Homerus en de Trojaanse Oorlog: mythe of geschiedenis?

5 minuten leestijd
Achilles en Hektor tijdens de Trojaanse Oorlog, schilderij van Peter Paul Rubens
Achilles en Hektor tijdens de Trojaanse Oorlog, geschilderd door Peter Paul Rubens, 1630. De strijd rond Troje vormt de achtergrond van de Ilias van Homerus.
De Ilias en de Odyssee van Homerus behoren tot de oudste werken uit de Europese literatuur. De epen ontstonden uit een lange mondelinge traditie en boden de oude Grieken een gedeeld verleden waarin geschiedenis en mythologie samenvloeiden. In Athene en Sparta. De rivaliteit die de loop van de Griekse geschiedenis bepaalde beschrijft historicus Adrian Goldsworthy de opkomst en rivaliteit van de twee machtigste stadstaten van het klassieke Griekenland. Hij begint zijn verhaal bij Homerus en de vraag in hoeverre de Ilias en de Odyssee herinneringen bevatten aan een werkelijke historische wereld. Een fragment op Historiek:

Een echt verleden en een voorgesteld verleden

De wrok, godin, van Peleus’ zoon Achilles moet u bezingen. Hij was dodelijk, bracht voor Achaeërs rampspoed zonder einde (…).

Buste van Homerus in het British Museum, Romeinse voorstelling
Buste van Homerus in het British Museum, Romeinse voorstelling
Homerus zet snel de toon in de Ilias; en daarna verhaalt de dichter in vierentwintig boeken – 15.693 regels poëzie – wat er gebeurde toen Achilles, de beste krijger in het Griekse leger buiten Troje, zich beledigd voelde door Agamemnon, heerser over Mycene. Het eerste woord in het origineel is de Griekse term voor woede of razernij, en vanwege deze belediging van zijn eer en status weigerde Achilles te vechten. In plaats daarvan wachtte hij – mokte hij volgens sommigen – in zijn tent terwijl de ene na de andere strijd slecht afliep voor de Grieken.

Na enige tijd ging zijn vriend Patroclus in zijn plaats naar de strijd, in de wapenrusting van Achilles, zodat de Trojanen zouden denken dat hun dodelijkste vijand was teruggekeerd op het slagveld. Het bedrog werkte, maar Patroclus werd te zeer door het succes meegesleept, ging te ver vooruit en kwam tegenover Hector te staan, de grootste held van de Trojanen, die hem onmiddellijk doodde. Achilles verzonk in wanhoop, en zijn haat verschoof van Agamemnon naar Hector. Hij keerde terug in de strijd, sloeg zich een baan door de Trojanen tot hij Hector vond die hij afslachtte; vervolgens vernederde hij het lichaam door het achter zijn strijdwagen mee te slepen.

Slechts de smeekbeden van koning Priamus van Troje, de oude vader van Hector, wekten ten slotte Achilles’ medelijden; zijn razernij en gevoel van verlies waren uitgewoed.

Priamos smeekt Achilles om het lichaam van Hektor
Priamos smeekt Achilles om het lichaam van Hektor – Gavin Hamilton, 1775.

De Ilias en de Odyssee, handelend over de beproevingen van een andere Griekse held, Odysseus, die er tien jaar over deed om uit Troje naar zijn thuisland Ithaka terug te keren, zijn de vroegste bewaard gebleven literaire werken in het Grieks, of zelfs in enige Europese taal. Er zijn geen complete manuscripten van voor de middeleeuwen bewaard gebleven van deze gedichten, maar er zijn veel fragmenten op papyri uit de Grieks-Romeinse wereld.

Nog belangrijker zijn de vele citaten en verwijzingen naar de gedichten van Homerus in de oude literatuur en kunst, die duidelijk maken welke centrale plaats zij in de Griekse cultuur innamen. Net als de werken van Shakespeare werden deze teksten aan kinderen onderwezen en inspireerden en verrukten ze tegelijkertijd de volwassenen en vormden hun visie op de wereld.

Bladzijde uit de Ilias, rond 500
Bladzijde uit de Ilias, rond 500
Beide gedichten werden toegeschreven aan Homerus, soms de blinde dichter genoemd, hoewel er geen grote overlevering over hem of zijn leven bestond; de zangen zelf deden er veel meer toe dan de zanger. Velen raakten ervan overtuigd dat de gedichten zelf hun uiteindelijke vorm – als het ware een geautoriseerde of officiële versie – in Athene bereikten, in de tweede helft van de zesde eeuw v.Chr., en dat er voor die tijd enige variatie bestond, zij het in lichte mate.

