Nederland kent sinds 1945 officieel de functie van minister-president. Daarvoor werden regeringsleiders ‘voorzitter van de ministerraad’ genoemd en hadden ze een meer technische rol, zonder het politieke gewicht dat de premier vandaag de dag heeft.
- Alle Nederlandse premiers en hun kabinetten op een rij
- Gerrit Schimmelpenninck, voorzitter van de ministerraad van maart tot mei 1848
- Jacob de Kempenaer, voorzitter van de ministerraad van 1948 tot 1849
- Johan Rudolph Thorbecke, voorzitter van de ministerraad in de periode 1849-1853
- Floris Adriaan van Hall, voorzitter van de ministerraad in de periode 1853-1856
- Justinus van der Brugghen, voorzitter van de ministerraad in de periode 1856-1858
- Jan Jacob Rochussen, voorzitter van de ministerraad in de periode 1858-1860
- Floris Adriaan van Hall, voorzitter van de ministerraad in de periode 1860-1861
- Jacob van Zuylen van Nijevelt, voorzitter van de ministerraad in de periode 1861
- Schelto van Heemstra, voorzitter van de ministerraad in de periode 1861-1862
- Johan Rudolph Thorbecke, voorzitter van de ministerraad in de periode 1862-1866
- Isaäc Dignus Fransen van de Putte, voorzitter van de ministerraad in de periode 1866
- Julius van Zuylen van Nijevelt, voorzitter van de ministerraad in de periode 1866-1868
- Pieter Philip van Bosse, voorzitter van de ministerraad in de periode 1868-1871
- Johan Rudolph Thorbecke, voorzitter van de ministerraad in de periode 1871-1872
- Gerrit de Vries Azn, voorzitter van de ministerraad in de periode 1872-1874
- Jan Heemskerk Azn, voorzitter van de ministerraad in de periode 1874-1877
- Johannes Kappeyne van de Coppello, voorzitter van de ministerraad in de periode 1877-1879
- Theo van Lynden van Sandenburg, voorzitter van de ministerraad in de periode 1879-1883
- Jan Heemskerk Azn, voorzitter van de ministerraad in de periode 1883-1888
- Æneas Mackay, voorzitter van de ministerraad in de periode 1888-1891
- Gijsbert van Tienhoven, voorzitter van de ministerraad in de periode 1891-1894
- Joan Röell, voorzitter van de ministerraad in de periode 1894-1897
- Nicolaas Pierson, voorzitter van de ministerraad in de periode 1897-1901
- Abraham Kuyper, voorzitter van de ministerraad in de periode 1901-1905
- Theo de Meester, voorzitter van de ministerraad in de periode 1905-1908
- Theo Heemskerk, voorzitter van de ministerraad in de periode 1908-1913
- Pieter Cort van der Linden, voorzitter van de ministerraad in de periode 1913-1918
- Charles Ruys de Beerenbrouck, voorzitter van de ministerraad in de periode 1918-1925
- Hendrikus Colijn, voorzitter van de ministerraad in 1925
- Dirk Jan de Geer, voorzitter van de ministerraad in de periode 1926-1929
- Charles Ruys de Beerenbrouck, voorzitter van de ministerraad in de periode 1929-1933
- Hendrikus Colijn, voorzitter van de ministerraad in de periode 1933-1939
- Dirk Jan de Geer, voorzitter van de ministerraad in de periode 1939-1940
- Pieter Sjoerds Gerbrandy, voorzitter van de ministerraad in de periode 1940-1945
- Wim Schermerhorn, minister-president in de periode 1945-1946
- Louis Beel, minister-president in de periode 1946-1948
- Willem Drees, minister-president in de periode 1948-1958
- Louis Beel, minister-president in de periode 1958-1959
- Jan de Quay, minister-president in de periode 1959-1963
- Victor Marijnen, minister-president in de periode 1963-1965
- Jo Cals, minister-president in de periode 1965-1966
- Jelle Zijlstra, minister-president in de periode 1966-1967
- Piet de Jong, minister-president in de periode 1967-1971
- Barend Biesheuvel, minister-president in de periode 1971-1973
- Joop den Uyl, minister-president in de periode 1973-1977
- Dries van Agt, minister-president in de periode 1977-1982
- Ruud Lubbers, minister-president in de periode 1982-1994
- Wim Kok, minister-president in de periode 1994-2002
- Jan Peter Balkenende, minister-president in de periode 2002-2010
- Mark Rutte, minister-president in de periode 2010-2024
- Dick Schoof, minister-president in de periode 2024-2026
- Rob Jetten, minister-president sinds 2026
In de negentiende eeuw rouleerde het voorzitterschap zelfs jaarlijks tussen ministers. Pas na de Tweede Wereldoorlog kreeg de premier een vaste en zelfstandige positie binnen het kabinet, en sinds 1983 is het ambt ook in de grondwet vastgelegd. De invloed van de premier is sindsdien verder gegroeid. Naast voorzitter is hij tevens minister van Algemene Zaken, draagt hij de ministeriële verantwoordelijkheid voor het optreden van de leden van het Koninklijk Huis en vertegenwoordigt hij het land in de Europese Raad, een van de belangrijkste instellingen van de Europese Unie.
Bekijk hieronder een overzicht van alle regeringsleiders van Nederland, van Gerrit Schimmelpenninck (1848) tot Rob Jetten.
