De doodstraf in het oude Mesopotamië
Tussen de wateren van de Eufraat en de Tigris, de twee rivieren die het gebied omzomen dat vele duizenden jaren geleden de vruchtbare voedingsbodem vormde waaruit de prilste menselijke beschaving wist te ontkiemen, nemen ook wij de eerste voorzichtige stappen van wat een lange en lugubere reis gaat worden langs veertig eeuwen gewelddadige levensbeëindiging.

Daarnaast kwam omstreeks het begin van het derde millennium v.Chr. vanuit een op dat moment al eeuwenoud pictografisch boekhoudsysteem het spijkerschrift tot stand, de oudste geschreven taal ter wereld, hetgeen de voorheen ongekende mogelijkheid opende te communiceren buiten de grenzen van eigen tijd en plaats. Alles wat met de rietstengel aan het kleitablet was toevertrouwd, kon vanaf nu voor het nageslacht bewaard blijven. Een ware revolutie dus en een die tot op de dag van vandaag haar weerklank vindt.
Misdaad, recht en straf
Onderdeel van deze vloedgolf van vernieuwing was ook dat de verwikkelingen rond zaken als misdaad, recht en straf geleidelijk aan banden werden gelegd. Wat voorheen in de complete anarchie van zinderende volkswoede naar algemene tevredenheid werd opgelost, zou na verloop van tijd steeds meer aan de hand van vastgelegde wetten en regels worden afgewikkeld. Het ons welbekende geweldsmonopolie van de staat vindt dus ook hier en in deze tijd haar oorsprong.
Vanzelfsprekend verliep die ontwikkeling niet zonder slag of stoot. De diepgewortelde drang om het heft in eigen hand te willen nemen, zeker wanneer het de vergelding betreft van acties die de integriteit van een gemeenschap als geheel aantasten, mag met recht een menselijk oerinstinct worden genoemd. Een meedogenloze lynchpartij is immers zelfs onze verre achterneven, de chimpansees, niet vreemd.

Het land van twee rivieren was tevens het land van twee talen en twee nauw met elkaar verbonden beschavingen, de Sumerische en de Akkadische. Het oudst hiervan waren de Sumeriërs. Hun vroegste voorgangers vestigden zich waarschijnlijk al in het zesde millennium v.Chr. aan de kust van de tegenwoordige Perzische Golf, bij de monding van de Eufraat, waar zij het land begonnen te cultiveren en handeldreven met omliggende stammen. Uit deze bescheiden oorsprong zou uiteindelijk de Sumerische beschaving ontstaan, een verzameling stadstaten die ruim tweeduizend jaar zou floreren en wier territorium het gehele gebied tussen de rivieren bestreek vanaf de kust tot net onder het huidige Bagdad.
Helemaal aan de noordrand van dit gebied lag de stadstaat Akkad. Wat de vroege geschiedenis daarvan betreft, tasten we vrijwel volledig in het duister, maar duidelijk is dat in de loop van het derde millennium een nauwe symbiose ontstond tussen de talen en culturen van de Sumeriërs en Akkadiërs.

Kort na het begin van het tweede millennium v.Chr. kwam daadwerkelijk een definitief einde aan de Sumerische beschaving, nadat vanuit het westen een volk genaamd de Amorieten was binnengevallen, die hun intrek hadden genomen in een voorheen weinig betekenisvol stadje genaamd Babylon. Het was met name een van de leden van dit voormalig Syrisch nomadenvolk, die deze nieuwe hoofdstad tot ongekende hoogte zou stuwen: Hammurabi, de zesde koning van de Babylonische dynastie. Hier dan, tijdens de eerste eeuwen van het tweede millennium, speelt onze Mesopotamische doodstrafrechtelijke bespreking zich hoofdzakelijk af, want het was in deze periode dat de vroegste beginselen van een moderne rechtsorde voor het eerst het licht zagen.
Het was een tijd van nieuwe politieke structuren en veranderende sociaaleconomische verhoudingen waarin straf- en civiel recht – waartussen overigens nog geen noemenswaardig onderscheid bestond – steeds belangrijkere instrumenten werden om orde en regelmaat te geven aan deze antieke beschavingen. In de loop van het derde millennium begonnen de Mesopotamische koningen zich steeds meer het monopolie op rechtspraak en geweldsuitoefening toe te eigenen. Deze lugals, letterlijk vertaald ‘grote mannen’, traden op als beschermheren van de Sumerische stadstaten en presenteerden zich als directe vertegenwoordigers van de goden – want het waren uiteindelijk de goddelijke wezens aan wie de ultieme juridische autoriteit werd toegeschreven.
De koning was niet alleen opperrechter; hij schreef zijn onderdanen ook letterlijk de wet voor. Een aantredend lugal bracht namelijk vaak een juridisch edict uit waarin allerhande zaken bij wet werden vastgelegd. Twee voorname voorbeelden van deze spijkerschriftwetten zijn de Codex Ur-Nammu, de oudste nog bestaande wettekst ter wereld, geschreven in de eenentwintigste eeuw v.Chr., en de Codex Hammurabi van een drietal eeuwen later.
Deze decreten, die strikt genomen eigenlijk niet zozeer allesomvattende wetbundels waren als meer rechtstheoretische verhandelingen en aanpassingen aan de geldende norm van het heersend gewoonterecht, behandelen een zeer breed scala aan onderwerpen: van beroving en moord tot erfrecht of het illegaal laten onderlopen van de akker van de buren. Alhoewel vele zaken klaarblijkelijk vrij eenvoudig konden worden afgehandeld door het betalen van uiteenlopende hoeveelheden zilver of graan, werd voor selecte gevallen zwaarder geschut van stal gehaald. En al vanaf het begin maakte de doodstraf natuurlijk ook deel uit van dat arsenaal.
Zo verkondigde de Sumerische koning Ur-Nammu in zijn tweeëndertig vergrijpen omvattend decreet dat moordenaars, rovers, overspelige vrouwen en zij die andermans bruid haar maagdelijkheid ontnamen, dat feit met hun leven zouden moeten bekopen. Daarentegen werd bijvoorbeeld het afhakken van iemands voet met meer coulance beoordeeld. Dat kon namelijk worden afgekocht met de betaling van tien sjekels – een overigens toch wel aanzienlijk bedrag, wanneer je bedenkt dat een arbeider gemiddeld slechts één sjekel per maand verdiende. Alleen al vanwege budgettaire redenen kon men dit soort spontane amputaties blijkbaar dus maar beter voor speciale gelegenheden bewaren. Hoe dan ook, de selectie van halsmisdaden lijkt in deze tijd nog beperkt te zijn en over de wijze van executie werd verder geen uitspraak gedaan.

