Zielenzorgers
Historici hebben boeken vol geschreven over de vraag waarom executies publiek waren. Een van de verklaringen is dat vroegmoderne straffen een exemplarisch karakter hadden. Executies dienden als voorbeeld voor wat er kon gebeuren als je je niet aan de regels hield en hadden tot doel om potentiële criminelen af te schrikken. Dat maakte een samenleving veiliger. Ook zou vergelding een rol hebben gespeeld: volgens de overheid moesten misdadigers bestraft worden voor het leed dat ze anderen hadden aangedaan.
Maar executies waren ook een vorm van machtsvertoon voor de overheid. Door in het openbaar te executeren lieten bestuurders zien dat zij heersten over leven en dood, en hielden op die manier de bevolking in het gareel. Ongetwijfeld zit in al deze redenen een kern van waarheid, maar ze verklaren niet waarom mensen ook daadwerkelijk kwamen kijken. Het was namelijk niet verplicht om executies bij te wonen. Niemand joeg burgers in de zestiende eeuw hun huis uit en dwong hen naar de executieplaats te gaan; er stond geen straf op als ze niet op kwamen dagen. Mensen gingen kijken omdat ze een terechtstelling wílden zien.
Wat trok hen dan zo aan? Waarom wilden ze vrijwillig zo’n wreed schouwspel zien? Vaak wordt gedacht dat executies een soort entertainment of volksvermaak waren, maar dat strookt niet met de historische werkelijkheid, in elk geval niet voor de zestiende-eeuwse Lage Landen. In geen van de beschrijvingen van terechtstellingen die voor dit boek zijn geraadpleegd – bijna vierduizend executiebeschrijvingen – zijn aanwijzingen te vinden dat mensen ervan genoten of het plezierig vonden om naar een executie te kijken. Soms zullen toeschouwers het er hartgrondig mee eens zijn geweest dat iemand de doodstraf verdiende en hebben ze wellicht een vorm van genoegdoening gevoeld, maar ook dan is er geen reden om aan te nemen dat zestiende-eeuwse burgers plezier hadden in het kijken naar lichamelijk leed.

(…)
Hoe moeten we de belangstelling voor openbare terechtstellingen dan plaatsen? We weten dat het publiek het belangrijk vond dat een beul de straffen goed uitvoerde, zonder onnodig lijden en wreedheid, en dat een patiënt stierf volgens de ars moriendi (kunst van het sterven, red.) omdat alleen die rituelen iemands zielenheil konden waarborgen. Het idee van verlossing – dus de zorg voor het zielenheil van een patiënt en de compassie met het lijden op het schavot – biedt dan ook een kader om de emotionele ervaring van toeschouwers bij een terechtstelling beter te begrijpen. Om die reden beschrijven kroniekschrijvers de voltrekking van doodstraffen telkens als ‘deerlijk’ of ‘compasselijk’, en benadrukken ze het leed en de pijn van patiënten.
Afdruk op de ziel
Het is belangrijk om daarbij in het achterhoofd te houden dat in de vroegmoderne periode een gebeurtenis een veel directere en meer invloedrijke ervaring was dan in onze moderne tijd. In de vroegmoderne opvatting van de werking van de zintuigen maakten waarnemingen, dus waar je naar keek, wat je hoorde, of rook, een directe afdruk op je ziel. Bij het kijken naar afbeeldingen van Christus’ lijden probeerde een gelovige zich die pijn niet alleen voor te stellen, maar daadwerkelijk te voelen. Daarom hielden monniken terdoodveroordeelden vlak voor hun dood een crucifix of een afbeelding van de Passie van Christus voor ogen, zodat ze zouden sterven in zijn evenbeeld. Om dezelfde reden voelden omstanders mee met het lijden van een patiënt op het schavot. De mensen in het publiek waren geen passieve toeschouwers, maar deelnemers.
Neem bijvoorbeeld de manier waarop Marcus van Vaernewijck de houding van het publiek beschrijft tijdens de executie van timmerman Joos Bate, die op 10 april 1568 in Gent zijn dood tegemoetging op het schavot. Vlak voor zijn executie richtte Bate zich tot de toeschouwers….
…biddende elcken meinsche om vergheffenesse, belijdende zijn mesdaden voor Godt ende voor de weerelt. (…terwijl hij ieder mens om vergeving vroeg en zijn misstappen voor God en de wereld beleed, red.)