Alle Nederlandse premiers en hun kabinetten op een rij:

Gerrit Schimmelpenninck, voorzitter van de ministerraad van maart tot mei 1848
Gerrit Schimmelpenninck was de eerste Voorzitter van de Ministerraad en daarmee de facto de eerste minister-president van Nederland. Zijn ambtstermijn was wel tamelijk kort. Hij was een vertrouweling van koning Willem II en werd onder meer aangesteld om de ontwerper van de nieuwe grondwet, Thorbecke, buiten het kabinet te houden.
Lees ook: Waarom we de eerste premier van Nederland zijn vergeten
Jacob de Kempenaer, voorzitter van de ministerraad van 1948 tot 1849
Vooraanstaand jurist en politicus uit Arnhem die aanvankelijk tot de liberale hervormers behoorde. Als lid van de Grondwetscommissie van 1848 speelde hij een belangrijke rol bij de totstandkoming van de nieuwe Grondwet. Kort na die hervorming leidde hij als minister van Binnenlandse Zaken het kabinet-De Kempenaer/Donker Curtius. Later keerde hij zich tegen Thorbecke.
Johan Rudolph Thorbecke, voorzitter van de ministerraad in de periode 1849-1853
Johan Rudolph Thorbecke was de grondlegger van het moderne Nederlandse staatsbestel. Als voorzitter van de Grondwetscommissie van 1848 ontwierp hij de basis voor de parlementaire democratie, en in 1849 werd hij de eerste leider van een kabinet dat volgens die nieuwe spelregels functioneerde. Zijn eerste kabinet voerde hervormingen door op het gebied van bestuur en onderwijs en stond voor een duidelijke scheiding van kerk en staat. Toen paus Pius IX in 1853 besloot bisschopszetels in Nederland te herstellen, brak een storm van protest los (de Aprilbeweging). Omdat koning Willem III zich niet van die beweging distantieerde, bood Thorbecke zijn ontslag aan.
Floris Adriaan van Hall, voorzitter van de ministerraad in de periode 1853-1856
Floris Adriaan van Hall, jurist en ervaren financieel bestuurder, die in 1853 in een politiek verhit klimaat. Na de val van Thorbecke wist hij de rust te herstellen en het vertrouwen van koning Willem III te herwinnen. Zijn kabinet, waarin ook Donker Curtius zitting had, stond voor gematigd bestuur en herstel van stabiliteit. Van Hall hield Nederland tijdens de Krimoorlog buiten buitenlandse conflicten en werd later in de adelstand verheven.
Justinus van der Brugghen, voorzitter van de ministerraad in de periode 1856-1858
Justinus van der Brugghen was een Nijmeegse jurist en aanhanger van opwekkingsbeweging het Réveil. Als minister-president probeerde hij bruggen te slaan in de gevoelige schoolkwestie. Zijn kabinet zocht een middenweg tussen liberale en protestantse opvattingen over onderwijs, maar kreeg te maken met kritiek uit beide kampen. Zijn ambtstermijn stond vooral in het teken van de zoektocht naar verzoening in een tijd van groeiende politieke en religieuze tegenstellingen.
Jan Jacob Rochussen, voorzitter van de ministerraad in de periode 1858-1860
Jan Jacob Rochussen was een ervaren bestuurder en oud-gouverneur-generaal van Nederlands-Indië die in 1858 de leiding kreeg over een zogenoemd ‘koninklijk kabinet’. Zijn regering probeerde de tegenstellingen tussen liberalen en conservatieven te verzachten, maar stuitte op verdeeldheid over economische en koloniale kwesties. Als minister van Koloniën bleef Rochussen vasthouden aan het cultuurstelsel, wat hem veel kritiek opleverde. Na de verwerping van zijn spoorwegwet en de Pangka-affaire trad hij in 1860 af, maar hij behield de steun van koning Willem III, die hem prees om zijn loyaliteit en plichtsbesef.
Floris Adriaan van Hall, voorzitter van de ministerraad in de periode 1860-1861
Van Hall keerde in 1860 terug als kabinetsleider, in een periode van politieke onrust na de val van Rochussen. Zijn tweede kabinet, gevormd samen met Schelto van Heemstra, had een gematigde koers en moest vooral het vertrouwen tussen koning en parlement herstellen. Van Hall hield vast aan een beleid van rust en financiële stabiliteit, maar kreeg te maken met spanningen rond de koloniale politiek en de spoorwegplannen. Na iets meer dan een jaar trad hij af wegens gezondheidsproblemen, waarmee zijn lange politieke loopbaan tot een einde kwam.
Jacob van Zuylen van Nijevelt, voorzitter van de ministerraad in de periode 1861
Jacob van Zuylen van Nijevelt was in 1861 slechts enkele maanden voorzitter van de ministerraad en minister van Buitenlandse Zaken. Zijn kabinet kende een wankel evenwicht tussen liberale en conservatieve ministers en viel al snel door onenigheid over het koloniale beleid. Toen koning Willem III partij koos voor zijn tegenstanders, trad Van Zuylen af.
