierhonderdduizend boeken uit de grote bibliotheek worden door Nasir al-din Tusi, astronoom en rechterhand van Hulagu, gered.25 Maar het Abbasidische kalifaat van Bagdad is ten einde.

De Abbasiden in Egypte
In 1260 is Egypte nog aan het bijkomen van de nasleep van de dood van sultan as-Salih Ajjoeb, waarna – zoals hierboven aangegeven – niet diens weduwe, maar de Mammelukse commandant Izz ad-Din Aibak in 1250 het Mammelukse sultanaat sticht. Als begin 1260 Hulagu de Ajjoebidische macht in Syrië wegvaagt en het Ilkhanaat creëert dat Perzië, Irak, Syrië, Armenië, Georgië plus een deel van Anatolië omvat, dreigt Egypte het volgende slachtoffer te worden. Het is echter de Mammelukse veldheer Baibars die onder bevel van sultan Qutuz bij Ain Jalut in Palestina voor het eerst de Mongoolse gevechtsmachine een halt weet toe te roepen om vervolgens Qutuz te vermoorden en het Egyptische sultanaat te bemachtigen.
Baibars zoekt naar een religieuze legitimatie van zijn sultanaat en in dat opzicht biedt de komst van een aantal vluchtelingen uit de familie der Abbasiden na de val van Bagdad een oplossing. Een broer van al-Mustansir wordt uitgenodigd het Abbasidische kalifaat te continueren in Caïro onder de naam al-Mustansir II. Hij aanvaardt in juni 1260 onder groot ceremonieel vertoon het kaliefschap om vervolgens Baibars als sultan te installeren die hij als soeverein aanstelt over Egypte, Syrië en alle gebieden die hij mogelijk zal veroveren. Het is een gebeurtenis met enorme impact voor het land dat nu als nieuw centrum van het kalifaat de meest eminente geleerden een plaats kan bieden in Caïro dat vanaf dat moment de titel voert van Stad van de Vrede.26

Behalve de legitimatie van zijn sultanaat heeft Baibars nog een tweede motief om al-Mustansir II snel in het zadel te helpen. Rond die tijd is de grens tussen het Ilkhanaat van Hulagu en Berke Khans Gouden Horde nog niet uitgekristalliseerd wat leidt tot oorlogsgeweld tussen beide Mongolen. Baibars ruikt zijn kans om het Ilkhanaat aan te vallen – en daarmee de Mongoolse dreiging voor Egypte af te wenden – door zich te verenigen met Berke die op instigatie van de sultan door de nieuwe kalief wordt ontvangen en met veel eerbetoon overladen.
Wat er vervolgens gebeurt is moeilijk te begrijpen. In 1262 doet al-Muntasir op aandringen van Baibars een poging om met een klein leger de controle over Bagdad terug krijgen, maar als hij Irak binnenvalt en de Mongolen tegenkomt, verdwijnt de kalief eenvoudigweg van het historisch toneel zonder een duidelijk spoor na te laten. Aangenomen mag worden dat hij is gesneuveld op het slagveld. De vraag is waarom Baibars heeft ingezet op deze vrijwel kansloze onderneming. Probeert hij daarmee al na korte tijd af te komen van de kalief omdat hij een ander op het oog heeft die hij gemakkelijker kan manipuleren?27
Hoe dan ook, na het korte kaliefschap van al-Mustansir II kiest Baibars voor een ander lid van de Abbasidische familie: Ahmad ibn al-Hasan. Deze had al eerder ambities getoond voor het kaliefschap, al zijn diens aanspraken op het leiderschap van de islamitische gemeenschap vaag en zwak. Ahmad geldt slechts als een verre nazaat van kalief al-Mustarshid, die regeerde in de eerste helft van de twaalfde eeuw.
Niettemin wordt hij geïnstalleerd als kalief al-Hakim, zij het met aanmerkelijk minder pracht en praal dan zijn voorganger ten deel is gevallen. Hij gaat een lange regeringsperiode tegemoet en ziet diverse sultans aan zich voorbijgaan: Baibars (1260-1277), al-Mansur Qalawun (1277-1290), al-Ashraf Khalil (1290-1293) en al-Nasir Muhammad die met enkele onderbrekingen regeert vanaf 1293 tot 1341. Hoewel de kalief weinig politieke invloed heeft, fungeert hij wel veertig jaar als degene die de Mammelukse dynastie legitimeert. De zwarte vlag van de Abbasiden wappert naast de gele van de Mammelukken in de strijd. Jegens de Mongolen van het Ilkhanaat, die zich profileren als afstammelingen van de grote Dzjengis Khan, positioneren de Mammelukken zich als beschermheren van de islamitische gemeenschap. Kalief al-Ashraf Khalil brengt dit tot uitdrukking door – als eerste en waarschijnlijk enige sultan – op zijn munten de inscriptie Muhyi al-dawla abbassiyya oftewel Vernieuwer van de Abbasidische Staat aan te laten brengen.28
Ook elders, zoals in Irak, Iran en zelfs het verre India, verbinden sultans hun gezag aan dat van de kalief in Caïro. Als de Ottomaanse sultan Bayezid in 1396 de kruisvaarders een nederlaag toebrengt in de slag van Nicopolis, vraagt hij kalief al-Mutawakkil I om een diploma van investituur en een alliantie met sultan Barquq.
