Brabantse Leeuwen en Vliegende Hollanders
De Speedway-wedstrijden in het Olympisch Stadion waren onvergetelijke belevenissen. Hele competities werden er verreden. Dan heb ik het vooral over de jaren vijftig en zestig met volgepakte tribunes. Die (heerlijke) doordringende geur van methanol-damp en van verbrand rubber die de hele avond boven het stadion hingen. Als je er dicht op had gezeten, konden je kleren na afloop meteen in de wasmachine. Er werd op de sintelbaan gereden, waar vooral in de bochten de sintels onder de motoren vandaan spatten. Toeschouwers op de eerste rij kregen dan ook de sintels om hun oren en gingen soms na afloop zwart naar huis.
Ploegen die tegen elkaar reden hadden prachtige namen. Amsterdam had het team De Vliegende Hollanders, dat het bijvoorbeeld opnam tegen de Brabantse Leeuwen. Ook namen als de Windmolens uit Den Haag of Twentse Ros uit Enschede. Oorspronkelijk was motorrennen in het stadion verboden, er werd op de wielerbaan van het stadion gereden en men bereikte levensgevaarlijke, enorme snelheden.
Op 1 juli 1945 vond er in het stadion een zwaar ongeluk plaats waarbij motorrenner Vleesschouwer dodelijk verongelukte en twee anderen, De Bron en Huybrechts, zwaargewond raakten. Het was overigens niet de eerste keer. Al in september 1932 raakte Hans Herkuleyns zwaar gewond. Bij een snelheid van ruim honderd kilometer per uur verloor hij de macht over zijn motor, knalde met een enorme klap tegen de balustrade aan die het publiek scheidde van de baan en vloog vervolgens ook nog over het hekwerk tussen het gillende en schreeuwende publiek. Zelf brak hij zijn beide benen en drie toeschouwers raakten gewond. Besluit: nooit meer motorrennen in het Olympisch Stadion en helemaal niet op de wielerbaan.

Twee jaar na 1945 zei Dick Bessem, de toenmalige directeur van het stadion, dat er wel speedwaywedstrijden op de vlakke gravelbaan gehouden konden worden. Bessem:
De motoren van nu zijn niet te vergelijken met de ongeleide projectielen die vroeger met zulke onverantwoordelijke snelheden tegen schuine hellingen van de wielerbaan reden.
De eerste speedwaywedstrijden in Amsterdam vonden plaats op 4 augustus 1947 en waren een groot succes. Dick Bessem haalde de sport uit Engeland naar Nederland en drie jaar later was er al een eigen clubcompetitie. Amsterdam deed mee met De Vliegende Hollanders, waarin rijders als Henk Steman, Cootje Boef, Nico van Gorkum en Tonny Kroeze uitkwamen. De Vliegende Hollanders werden gesteund door hun eigen supportersvereniging, met als clubhuis een bovenzaaltje van Café De Ruiter aan de Rozengracht. Zo werd door het bestuur ook het aangename met het nuttige verenigd. De supportersvereniging verzorgde in het stadion de reclame en gaf vakkundig commentaar bij elke wedstrijd. De speedwaywedstrijden waren voor Amsterdamse ondernemers een uitstekende kans om reclame te maken.
Natuurlijk waren ook de speedwaywedstrijden niet helemaal ongevaarlijk, maar de gevolgen waren meestal gelukkig minder ernstig dan de in het verleden gehouden motorrennen op de wielerbaan. Niemand bleef echter helemaal schadevrij. De Engelse coureur Phil Bishop moest naar het ziekenhuis worden gebracht, waar de artsen een medisch wonder constateerden. Al zijn botten bleken in het verleden wel eens gebroken of gekneusd te zijn geweest. Toen ik dit las, moest ik meteen denken aan onze vijfvoudig wereldkampioen motorcross, Jeffry Herlings uit Oploo, die in zijn carrière ook alles wat je maar kunt bedenken heeft gebroken of gescheurd.
Gouden Helm
Er werden grote speedwaywedstrijden gereden zoals die om de Gouden Helm met twee keer, ondanks de grote buitenlandse concurrentie, een Nederlandse winnaar: Tonny Kroeze. In 1953 en 1957 kreeg hij de helm, met een waarde van toentertijd 1.000 gulden. Kroeze reed in competitie voor het Twentse Ros, maar verhuisde later naar de Vliegende Hollanders en de Windmolens. Hij reed ook nog zeven jaar als professional in Engeland, waar het speedway erg populair was. Zijn zoon Henny won later in 1975 ook de Gouden Helm.

Het stadion moest grondig worden aangepast, met onder meer een renovatie van de sintelbaan die tonnen kostte. De Nederlandse rijders, waaronder Henny Kroeze, vonden de baan uiteindelijk zelfs “te mooi” geworden. Vroeger was de baan veel losser en een stuurfout was snel gemaakt, waardoor je veel vaker langs elkaar kon glippen. Nu waren inhaalmanoeuvres nagenoeg onmogelijk geworden. De Deense favoriet Hans Nielsen werd na twee dagen racen wereldkampioen.
Het bleek later (in 1987) dat deze wedstrijden de laatste waren die in het stadion werden gehouden. Een maand later zou nog om de Gouden Helm worden gestreden, maar die wedstrijd ging niet door vanwege het overlijden van organisator Sjaak Claes.
Wie stak in 1928 in Amsterdam het olympisch vuur aan?
Olympisch Stadion in Amsterdam werd bijna gesloopt voor woningbouw
Hotel Schiller als middelpunt van een roerige geschiedenis
Foto’s van Amsterdam rond 1890, in kleur
Winnaar olympische marathon van Amsterdam kwam tragisch aan zijn einde