Schelto van Heemstra, voorzitter van de ministerraad in de periode 1861-1862
Schelto van Heemstra, een Friese edelman en voormalig aanhanger van Thorbecke, werd na het aftreden van Van Zuylen van Nijevelt voorzitter van de ministerraad. Zijn regering probeerde een gematigde koers te varen, maar kreeg al snel zware kritiek van de Kamer op de stijgende uitgaven. Toen zijn begroting eind 1861 werd verworpen, trad het kabinet af. Van Heemstra’s korte premierschap markeerde het einde van een reeks instabiele regeringen.
Johan Rudolph Thorbecke, voorzitter van de ministerraad in de periode 1862-1866
Het tweede premierschap (1862–1866) van Thorbecke wordt gekenmerkt door economische bloei en modernisering. Zijn kabinet stimuleerde de aanleg van spoorwegen, het Noordzeekanaal en de Nieuwe Waterweg, waardoor handel en infrastructuur een sterke impuls kregen. Ook werd de Wet op het Middelbaar Onderwijs (1863) ingevoerd, die leidde tot de oprichting van de HBS. Na een conflict met minister Fransen van de Putte trad Thorbecke in 1866 af.
Isaäc Dignus Fransen van de Putte, voorzitter van de ministerraad in de periode 1866
Isaäc Dignus Fransen van de Putte leidde kreeg in 1866, na het vertrek van Thorbecke, de leiding over het kabinet. Hij deed in deze verschillende pogingen om het koloniale beleid te hervormen. Na zevenennegentig dagen viel zijn kabinet over de grondpolitiek in Nederlands-Indië.
Julius van Zuylen van Nijevelt, voorzitter van de ministerraad in de periode 1866-1868
Julius van Zuylen van Nijevelt leidde van 1866 tot 1868 een conservatief kabinet dat voortdurend onder vuur lag van de Tweede Kamer. Zijn regering kwam meerdere keren in botsing met het parlement, onder meer over de benoeming van de gouverneur-generaal van Nederlands-Indië en het buitenlandse beleid rond Luxemburg. Toen de Kamer tweemaal zijn begroting verwierp, ontbond hij het parlement wat leidde tot de val van zijn kabinet.
Pieter Philip van Bosse, voorzitter van de ministerraad in de periode 1868-1871
Pieter Philip van Bosse was een ervaren liberaal staatsman die in 1868 de leiding kreeg over een kabinet van gematigde liberalen. Zijn regering bracht rust na jaren van politieke verdeeldheid en werkte aan praktische hervormingen. Van Bosse zette zich in voor financiële ordening en fiscale vereenvoudiging en schafte het dagbladzegel af, wat de persvrijheid ten goede kwam. Zijn kabinet bleef drie jaar aan.
Johan Rudolph Thorbecke, voorzitter van de ministerraad in de periode 1871-1872
In zijn derde en laatste kabinet stond Johan Rudolph Thorbecke opnieuw aan het hoofd van een liberale regering, maar zijn gezondheid en de politieke omstandigheden beperkten zijn optreden. De internationale spanningen na de Frans-Duitse Oorlog brachten hem ertoe te pleiten voor versterking van de landsverdediging, wat het kabinet de bijnaam met het geweer op den schouder opleverde. Ondanks de korte duur werden enkele belangrijke stappen gezet, zoals de toelating van vrouwen tot de HBS en universiteit. Thorbecke overleed in juni 1872.
Gerrit de Vries Azn, voorzitter van de ministerraad in de periode 1872-1874
Gerrit de Vries Azn., een leerling van Thorbecke, volgde zijn leermeester in 1872 op als kabinetsleider. Zijn kabinet zette het liberale beleid voort, maar kende weinig samenhang en slagkracht. De Vries, zelf minister van Justitie, probeerde vergeefs een nieuwe Wet op de rechterlijke organisatie door te voeren. Hoewel hij bekendstond als bekwaam bestuurder, miste hij het politieke gezag van Thorbecke. Zijn regering hield tot 1874 stand. Vader van de bekende bioloog Hugo de Vries.
Jan Heemskerk Azn, voorzitter van de ministerraad in de periode 1874-1877
Jan Heemskerk Azn. leidde van 1874 tot 1877 een conservatief-liberaal kabinet dat de politieke rust na de Thorbeckiaanse hervormingsperiode moest herstellen. Zijn regering voerde praktische wetgeving door, waaronder de Hinderwet, de Spoorwegwet en de Hoger-onderwijswet, waarmee het toezicht van de overheid op industrie en onderwijs werd versterkt.
Johannes Kappeyne van de Coppello, voorzitter van de ministerraad in de periode 1877-1879
Johannes Kappeyne van de Coppello leidde van 1877 tot 1879 een liberaal kabinet dat vooral bekend werd door de ingrijpende Wet op het lager onderwijs. Die wet verbeterde de kwaliteit van het onderwijs, maar leidde ook tot felle weerstand omdat bijzondere scholen geen staatssteun ontvingen. De heftige reacties uit confessionele hoek, met onder meer volkspetitionnementen van Kuyper en zijn aanhang, markeerden het begin van de schoolstrijd. Het kabinet hield nauwelijks twee jaar stand door verdeeldheid binnen de liberale gelederen. Verder lezen: Jan Kappeyne van de Coppello – De man van de dode vlieg
Theo van Lynden van Sandenburg, voorzitter van de ministerraad in de periode 1879-1883
Theo van Lynden van Sandenburg leidde van 1879 tot 1883 een zogenoemd fusiekabinet van gematigd conservatieven en liberalen. Zijn regering zorgde voor bestuurlijke rust na jaren van politieke strijd en bracht enkele belangrijke wetten tot stand, waaronder de Drankwet van 1881 en het nog steeds geldende Wetboek van Strafrecht. Ook werd onder zijn leiding het verdrag met België over de IJzeren Rijn gesloten. Het kabinet viel uiteindelijk over een voorstel tot verlaging van de kiesdrempel.