Deze orde in de wereld van de islam komt onder vuur te liggen als er opnieuw een Mongool zijn zinnen heeft gezet op westelijke expansie. Het is Timoer Lenk die in 1401 Syrië verovert op de Mammelukken. Egypte ontspringt de dans, maar betaalt daarvoor een hoge prijs. De sultan dient zich te onderwerpen aan het gezag van Timoer waarmee het belang van de Abbasiden aanzienlijk wordt gereduceerd. Aan deze situatie komt verandering als de Ottomanen Syrië en Egypte veroveren en sultan Selim I in 1516 met de slag bij Marj Rahit bij Aleppo een eind maakt aan de heerschappij van de Mammelukken. Selim ontvangt de laatste kalief al-Mutawakkil III in de moskee van Aleppo die hem de titel geeft van Dienaar van Mekka en Medina.29
Hier eindigde de politieke rol van de Abbasiden, terwijl de term “kalifaat” een ambigu begrip werd, waarvan de betekenis varieerde tussen theorieën van religieuze geleerden en pogingen van sommige dynastieën om het voor hun eigen politieke doeleinden nieuw leven in te blazen.30
2 – Bartfield, Th. J., The Perilous Frontier, Nomadic Empires and China, 221 BC to AD 1757, Blackwell Publishers, Cambridge Massachussetts 1992 p. 1-2.
3 – Op. cit., p. 13 en 298.
4 – Onon, U., The Secret History of the Mongols, Curzon Press, Richmond, Surrey 2001 p. 37.
5 – Op. cit., p. 30-31.
6 – Broadbridge, A. F., Kingship and Ideology in the Islamic and Mongol Worlds, Cambridge University Press, New York 2008 p. 7-9. Zie ook Hodgson, M. G. S., The Venture of Islam 2: The Expansion of Islam in the Middle Periods, The University of Chicago Press 1977 p. 404.
7 – Onon, op. cit., p. 15.
8 – Bartfield, op. cit., p. 187-191.
9 – Op. cit., p. 191.
10 – Morgan, D., The Mongols, Blackwell Publishers Inc., Malden, Massachusetts 1990 p. 90.
11 – Op. cit., p. 89-90.
12 – Op. cit., p. 61-62.
13 – El-Hibri, T., The Abbasid Caliphate, Cambridge University Press 2021 p. 241.
14 – Morgan, op. cit., p. 68.
15 – Op. cit., p. 35. Zie ook Hodgson, op. cit., p. 288.
16 – Morgan, op. cit., p. 74.
17 – Jackson, P., The Mongols and the West 1241-1410, Pearson Education Ltd., Harlow, UK 2005 p. 72-73.
18 – El-Hibri, op. cit., p. 258-259.
19 – Wiet, G., Baghdad, Metropolis of the Abbasid Caliphate, University of Oklahoma Press 1971 (vert. Seymour Feiler) p. 157-158.
20 – Bartlett, W. B., The Assassins, The Story of Medieval Islam’s Secret Sect, Sutton Publishing Limited, Stroud, United Kingdom 2001, hst. 10. Zie ook Morgan, op. cit., p. 148-151.
21 – El-Hibri, op. cit., p. 264.
22 – Op. cit., p. 266.
23 – Schattingen lopen uiteen tussen 800.000 en 200.000. Dit laatste getal noemt Hulagu zelf in een brief aan koning en kruisvaarder Lodewijk IX van Frankrijk. Zie Morgan, op. cit., p. 151.
24 – Morgan, op. cit., p. 152.
25 – Saliba, G., Islamic Science and the Making of the European Renaissance, The MIT Press, Cambridge Massachusetts 2011 p. 243. Zie ook Wiet, op. cit., p. 166. Wiet spreekt van vierhonderd werken, wat welhaast een typefout moet zijn. De bibliotheken die de moslims creëerden waren enorm.
26 – El-Hibri, op. cit., p. 271.
27 – Brunton, J., The Mamluks, Slave Warriors of Medieval Islam, Amberley Publishing, The Hill, Stroud, Gloucestershire 2023 p. 62-63. Zie ook Holt, P. M., “Some Observations on the Abbasid Caliphate of Cairo”, in Hawting, G. R. (red.), Muslims, Mongols and Crusaders, Routledge, Abingdon, Oxon, 2005 p. 191-192.
28 – Broadbridge, op. cit., p. 45.
29 – Inalcik, H., The Ottoman Empire, The Classical Age 1300–1600, Phoenix Press Paperback, London 2000 p. 33.
30 – El-Hibri, op. cit., p. 276.
Hoe Bagdad in de Middeleeuwen hét centrum van kennis werd
Boejiden en Seltsjoeken en het verval van het Abbasidische kalifaat (946-1225)
Het Kalifaat van Samarra en het verval van Bagdad (833-946)
De hoogtijdagen van het Abbasidische Kalifaat (775-833)