De kettingrokende koning – het bijzondere leven van Zog I van Albanië

6 minuten leestijd
Standbeeld zog i albanie
Standbeeld van koning Zog I in Burrel, de streek waar zijn familie vandaan kwam (CC BY-SA 4.0 - Pasztilla aka Attila Terbócs - wiki)
De Albanese koning Zog I (1895-1961) geldt als een van de opmerkelijkste vorsten van het twintigste-eeuwse Europa. De zelfgekroonde monarch overleefde tientallen moordaanslagen, stond bekend als verstokt kettingroker en regeerde Albanië in een woelige periode tussen de wereldoorlogen. Zijn levensverhaal komt aan bod in het recent verschenen boek Alle Geschiedenis Ooit – Europa, waarin Arco Gnocchi, Nynke de Jong, Thom Aalmoes en Andrea Huntjens (de makers van de gelijknamige podcast) honderd verhalen uit de Europese geschiedenis de revue laten passeren. Op Historiek een fragment uit hun boek over de excentrieke koning van Albanië.

De kettingrokende koning

Een man die zichzelf tot koning kroonde, die elke dag honderden sigaretten rookte en naar verluidt meer dan vijftig moordaanslagen overleefde. Het echte leven van koning Zog I van Albanië was nog krankzinniger dan Hollywood ooit had kunnen verzinnen.

Koning Zog werd in 1895 geboren als Ahmed Muhtar Zogolli. Een telg uit een machtige landeigenarenfamilie met feodaal gezag over de streek Mat, in het toen nog Ottomaanse Albanië. Toen zijn vader onverwachts overleed, werd hij al op zijn zestiende regionaal gouverneur. Tijdens de Eerste Wereldoorlog koos Zogolli de zijde van Oostenrijk-Hongarije en vocht hij kort aan het front, maar hij belandde algauw als salonsoldaat in het mondaine Wenen. Daar proefde hij van het heerlijke leven in een wereldstad: koffiehuizen, de opera, deftige kleding… dat beviel hem wel.

Zog I van Albanië
Zog I van Albanië
Toen hij na de oorlog terugkeerde naar Albanië, raakte zijn politieke carrière in een stroomversnelling. Op zijn zevenentwintigste was hij al premier en op zijn dertigste, in 1925, president van de nieuwe Albanese republiek. Hij presenteerde zich als de Atatürk van de Adriatische kust: de man die een feodaal, verscheurd land de moderne tijd in trok. In 1928 besloot hij echter dat ‘president’ eigenlijk een te bescheiden titel was: op 1 september legde hij in het parlement in Tirana de eed af op zowel de Koran als de Bijbel, handig in een land dat zowel moslims als christenen telt, en verklaarde hij Albanië tot koninkrijk. Zijn koninkrijk, welteverstaan. Vanaf dat moment ging hij door het leven als Zog I, Koning der Albanezen.

Het leek Zog voor de wind te gaan, maar hij was bepaald geen ontspannen man. De zelfgekroonde koning zou zo’n 200 à 225 ongefilterde, geparfumeerde sigaretten per dag hebben gerookt. Vijf pakjes per dag, wat hem destijds de officieuze titel ‘de grootste kettingroker op aarde’ opleverde. Er was dan ook genoeg om nerveus over te zijn: hij stamde uit een wereld van bloedvetes – sommige bronnen spreken van honderden openstaande familievetes.

Bankbiljet van 100 franga met Ahmet Zogu, de latere koning Zog I van Albanië, 1926
Bankbiljet van 100 franga met Ahmet Zogu, de latere koning Zog I van Albanië, 1926

Moordaanslagen en paranoia

Het schijnt dat Zog zo paranoïde was dat hij bij staatsdiners zijn eigen bestek meenam. Zijn moeder hield al het eten dat voor Zog werd bereid persoonlijk in de gaten. Die paranoia kwam overigens niet uit de lucht vallen. In 1923 werd hij voor het parlement door een jonge revolutionair twee keer in de borst geschoten, maar Zog weigerde naar het ziekenhuis te gaan voordat hij zijn geplande toespraak aan het verbijsterde parlement had afgewerkt.

Zog I van Albanië
Zog I van Albanië
In 1924 dwong een linkse opstand hem in ballingschap, maar later dat jaar marcheerde hij met hulp van Joegoslavische troepen en Wit-Russische huurlingen weer doodleuk Albanië binnen. Eenmaal terug rekende hij vervolgens hardhandig af met zijn rivalen. Het leverde hem een lange lijst vijanden op, in binnen- én buitenland. Tegenstanders verweten Zog corruptie, nepotisme en bloedwraakpolitiek. Buitenlandse mogendheden zagen hem als een onbetrouwbare Balkan-krachtpatser.

De ene aanslagpoging volgde op de andere. Vergiftigde koffie, vergevorderde plannen om zijn trein op te blazen, granaten die naar zijn auto werden gegooid, er waren complotten om hem op buitenlandse reizen te kidnappen. Elke keer kroop hij door het oog van de naald, maar elke keer werd zijn gevolg van lijfwachten groter en zijn gedrag zenuwachtiger.