Jan Heemskerk Azn, voorzitter van de ministerraad in de periode 1883-1888
In zijn tweede premierschap leidde Jan Heemskerk Azn. een conservatief kabinet dat vooral bekend werd door de Grondwetsherziening van 1887. Daarmee werd het mannenkiesrecht uitgebreid via het zogeheten Caoutchouc-artikel, terwijl vrouwen expliciet van het kiesrecht werden uitgesloten. Heemskerk gold als een ervaren bestuurder met groot politiek tact en wist ondanks scherpe tegenstellingen de parlementaire rust grotendeels te bewaren. Zijn kabinet markeerde het einde van de liberale overheersing en luidde een nieuwe, meer confessionele fase in de Nederlandse politiek in.
Æneas Mackay, voorzitter van de ministerraad in de periode 1888-1891
Æneas Mackay stond van 1888 tot 1891 aan het hoofd van het eerste christelijke coalitiekabinet, gevormd door antirevolutionairen en katholieken. Zijn regering zette belangrijke stappen op sociaal en onderwijskundig terrein, met plannen voor subsidiëring van bijzondere scholen en de voorbereiding van de Arbeidswet. Tijdens zijn premierschap overleed koning Willem III en trad koningin Emma op als regentes voor de jonge Wilhelmina. Ondanks felle tegenwerking van de liberale Eerste Kamer wist het kabinet de volle termijn uit te zitten.
Gijsbert van Tienhoven, voorzitter van de ministerraad in de periode 1891-1894
Gijsbert van Tienhoven leidde van 1891 tot 1894 een liberaal kabinet dat zich boog over de uitbreiding van het kiesrecht. Zijn minister van Binnenlandse Zaken, Tak van Poortvliet, wilde het kiesrecht fors verruimen, maar dat plan verdeelde de liberalen diep. Toen de Eerste Kamer het wetsvoorstel verwierp, vroeg Van Tienhoven ontbinding van de Kamer aan, wat tot een politieke crisis leidde. Het kabinet viel kort daarna.
Joan Röell, voorzitter van de ministerraad in de periode 1894-1897
Joan Röell leidde van 1894 tot 1897 een behoudend liberaal kabinet dat de rust moest herstellen na de verdeelde zogeheten Takkiaanse jaren. Onder zijn leiding werd de nieuwe Kieswet van Samuel van Houten ingevoerd, die het aantal mannelijke kiezers verdubbelde, maar strengere eisen stelde dan het eerdere voorstel van Tak van Poortvliet. Ook kwam er een wet die de financiële verhouding tussen Rijk en gemeenten regelde. Ondanks economische tegenslag, vooral in de landbouw, bleef het kabinet stabiel en trad het na voltooide hervormingen vrijwillig af.
Nicolaas Pierson, voorzitter van de ministerraad in de periode 1897-1901
Nicolaas Pierson stond van 1897 tot 1901 aan het hoofd van het zogenoemde kabinet van sociale rechtvaardigheid. Onder zijn liberale leiding werden een reeks hervormingswetten ingevoerd die de basis legden voor de moderne verzorgingsstaat, waaronder de Leerplichtwet, Woningwet, Gezondheidswet en Ongevallenwet. Ook werd de algemene dienstplicht wettelijk vastgelegd. Het kabinet speelde daarnaast een rol bij de Haagse Vredesconferentie van 1899 en het regentschap van koningin Emma, dat eindigde met de troonsbestijging van Wilhelmina. Piersons kabinet geldt als een van de meest hervormingsgezinde van de negentiende eeuw.
Abraham Kuyper, voorzitter van de ministerraad in de periode 1901-1905
Abraham Kuyper stond aan het hoofd van het eerste brede christelijke coalitiekabinet van Nederland, gesteund door antirevolutionairen en katholieken. Zijn kabinet versterkte de positie van het bijzonder onderwijs en voerde na de spoorwegstakingen van 1903 strenge anti-stakingswetten in. Daarmee werd de macht van vakbonden binnen openbare diensten sterk beperkt. Na verwerping van de Hoger-onderwijswet door de liberale Eerste Kamer ontbond Kuyper die Kamer, waarna hij alsnog een meerderheid verwierf om de wet erdoor te krijgen. Lees verder: Abraham Kuyper – ‘Klokkenist der kleine luyden’
Theo de Meester, voorzitter van de ministerraad in de periode 1905-1908
Theo de Meester leidde een liberaal kabinet dat, ondanks het ontbreken van een parlementaire meerderheid, kon regeren dankzij gedoogsteun van de Sociaaldemocraten. Zijn regering bracht de belangrijke Wet op de Arbeidsovereenkomst tot stand, die de rechtspositie van arbeiders versterkte. Het kabinet kende meerdere crises, waaronder de zogeheten Nacht van Staal in 1906, en trad uiteindelijk af nadat de Tweede Kamer in 1907 de begroting verwierp.