Onderzoekers schatten dat de gedichten ergens rond 750-700 v.Chr. zijn opgeschreven, hoewel anderen de data wat eerder stellen of juist een halve eeuw later. De meningen blijven verdeeld over de vraag of de beide epen door één man, wie hij dan ook was, werden geconcipieerd. De gedichten waren duidelijk voortgekomen uit een oudere, misschien veel oudere, orale poëzietraditie, met vaste elementen die makkelijk aangepast konden worden aan verschillende karakters en situaties en vaste formuleringen om, zodra er een naam genoemd moest worden, mensen en dingen passend in het ritme van de regel te beschrijven.

Tiresias verschijnt aan Odysseus
Tiresias verschijnt aan Odysseus – Johann Heinrich Füssli, ca. 1780–85.
Een extreme opvatting zou zijn dat de Ilias en de Odyssee door generaties van dichters vorm zouden zijn gegeven, en dat de tekst langzaam aangroeide totdat iemand besloot om die op te schrijven. Maar de kracht van deze gedichten, niet alleen voor de oude Grieken maar ook voor vandaag, is een overtuigender argument voor een enkele auteur die met zijn creativiteit en stem de versie schiep die werd vastgelegd. De verschillen in taalgebruik en houdingen tussen de twee werken vallen ruim binnen de speelruimte van één persoon, terwijl de overeenkomsten veel groter zijn. Maar toch blijven zulke oordelen onvermijdelijk subjectief en is geen van beide opvattingen te bewijzen; uiteindelijk maakt het ook niet veel uit.

De meeste Grieken geloofden dat een en dezelfde man beide gedichten componeerde, en hoewel er af en toe kritiek werd geleverd op de inhoud van de verhalen, werd hun belang en invloed door niemand ontkend. De Grieken geloofden ook dat Homerus lang na de door hem beschreven gebeurtenissen leefde. Als de moderne schattingen juist zijn, dan schreef hij zijn verzen vier of vijf eeuwen na de tijd waarin de Trojaanse Oorlog volgens de Grieken had plaatsgevonden. Of die oorlog er al of niet ooit is geweest en of de tradities erover ook maar de minste verwijzing bevatten naar echte mensen en gebeurtenissen, al vanaf het begin werden deze epische gedichten gepresenteerd als verhalen uit een vroegere tijd in plaats van uit de contemporaine wereld.

Beide bevatten sommige aspecten van de echte wereld die de toehoorders herkenden en veel dat vreemd was en spectaculairder dan het leven en de tijd die zij kenden. Er is geen aanwijzing dat er ooit een ‘homerisch tijdperk’ was waarvan de gedichten een exacte afspiegeling zouden zijn. Hesiodus, een dichter uit de zevende eeuw v.Chr., noemde dat verleden een tijdperk van helden, in tegenstelling tot het grimmige ijzeren tijdperk waarin hij leefde, waarin mannen moesten zwoegen om zichzelf en hun families te onderhouden.

Athene en Sparta - Adrian Goldsworthy
 
De Ilias en de Odyssee kijken om naar een ver verleden, maar wie ze ook schreef, hij ging ervan uit dat het publiek al op de hoogte was van Troje en van de koningen en helden die daar naar verluidt hadden gevochten. De Ilias behandelt slechts een paar weken van het tienjarige beleg van de stad en richt zich vooral op maar vijf dagen van actie. Het epos vertelt niet over de dood van Achilles, laat staan over het Trojaanse Paard of de val van Troje. Die onderwerpen komen in de Odyssee aan de orde, zij het verteld als een verhaal binnen een verhaal, iets dat al geschiedenis is.

Evenzo worden er verwijzingen gemaakt naar eerdere gebeurtenissen, maar de Ilias gaat ervan uit dat iedereen al op de hoogte is van de verleiding / ontvoering van Helena door Paris, het optuigen van de Griekse expeditie en van de negen jaren oorlog die aan het verhaal voorafgingen. Dit alles wordt bekend verondersteld, een stevig gevestigd geheel van tradities en mythen die alle Grieks-sprekende gemeenschappen deelden. De poëzie van Homerus kwam centraal te staan in deze collectieve identiteitsbeleving, maar er waren ook nog talrijke andere verhaallijnen, vaak lokaal. Het idee wat het betekende om een Griek te zijn was nooit eenvoudig of helemaal uniform.

×