In oorsprong diende het echter juist een tegenovergesteld doel: deze nieuw gestelde norm zou allerlei uitwassen van wraak moeten voorkomen. Wanneer iemand je een enkel oog uitstak, was het immers niet de bedoeling om de dader direct een gehele kop kleiner te maken. De welbekende en descriptieve benaming van het principe is overigens ook niet zomaar uit de lucht komen vallen; in de artikelen 196 en 200 schrijft koning Hammurabi namelijk het volgende voor:
Als een man bij zijn gelijke de tanden uitslaat, dan zullen zijn tanden eruit worden geslagen.
In het geval van halsmisdaden wordt in de wetten van Hammurabi de methode van executie lang niet altijd gespecificeerd. Desondanks lijkt wel vaak sprake te zijn van enige thematische samenhang en de spreekwoordelijke balans van ogen en tanden werd ook immer nauwkeurig opgemaakt. Te lezen is bijvoorbeeld dat:
25. Als er vuur uitbreekt in een huis, en iemand die het komt blussen laat zijn oog vallen op het bezit van de eigenaar van het huis, en ontvreemdt het eigendom van de meester van het huis, dan zal hij in datzelfde vuur geworpen worden.
Verderop is een serie artikelen gewijd aan geweld tegen zwangere vrouwen, waaruit niet alleen blijkt dat nietsvermoedende dochters ineens voor erg vervelende verrassingen konden komen te staan, maar ook dat klassenjustitie en de ongelijkheid van vrouwen net zo oud zijn als de mensheid zelf.
210. Als de vrouw sterft, dan zal zijn dochter ter dood worden gebracht.
211. Als een vrouw uit de vrijgelaten klasse haar kind door geweld verliest, dan zal hij vijf sjekels in geld betalen.
212. Als deze vrouw sterft, dan zal hij een halve mina betalen.
213. Als hij de slavin van een man slaat, en zij haar kind verliest, dan zal hij twee sjekels in geld betalen.
214. Als deze slavin sterft, dan zal hij een derde van een mina betalen.
Blijvend bij het thema ‘vrouwen trekken weer eens aan het kortste eind’: ook het leven van een barvrouw ging niet altijd over rozen, want de Babylonische horeca werd naar het zich laat aanzien uitermate strikt gereguleerd:
109. Als samenzweerders elkaar ontmoeten in de taveerne, en deze samenzweerders worden niet gevangengenomen en uitgeleverd aan het hof, dan zal de taveernehoudster ter dood worden gebracht.
110. Als een ‘zuster van een god’ een taveerne opent, of een taveerne binnentreedt om te drinken, dan zal deze vrouw levend worden verbrand.
De ‘rivierproef’
Binnen de veelheid aan voorgeschreven executiemethoden in de Codex Hammurabi is het vooral water dat een centrale plaats inneemt, en de rol ervan beperkte zich niet tot slechts de strafuitvoeringsfase. Het water van de Eufraat en de Tigris vormde het levensbloed van de antieke Mesopotamische beschavingen; via een complex stelsel van dammen en kanalen werd het tot ver in het binnenland gevoerd om akkers te irrigeren en dorstige monden te laven. Gezien de essentiële functie die zij vervulden, is het dus niet vreemd dat aan deze rivieren – en dan met name aan de Eufraat – goddelijke kwaliteiten werden toegekend.

De wet maakte er in ieder geval duidelijk onderscheid tussen: wanneer gesproken wordt van ‘in het water gooien’ kunnen we ervan uitgaan dat het om een executie ging. Het slachtoffer werd dan stevig vastgebonden teneinde het resultaat niet aan het toeval over te laten. Daarnaast wordt echter ook melding gemaakt van ‘naar de rivier gaan’ of ‘in de rivier springen’, en in dergelijke gevallen trad de rivier niet alleen op als beul, maar ook als rechter. Wanneer een verdachte niet in flagrante delicto werd betrapt en de menselijke middelen dus ontoereikend bleken om tot een rechtvaardig oordeel te komen over de schuldvraag, liet men het over aan Id, de goddelijke verpersoonlijking van de Eufraat.
De geschiedenis van de doodstraf
Korte geschiedenis van een kwetsbare mensheid
Met hangen en wurgen – Herkomst en betekenis
Alle botten gebroken
Anatole Deibler, “de beste beul van Frankrijk”
De zaak Irma Laplasse