Theo Heemskerk, voorzitter van de ministerraad in de periode 1908-1913
Theo Heemskerk leidde een van de langstzittende kabinetten uit de Nederlandse geschiedenis (met 2025 dagen). Zijn christelijke coalitieregering, bestaande uit antirevolutionairen en katholieken, zette belangrijke stappen richting sociale wetgeving. Onder minister Talma werden de Invaliditeits- en Ziektewet aangenomen, al volgde de uitvoering pas later. Het kabinet kreeg te maken met groeiende roep om algemeen kiesrecht en met socialistische massabetogingen in Den Haag. Minister Colijn breidde de dienstplicht uit via een nieuwe Militiewet.
Pieter Cort van der Linden, voorzitter van de ministerraad in de periode 1913-1918
Pieter Cort van der Linden leidde een liberaal, extraparlementair kabinet dat Nederland neutraal door de Eerste Wereldoorlog loodste. Onder zijn leiding kwam de Grondwetsherziening van 1917 tot stand, waarmee zowel de schoolstrijd als de kiesrechtstrijd werd beëindigd: het algemeen mannenkiesrecht werd ingevoerd, vrouwen mochten voortaan gekozen worden, en het districtenstelsel maakte plaats voor evenredige vertegenwoordiging. Ook werd de Zuiderzeewet aangenomen, waarmee de afsluiting van de zee werd voorbereid. Zijn regering wordt gezien als een van de meest bepalende van de vroege twintigste eeuw.
Charles Ruys de Beerenbrouck, voorzitter van de ministerraad in de periode 1918-1925
Charles Ruys de Beerenbrouck was tussen 1918 en 1925 tweemaal premier van Nederland en de eerste rooms-katholieke minister-president uit de geschiedenis. Zijn eerste kabinet (1918-1922) kreeg te maken met grote sociale onrust na de Eerste Wereldoorlog, de Spaanse griep en Troelstra’s mislukte revolutiepoging. Onder zijn leiding werden de orde hersteld en sociale hervormingen doorgevoerd, waaronder de Arbeidswet van 1919.
Zijn tweede kabinet (1922-1925) kende spanningen over het gezantschap bij de paus en over de omstreden Vlootwet, die uiteindelijk door de Kamer werd verworpen. Ondanks de politieke crises bleef Ruys de Beerenbrouck een gezaghebbend figuur. Hij speelde een sleutelrol in de verdere emancipatie van het katholieke volksdeel. In 1929 zou hij nogmaals een kabinet leiden (zie verderop).
Hendrikus Colijn, voorzitter van de ministerraad in 1925
Hendrikus Colijn leidde van augustus tot begin november 1925 zijn eerste kabinet, een coalitie van antirevolutionairen, christelijk-historischen en katholieken. Het kabinet stond bekend als een rechts bestuur, maar kwam nauwelijks tot regeren. Al na enkele maanden viel het na de zogenoemde Nacht van Kersten (10 op 11 november 1925). Colijns eerste premierschap eindigde daarmee abrupt, nog voor het kabinet wezenlijk beleid had kunnen realiseren.
Dirk Jan de Geer, voorzitter van de ministerraad in de periode 1926-1929
Het eerste kabinet van Dirk Jan de Geer was een extraparlementair zakenkabinet zonder vaste partijsteun, dat gevormd werd na de val van Colijn I. Dankzij het gunstige economische klimaat bleef het opmerkelijk stabiel. Het kabinet voerde enkele belangrijke hervormingen door, zoals de Comptabiliteitswet (1927), de Medische Tuchtwet (1928) en de Financiële-Verhoudingswet (1929), waarmee het Gemeentefonds werd ingesteld. Ook kwam er een eerste wettelijke regeling voor de radio-omroep en werd de wegenbelasting ingevoerd.
Charles Ruys de Beerenbrouck, voorzitter van de ministerraad in de periode 1929-1933
Het derde kabinet van Charles Ruys de Beerenbrouck was een extraparlementaire regering van RKSP, ARP en CHU, die werd geconfronteerd met de wereldwijde economische crisis. Het kabinet voerde strenge bezuinigingen en crisismaatregelen door, waaronder de Tarwe- en Zuivelwet, en nam sociale en bestuurlijke wetten aan zoals de Ambtenarenwet (1929), de Wegenwet (1930) en de Winkelsluitingswet (1930). De sociale onrust nam toe, onder meer door de muiterij op De Zeven Provinciën in 1933. Na een conflict met de Kamer over nieuwe bezuinigingen besloot Ruys tot vervroegde verkiezingen en trad het kabinet af.
Hendrikus Colijn, voorzitter van de ministerraad in de periode 1933-1939
Tussen 1933 en 1939 leidde Hendrikus Colijn vier opeenvolgende kabinetten. Als kabinetsleider kwam hij symbool te staan voor stabiliteit in crisistijd. Colijns overwegend confessionele regeringen (RKSP, ARP, CHU) werden gedomineerd door de economische crisis. Colijn hield vast aan een streng bezuinigingsbeleid en aan de koppeling van de gulden aan de gouden standaard, wat leidde tot sociale onrust, waaronder het Jordaanoproer van 1934.