Hij vroeg ze vervolgens om samen met hem een paternoster en een ave maria te bidden voor zijn zielenheil. De toeschouwers gaven graag gehoor aan zijn verzoek:
‘tVolck met compassien beweecht zijnde, […] vallende up haer knien up de maerct oft kelsije, dwelc zeer eerlic ende goddelic ghedaen was. (Het volk, door medelijden bewogen, viel op de knieën op de markt of het kerkplein – iets wat zeer eerbaar en godvruchtig was om te zien, red.)
Van Vaernewijck, zelf toeschouwer van dit passiespel, was zo vervuld van de ‘zeer christelicke ende duechdelicke’ dood van de timmerman, dat hij die ‘zonder tranen niet en hebbe connen scrijven, van dancbaerheijt tot Godt ende compassie tot mijnen even naesten beweecht zijnde’.
Na afloop van de executie bleven het levenloze lichaam van Joos Bate en dat van de andere geëxecuteerden op het schavot liggen. De toeschouwers konden niet aanzien hoe die dode lichamen eraf geduwd werden:
‘tVolck vander stadt ghijnck dees deerlicheijt zoo naer, dat zijt niet zeer en begheerden te ziene. (De inwoners van de stad waren zo aangedaan door deze gruwel, dat ze er liever niet naar keken, red.)
Compassie

Wat gebeurde er als je als toeschouwer géén compassie toonde met de patiënt? Ook daar vertelt de Gentse kroniekschrijver over. Toen Van Vaernewijck in december 1567 ging kijken bij de executie van drie beeldenstormers op de Gentse Korenmarkt zag hij een oude bekende lopen bij de Sint-Niklaaskerk, met wie hij in de schutterij had gediend. Hij wilde zijn vriend Gilles de Buck begroeten, maar het was druk op het plein. Kinderen waren zelfs op de muur van het kerkhof geklommen om de terechtstelling beter te kunnen zien. Op het moment dat Van Vaernewijck De Buck zag lopen, werden de vier patiënten net naar buiten gebracht, richting het schavot. Hij hoorde hoe zijn oude vriend de patiënten uitlachte en belachelijk maakte toen ze van pijn omvervielen. Van Vaernewijck ergerde zich zó aan het respectloze gedrag van zijn oude vriend dat hij zich niet verwaardigde om hem te begroeten.
De executie verliep rampzalig. Door een aanvaring tussen de soldaten en het publiek ontstond er beroering en in het gedrang vonden verschillende toeschouwers de dood, waaronder De Buck. Voor de kroniekschrijver hield dat tragische feit verband met De Bucks gedrag: hij had bij het zien van de patiënten eraan moeten denken dat zijn eigen dood dichtbij kon zijn!

…zijnder noch vele pointen, die ons behooren tot compassien te beweghen over die aerme verdoolde zondaren, die hier al te lanck zouden vallen te verhalen ende reputeren.
(…zijn er nog vele punten die ons tot medelijden zouden moeten bewegen met die arme, verdwaalde zondaars, maar het zou te ver voeren om die hier allemaal op te sommen en te bespreken.)
Ook de allergrootste misdadigers zijn immers ‘ons even christen meinschen’, vond de kroniekschrijver, en zijn ‘broosch en ghebreckelic, ghelijck wij alle’. Bovendien werden ketters verleid door Satan en, zo gaf ook Van Vaernewijck toe, viel er beslist een en ander aan te merken op de staat van de katholieke Kerk, waar ‘langhe groot erruer int gheloove gheweest’ is. Maar dit alles nam niet weg dat ketters ‘die doot wel verdient hadden’.
De geschiedenis van de doodstraf
Albert Wetterman vergiftigde zijn vrouw met rattengif (en moest dat zelf met de dood bekopen)
Anatole Deibler, “de beste beul van Frankrijk”
Medestander Johan van Oldenbarnevelt werd postuum opgehangen
Nederland hield doodstraf in Indië in stand
De jas van verzetsman Eliazar Blei Weissmann