In de laatste dagen van de Tweede Wereldoorlog vond in de Oostenrijkse Alpen een opmerkelijke strijd plaats die lange tijd onderbelicht bleef. Bij Kasteel Itter vochten Amerikaanse soldaten zij aan zij met Duitse Wehrmacht-militairen tegen eenheden van de SS. Deze uitzonderlijke samenwerking werpt een bijzonder licht op de chaos en morele complexiteit van de slotfase van het conflict.
De laatste dagen van het Derde Rijk
Begin mei 1945 viel het naziregime in hoog tempo uiteen. Met de zelfmoord van Adolf Hitler op 30 april was het einde van het Derde Rijk onafwendbaar geworden. Van de grote groep aanhangers van het nazisme traden er in de laatste dagen nog maar weinigen openlijk naar voren, al betekende dat niet dat hun overtuigingen verdwenen waren. Sommigen bleven zich bovendien verzetten tegen het idee dat het einde van Groot-Duitsland nabij was. In de dagen die volgden, stortte het centrale gezag in en ontstond op veel plaatsen een machtsvacuüm.
Vooral in de moeilijk toegankelijke gebieden, zoals in het Alpengebied, leidde dit tot een onoverzichtelijke situatie. Terwijl geallieerde troepen oprukten, hielden sommige SS-eenheden zich vast aan wat hen was verteld: vechten tot de laatste snik. Dus deden ze dat, ook toen de oorlog feitelijk verloren was.
De mythe van de Alpenfestung
Dat er veel fanatieke SS’ers in de Alpen rondstruinden was geen toeval. In de laatste maanden van de oorlog deden hardnekkige geruchten de ronde over een zogenoemde Alpenfestung: een vermeend laatste bolwerk van het Derde Rijk diep in de Alpen. Volgens deze berichten – die later vooral nazipropaganda bleken – zou zich in het berggebied van Zuid-Duitsland en Oostenrijk verborgen plekken zijn met voorraden wapens, munitie en proviand. Vanuit hier zou men, wanneer de oorlog verkeerd zou uitpakken, de wederopstanding kunnen laten plaatsvinden.

Gijzelaars als machtsmiddel
Al gedurende de oorlog ontstond binnen het naziregime het idee om prominente personen gevangen te nemen op afgelegen locaties. Hoewel het lastig is om exact vast te stellen wanneer deze strategie vorm kreeg, is duidelijk dat men het nut inzag van zogenoemde Sonderhäftlinge: gevangenen met politieke of symbolische waarde.
Door invloedrijke personen – zoals voormalige regeringsleiders, militairen en andere prominenten – in handen te hebben, kon het regime in een eventuele minder rooskleurige eindfase van de oorlog proberen zijn onderhandelingspositie te versterken. Kasteel Itter werd in dat kader ingericht als een bijzondere detentielocatie, al was bij de inrichting nog niet volledig duidelijk welke specifieke rol deze gevangenen uiteindelijk zouden spelen.
Kasteel Itter leek strategisch een ideale plek. Niet alleen door de bergachtige regio, maar zeker ook omdat het kasteel eigenlijk maar van één kant goed toegankelijk was en het redelijk verscholen lag. Het had zich meerdere keren in de geschiedenis bewezen als sterke burcht, hoewel het in de negentiende eeuw met name een culturele betekenis kreeg. Zo verbleef de Hongaarse componist en pianist Franz Liszt enige tijd in Itter als gast van de toenmalige eigenaar. Zijn aanwezigheid onderstreept dat het kasteel, lang vóór zijn rol in de Tweede Wereldoorlog, al een plek was waar invloedrijke en vooraanstaande personen samenkwamen.
Kasteel Itter als gevangenis
Het feit dat Kasteel Itter in de jaren voorafgaand aan de oorlog als hotel had gediend, maakte het tot een relatief geschikte locatie om te worden ingericht als zogenoemde ‘VIP-gevangenis’.
Voor die transformatie werden reeds begin 1943 twee gevangenen uit Dachau naar Itter gehaald. Twee mannen die zich inmiddels handig genoeg hadden bewezen om het kasteel logistiek gereed te maken met uiteenlopende klusjes als de elektra, het sanitair en het plaatsen van spijlen voor de ramen. Eén van deze mannen was Zvonomir Čučković, een elektromonteur uit Kroatië, die vanwege verzetsdaden naar Dachau was gedeporteerd, en wiens technische achtergrond ervoor had gezorgd dat hij überhaupt nog in leven was.

In mei 1943 had Čučković zijn ogen uitgekeken toen de eerste gevangenen arriveerden. Het betrof geen gewone gevangenen, maar een select gezelschap van prominente Franse politieke en militaire figuren. Onder hen bevonden zich voormalige premiers zoals Édouard Daladier en Paul Reynaud, die beiden een belangrijke rol hadden gespeeld in de Franse politiek in de aanloop naar en tijdens de vroege fase van de oorlog.
Ook voormalig opperbevelhebber van het Franse leger, generaal Maurice Gamelin, werd naar Itter overgebracht, evenals generaal Maxime Weygand, die in 1940 na de val van Gamelin kortstondig het Franse leger had geleid. Naast deze militaire en politieke kopstukken bevonden zich ook andere invloedrijke gevangenen in het kasteel, waaronder vakbondsleider Léon Jouhaux en de zuster van generaal Charles de Gaulle, Marie-Agnès Cailliau, die betrokken was geweest bij het Franse verzet.