Na de devaluatie van de gulden in 1936 probeerde hij het vertrouwen te herstellen, onder meer met zijn beroemde radiorede waarin hij opriep “rustig te gaan slapen”. De kabinetten-Colijn versterkten de defensie in reactie op de internationale spanningen, maar kwamen intern onder druk te staan. In 1939 kwam er een einde aan zijn premierschap toen zijn vierde kabinet al bij de regeringsverklaring ten val kwam. Verder lezen: Hendrikus Colijn – Premier tijdens de crisisjaren
Dirk Jan de Geer, voorzitter van de ministerraad in de periode 1939-1940
Het tweede kabinet van Dirk Jan de Geer bestond uit een brede coalitie van RKSP, SDAP, ARP, CHU en VDB en het eerste Nederlandse kabinet met sociaaldemocratische deelname. Het trad aan na de val van Colijn V, zonder verkiezingen. Kort na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog vluchtte het kabinet, na de Duitse inval in mei 1940, naar Londen, waar het de Nederlandse regering in ballingschap vormde. De Geer, die als laatste adellijke premier bekendstond, verloor september 1940 het vertrouwen van koningin Wilhelmina waarmee het kabinet ten val kwam. Lees verder: Landverraad van oud-premier Dirk de Geer?

Pieter Sjoerds Gerbrandy, voorzitter van de ministerraad in de periode 1940-1945
Tussen 1940 en 1945 leidde Pieter Sjoerds Gerbrandy vanuit Londen drie kabinetten die de Nederlandse regering in ballingschap vormden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Na de val van De Geer nam hij het premierschap op verzoek van koningin Wilhelmina op zich. Gerbrandy, afkomstig uit de Anti-Revolutionaire Partij, stond bekend om zijn sterke koningsgezindheid. Onder zijn leiding werden de Nederlandse krijgsmacht en het bestuur over de koloniën vanuit Londen gecoördineerd, en hield hij contact met het verzet in bezet Nederland. Zijn radiotoespraken leverden hem de bijnaam “de kleine Churchill” op. In 1945, na de bevrijding, trad zijn derde kabinet demissionair af. Gerbrandy was de enige premier in de Nederlandse geschiedenis die volledig zonder parlement regeerde.

Wim Schermerhorn, minister-president in de periode 1945-1946
Het kabinet-Schermerhorn-Drees was het eerste naoorlogse kabinet. Onder leiding van Wim Schermerhorn en Willem Drees richtte het zich op herstel van bestuur, economie en infrastructuur na de Duitse bezetting. Er kwam een geldzuivering (het tientje van Lieftinck) en een bijzondere rechtspleging voor collaborateurs. Daarnaast moest het kabinet reageren op de onafhankelijkheidsverklaring van Indonesië. In 1946 maakte het plaats voor het kabinet-Beel. Lees verder: Willem Schermerhorn: de onbekende minister-president

Louis Beel, minister-president in de periode 1946-1948
Het kabinet-Beel I was het eerste naoorlogse kabinet dat voortkwam uit vrije verkiezingen. De samenwerking tussen KVP en PvdA stond bekend als ‘het nieuwe bestand’. Belangrijkste kwesties waren het herstel van het land en het conflict rond de onafhankelijkheid van Nederlands-Indië. Na het mislukken van de Overeenkomst van Linggadjati besloot het kabinet in 1947 tot de eerste zogenoemde politionele actie. Verder werd de Noodwet Ouderdomsvoorziening ingevoerd, de voorloper van de AOW.

Willem Drees, minister-president in de periode 1948-1958
Willem Drees was van 1948 tot 1958 minister-president in vier opeenvolgende kabinetten. Onder zijn leiding maakte Nederland de overgang naar de wederopbouw en werd de moderne verzorgingsstaat gevoermd. Zijn beleid stond in het teken van herstel, industrialisatie en sociale zekerheid. Tijdens zijn kabinetten werden belangrijke wetten ingevoerd, zoals de Werkloosheidswet, de Algemene Ouderdomswet (AOW) en de Algemene Weduwen- en Wezenwet. Buitenlands zette Drees in op Atlantische samenwerking, Europese integratie en dekolonisatie van Indonesië, die in 1949 leidde tot soevereiniteitsoverdracht. Drees stond bekend om zijn sobere stijl en pragmatische aanpak en kreeg de bijnaam ‘Vadertje Drees’. Lees verder: Periode-Drees was helemaal niet zo gezapig

Louis Beel, minister-president in de periode 1958-1959
Het tweede kabinet-Beel was een kortstondig rompkabinet van KVP, ARP en CHU. Het trad aan na de val van het kabinet-Drees III en had als voornaamste taak het organiseren van vervroegde verkiezingen. Beel werd als oud-premier en lid van de Raad van State door koningin Juliana gevraagd een overgangsregering te vormen nadat een voortzetting van de rooms-rode coalitie mislukt was. Het kabinet bleef in functie tot na de verkiezingen van 1959, waarna het werd opgevolgd door het kabinet-De Quay.

Jan de Quay, minister-president in de periode 1959-1963
Het kabinet-De Quay (1959-1963) was een centrumrechts meerderheidskabinet van KVP, VVD, ARP en CHU, het eerste naoorlogse kabinet zonder sociaaldemocraten. Tijdens deze periode bereikte het conflict over Nederlands-Nieuw-Guinea zijn hoogtepunt, waarna Nederland uiteindelijk instemde met overdracht aan Indonesië. Tegelijkertijd werd in Slochteren een enorm aardgasveld ontdekt, wat de Nederlandse economie ingrijpend zou veranderen. Het kabinet voerde verder de Algemene bijstandswet in, schafte de geleide loonpolitiek af en gaf ambtenaren een vrije zaterdag. Lees verder: Jan de Quay – Politicus met een dubbel imago
Victor Marijnen, minister-president in de periode 1963-1965
Het kabinet-Marijnen was een centrumrechts meerderheidskabinet van KVP, VVD, ARP en CHU, dat regeerde tijdens een periode van economische groei dankzij de aardgasvondsten in Slochteren. Het kabinet zette de opbouw van de verzorgingsstaat voort met onder meer de invoering van de Ziekenfondswet en het sociaal minimum. Tegelijkertijd ontstonden spanningen rond de overheidsfinanciën, bekend als het ‘gat van Witteveen’. Ook leidde het huwelijk van prinses Irene met de katholieke Carel Hugo van Bourbon-Parma tot politieke en maatschappelijke beroering. Lees verder: Victor Marijnen, de minst bekende naoorlogse premier
Jo Cals, minister-president in de periode 1965-1966
Het kabinet-Cals was een centrumlinks meerderheidskabinet van KVP, PvdA en ARP onder leiding van Jo Cals. Het voerde een actief sociaal en economisch beleid met investeringen in woningbouw, infrastructuur en onderwijs, maar kreeg te maken met oplopende inflatie en stijgende werkloosheid. Belangrijke besluiten waren de aankondiging van de mijnsluitingen in Zuid-Limburg en de invoering van nieuwe sociale wetten, waaronder de WAO en voorbereidingen voor de AWBZ. Het kabinet kwam ten val tijdens de zogenoemde Nacht van Schmelzer, na een conflict binnen de KVP over het financieel beleid.
Jelle Zijlstra, minister-president in de periode 1966-1967
Het kabinet-Zijlstra was een kortstondig rompkabinet van KVP en ARP, gevormd na de val van het kabinet-Cals. Onder leiding van Jelle Zijlstra had het vooral de taak vervroegde verkiezingen voor te bereiden en lopende zaken af te handelen. Tijdens deze periode trad de Omroepwet in werking, die het publieke bestel openstelde voor nieuwe omroepen en reclame mogelijk maakte. Het kabinet besloot verder tot gaswinning op de Noordzee en nam maatregelen om de stijgende werkloosheid te bestrijden, vooral in de textielsector. Lees verder: Jelle Zijlstra: de man die goed was in gelijk krijgen
Piet de Jong, minister-president in de periode 1967-1971
Het kabinet-De Jong was een centrumrechts meerderheidskabinet van KVP, VVD, ARP en CHU onder leiding van Piet de Jong. Het kabinet voerde een stabiel beleid in een tijd van maatschappelijke onrust, studentenprotesten en groeiende roep om democratisering. Belangrijke ontwikkelingen waren de invoering van het wettelijk minimumloon, plannen voor herziening van de Grondwet (commissie-Cals-Donner), en maatregelen om economisch zwakkere regio’s te steunen. Ook werden groeigemeenten als Zoetermeer en Nieuwegein verder ontwikkeld. Het kabinet zat als eerste na de oorlog een volledige termijn uit.

Barend Biesheuvel, minister-president in de periode 1971-1973
Het kabinet-Biesheuvel I (1971-1972) was een centrumrechts meerderheidskabinet van KVP, ARP, CHU, VVD en DS’70. Onder leiding van Biesheuvel probeerde het kabinet de overheidsuitgaven te beperken, maar spanningen over het financieel beleid leidden tot het vertrek van de DS’70-ministers en uiteindelijk tot de val van het kabinet in juli 1972. Biesheuvel vormde daarna een minderheidskabinet (Biesheuvel II) van KVP, ARP, CHU en VVD dat vooral de lopende zaken afhandelde en nieuwe verkiezingen voorbereidde. Lees verder: Het ongelukkige premierschap van Mooie Barend
Joop den Uyl, minister-president in de periode 1973-1977
Het kabinet-Den Uyl was een centrumlinks kabinet van PvdA, KVP, ARP, PPR en D’66, onder leiding van Joop den Uyl. Het voerde een sociaal beleid met als motto spreiding van kennis, macht en inkomen en breidde de verzorgingsstaat verder uit. Tegelijk kreeg het kabinet te maken met economische tegenslag, veroorzaakt door de oliecrisis van 1973, hoge inflatie en oplopende werkloosheid. Het kabinet werd bekend door de invoering van het minimumjeugdloon, de individuele huursubsidie en maatregelen op het gebied van verkeersveiligheid en milieubeleid. In de buitenlandse politiek stond de onafhankelijkheid van Suriname (1975) centraal. Interne conflicten tussen Den Uyl en vicepremier Dries van Agt (KVP) verzwakten het kabinet, dat uiteindelijk viel na onenigheid over de grondpolitiek. Lees verder: Joop de Gedrevene

Dries van Agt, minister-president in de periode 1977-1982