De aanwezigheid van deze gevangenen onderstreepte het bijzondere karakter van Kasteel Itter. Het ging hier niet om massadetentie, maar om een selecte groep personen met politieke, militaire en symbolische waarde. Juist dat maakte hun positie precair: zij vormden in potentie een belangrijk drukmiddel in een oorlog die voor Duitsland steeds uitzichtlozer werd.
Verzet vanuit binnen
Dat het einde van nazi-Duitsland tijdens de lente van 1945 nabij was, bleek ook uit het groeiende verzet binnen de krimpende grenzen van het Derde Rijk. Steeds meer mensen durfden de nazi’s tegen te werken en zelfs binnen de Wehrmacht – waarin veel soldaten dienden op basis van dienstplicht en niet per definitie ideologisch overtuigd waren – nam de bereidheid toe om zich aan bevelen te onttrekken of deze te ondermijnen. Tegelijkertijd waren er ook officieren die, ongeacht hun eerdere loyaliteit aan het regime, inzagen dat verdere weerstand zinloos was en op eigen initiatief beslissingen namen die soms lijnrecht ingingen tegen het nazi-bestuur.
In uiterste gevallen sloten Wehrmacht-soldaten zich aan bij het lokale verzet. Zo ook in Tirol, waar officier Josef Gangl zich met zijn mannen, vlak na de zelfmoord van de Führer, aansloot bij de Oostenrijkse ondergrondse.
Wachten op vrijheid
In tegenstelling tot de meeste gevangenissen en zeker de kampen in nazi-Duitsland, waren de omstandigheden in Kasteel Itter relatief mild. Toch begon de situatie te verslechteren toen de dienstdoende SS-officier Sebastian Wimmer zich steeds vaker aan de alcohol vergreep en daardoor een last werd voor zowel gevangenen als bewakers.
Naarmate het Derde Rijk instortte, brokkelde de discipline af en groeide de onzekerheid onder de gevangenen. Bewakers verlieten hun posten en de vraag wie daadwerkelijk de controle had over het kasteel werd steeds urgenter. Tegelijkertijd zwierven in de omgeving fanatieke SS-groepen rond, op zoek naar deserteurs. Het was slechts een kwestie van tijd voordat ook zij zouden ontdekken welke prominente gevangenen zich in Itter bevonden en dat kon weinig goeds betekenen.

Toen er na een dag nog niets van hem was vernomen, besloten de gevangenen op 4 mei een tweede poging te wagen, ditmaal richting het noorden. Die taak viel toe aan Andreas Krobot, een Tsjechische verzetsstrijder die in het kasteel als kok werkte. Ook hij vertrok per fiets in de hoop de Amerikanen te bereiken. Tegelijkertijd besloot Léon Jouhaux, tegen het advies van de andere gevangenen in, contact te zoeken met Kurt-Siegfried Schrader. Schrader was een SS-officier en aanvankelijk een overtuigd nazi, maar had in de loop van de tijd een opmerkelijke verstandhouding opgebouwd met de gevangenen.
‘The Last Battle’
Op 5 mei arriveerden Amerikaanse troepen bij het kasteel, vergezeld door Wehrmacht-soldaten die zich inmiddels hadden gekeerd tegen verdere strijd, en leden van het Oostenrijkse verzet uit het nabijgelegen Wörgl. Dat gebeurde geen moment te vroeg: kort daarna werd het kasteel omsingeld door een fanatieke SS-eenheid, vastbesloten het in handen te krijgen, evenals de prominente gevangenen die zich er bevonden.
Met slechts één tank (‘Besotten Jenny’) en een handjevol mannen, moest het kasteel verdedigd worden. De slag die plaatsvond, zou later bekend komen te staan als The Last Battle. Het gevecht geldt als een van de meest opmerkelijke episoden uit de slotfase van de Tweede Wereldoorlog.

Hoewel de strijd om Kasteel Itter relatief kleinschalig was in vergelijking met de grote veldslagen van de oorlog, geeft zij een beeld van de chaotische omstandigheden in de laatste oorlogsweken. In een periode waarin bevelsstructuren uiteenvielen en ideologische grenzen begonnen te vervagen, werden keuzes steeds vaker bepaald door directe omstandigheden in plaats van overtuiging alleen.
Juist daarom is het opmerkelijk dat deze gebeurtenis lange tijd relatief onbekend bleef. Mogelijk past het verhaal van voormalige vijanden die samen optrekken tegen een gemeenschappelijke tegenstander minder goed binnen het traditionele beeld van de oorlog, waarin duidelijke scheidslijnen tussen goed en fout centraal staan.
De strijd om Kasteel Itter laat zien dat de werkelijkheid in de slotfase van de oorlog vaak weerbarstiger en complexer was dan de grote narratieven doen vermoeden. Het is een verhaal waarin toeval, overtuiging en overleving samenkomen, en waarin de grenzen tussen vijand en bondgenoot tijdelijk vervagen.
Hitlers nazi-resort in Berchtesgaden
Arthur Seyss-Inquart – Rijkscommissaris van Nederland
De geboorteplaats van Hitler, Braunau am Inn, hernoemt nazistraten
De Anschluss (1938): hoe Oostenrijk zijn onafhankelijkheid verloor