Dries van Agt leidde drie opeenvolgende kabinetten. De oud-hoogleraar strafrecht werd bekend om zijn markante taalgebruik, gevoel voor relativering en soms onorthodoxe politieke stijl. Na minister te zijn geweest in de kabinetten-Biesheuvel en Den Uyl, voerde hij als CDA-leider in 1977 voor het eerst campagne onder één christendemocratische lijst. Zijn eerste kabinet (CDA-VVD) hield de volle termijn vol, maar het tweede, met PvdA en D’66, viel na een jaar door interne conflicten, vooral tussen Van Agt en Joop den Uyl. Het derde, een overgangskabinet met D’66, leidde het land naar nieuwe verkiezingen. Van Agt stond bekend als een eigenzinnig en soms grillig premier, die later uitgroeide tot uitgesproken pleitbezorger van de Palestijnse zaak. Lees verder: De meest kleurrijke premier die Nederland ooit had
Ruud Lubbers, minister-president in de periode 1982-1994
Ruud Lubbers leidde net als zijn voorganger drie kabinetten. Zijn eerste kabinet (CDA-VVD) voerde ingrijpende bezuinigingen en loonmatiging door om de economie uit de crisis te trekken. Het Akkoord van Wassenaar uit 1982 werd het begin van het zogeheten poldermodel. In Lubbers II (1986-1989) bleef de coalitie met de VVD intact en kwam milieubeleid nadrukkelijk op de agenda met het eerste Nationaal Milieubeleidsplan. Na een breuk met de liberalen volgde Lubbers III (1989-1994), gevormd met de PvdA, dat hervormingen in de sociale zekerheid doorvoerde. Lees verder: Ruud Lubbers – Nederlandse minister-president
Wim Kok, minister-president in de periode 1994-2002
Wim Kok leidde de twee zogeheten paarse kabinetten van PvdA, VVD en D66. Na zijn loopbaan als vakbondsleider en minister van Financiën werd hij de eerste premier zonder christendemocraten in de coalitie sinds decennia. Onder zijn leiding werd de economie hervormd en groeide sterk, terwijl op sociaal terrein ingrijpende veranderingen plaatsvonden, zoals de invoering van het homohuwelijk en de legalisering van euthanasie. Kok gold als een pragmaticus die pleitte voor het ‘afschudden van ideologische veren’. Zijn tweede kabinet viel kort voor de verkiezingen van 2002 over de Srebrenica-affaire. Lees verder: De paarse kabinetten Kok I en Kok II
Jan Peter Balkenende, minister-president in de periode 2002-2010
Jan Peter Balkenende leidde vier opeenvolgende kabinetten. Onder zijn premierschap werd de politieke koers verschoven en werd meer de nadruk gelegd op een herwaardering van normen, waarden en maatschappelijke verantwoordelijkheid. Zijn eerste kabinet (CDA-VVD-LPF) viel al na enkele maanden, maar het tweede (CDA-VVD-D66) voerde grote hervormingen door, zoals de herziening van het zorgstelsel en de WAO. Na het kortstondige rompkabinet Balkenende III (2006) volgde in 2007 een coalitie met PvdA en ChristenUnie. Dit vierde kabinet kreeg te maken met de kredietcrisis en viel in 2010 over de Nederlandse missie in Uruzgan. Balkenende trad daarna af als partijleider.
Mark Rutte, minister-president in de periode 2010-2024
Mark Rutte leidde vier opeenvolgende kabinetten. De VVD’er werd daarmee de langstzittende premier in de Nederlandse geschiedenis. Onder zijn leiding voerde Nederland bezuinigingen door na de kredietcrisis, hervormde de verzorgingsstaat en kreeg te maken met grote dossiers als de gaswinning in Groningen, de toeslagenaffaire, de coronacrisis en de asielcrisis. Rutte stond bekend als pragmatisch en communicatief sterk, maar kreeg ook veel kritiek op zijn gebrekkige informatievoorziening en zijn neiging om zich cruciale zaken ‘niet te herinneren’. Na zijn vertrek uit de politiek werd hij in oktober 2024 benoemd tot secretaris-generaal van de NAVO.
Dick Schoof, minister-president in de periode 2024-2026
Dick Schoof was van 2 juli 2024 tot 23 februari 2026 minister-president van Nederland. Hij leidde het kabinet-Schoof, gevormd door PVV, VVD, NSC en BBB. Vanaf juni 2025 functioneerde het kabinet als demissionair minderheidskabinet na het vertrek van de PVV. Schoof was partijloos en werd tijdens de formatie 2023–2024 naar voren geschoven als compromiskandidaat. Het was het eerste kabinet met een partijloze premier sinds 1918.

Rob Jetten, minister-president sinds 2026
Rob Jetten is sinds 23 februari 2026 minister-president van Nederland. Hij leidt het kabinet-Jetten, een minderheidskabinet gevormd door D66, VVD en CDA na de Tweede Kamerverkiezingen van oktober 2025. De drie partijen beschikken niet over een parlementaire meerderheid en zijn voor wetgeving afhankelijk van steun van andere fracties. Jetten is de eerste D66-premier in de Nederlandse geschiedenis.
De premier wordt steeds meer ‘de baas van het spul’
Het Torentje in Den Haag – Werkplek van de minister-presidentRaadpensionaris: eerste minister, maar geen premier
Zonder provinciale verkiezingen was het kabinet-Cals wellicht niet gevallenBoek: Alle 42 Premiers, Gerry van der ListBlijf op de hoogte van nieuwe artikelen





































Na bijna 80 jaar komt er een einde aan de PvdA
Cliëntelisme in Spanje – Politiek, macht en belangen