De ‘kogelvrije koning’

De bekendste aanslag op zijn leven vond plaats op 20 februari 1931. Zog was herstellende van een nicotinevergiftiging en daarom even terug in zijn geliefde Wenen. Daar bezocht hij een operavoorstelling, samen met zijn gevolg. Toen hij na afloop de trappen van de Weense Staatsopera af liep, openden twee Albanese ballingen opeens het vuur. Dan kenden ze koning Zog nog niet: hij trok zijn revolver en schoot terug. Omstanders doken weg, er ontstond paniek; een adjudant van Zog werd dodelijk getroffen. Terwijl er maar liefst vijftien kogels op hem werden afgevuurd, bleef koning Zog zelf miraculeus ongedeerd.

De bruiloft van koning Zog en koningin Géraldine, 1938
De bruiloft van koning Zog en koningin Géraldine, 1938
De buitenlandse kranten raakten niet uitgeschreven over deze glamoureuze ‘kogelvrije koning’, maar ondertussen was zijn thuisland Albanië in deze jaren straatarm, de wereldwijde economische crisis raakte het land hard. Om zijn regime draaiende te houden leunde Zog zwaar op buitenlandse leningen, vooral uit Mussolini’s Italië. In ruil daarvoor kreeg Rome steeds meer greep op de Albanese financiën en infrastructuur.

Tussen alle aanslagen, dreigementen en leningen door probeerde Zog ook nog een beetje aan zijn imago te werken. In 1938 trouwde hij met de 22-jarige gravin Géraldine Apponyi de Nagy-Appony, een prachtige Hongaarse aristocrate met Poolse en Amerikaanse roots. De internationale pers doopte haar meteen ‘de Witte Roos van Albanië’. Het leek even alsof Albanië een soort sprookjesmonarchie werd: een jonge, glamoureuze koningin, een moderne koning, een nieuw vorstelijk baby’tje op komst. Maar ze leefden bepaald niet lang en gelukkig.

Vlucht uit Albanië

De Italiaanse dictator Mussolini zag hoe Hitlers nazi-Duitsland Oostenrijk en Tsjecho-Slowakije had geannexeerd, en ‘il Duce’ vond dat hij nu zelf ook een daad moest stellen. Op 7 april 1939 vielen Italiaanse troepen Albanië binnen. Zogs kleine leger kon nauwelijks weerstand bieden. De koning, Géraldine (net bevallen van hun zoon Leka) en hun entourage ontvluchtten haastig het land, maar wel met een groot deel van de nationale goudreserves. Degene die hem midden in deze invasie hielp naar Groot-Brittannië te vluchten? Niemand minder dan de jonge inlichtingenofficier Ian Fleming, de latere bedenker van James Bond.

Internationale kranten bespotten Zog als ‘The King Who Ran’, de koning die wegrende. Zog zou de rest van zijn leven in ballingschap doorbrengen. Hij probeerde meerdere malen steun te krijgen voor een terugkeer naar Albanië, maar helaas, de geallieerden hadden andere prioriteiten. In 1944 kwam in Albanië Enver Hoxha aan de macht, de communistische dictator die van Albanië het ‘Noord-Korea van Europa’ zou maken. Hoxha had dan ook geen enkele interesse in een koning met terugkeerwens.

Italiaanse troepen in Albanië, 1939
Italiaanse troepen in Albanië tijdens de bezetting

Koning zonder koninkrijk

Ook in ballingschap bleef Zog een excentrieke figuur. Algauw gingen er verhalen rond over schatkisten vol gouden munten in de kelder en over een geit die vrij door het landhuis zou scharrelen. De geit zou melk leveren voor de koninklijke familie en tegelijk een soort mascotte zijn geweest, tot lichte wanhoop van het personeel én tot stille afkeer van Britse aristocraten in de buurt, die deze ‘boer’ uit de Balkan toch al nauwelijks serieus namen als collega-adellijke. De beroemde autofabrikant Ettore Bugatti schijnt ooit een verzoek van Zog om een van zijn prachtige auto’s te kopen te hebben afgewezen omdat hij zijn tafelmanieren te afschuwelijk vond: geen Bugatti voor een koning die zijn soep naar binnen slurpt!

Britse en Amerikaanse geheime diensten probeerden ondertussen nog wel om royalistische infiltranten Albanië binnen te smokkelen om Hoxha te destabiliseren, maar alle operaties mislukten hopeloos. In 1961 stief Zog in Frankrijk, ver van zijn geboortegrond. Hij werd begraven in Suresnes, nabij Parijs. Daarmee leek hij een van de vele verdwaalde, verbannen koningen van de twintigste eeuw te zijn geworden op het kerkhof van de vergeten vorstenhuizen uit een ver verleden.

Alle Geschiedenis Ooit – Europa 100 verhalen waar je hoge ogen mee gooit
 
Maar na de val van het communisme, begin jaren negentig, veranderde er veel. Hoxha’s regime had de herinnering aan de monarchie zo goed mogelijk onder het tapijt geveegd, maar nu keek Albanië met een nieuwe blik naar het verleden. Het herontdekte die ene, tikkeltje potsierlijke koning, die misschien toch ook wel symbool had gestaan voor een poging tot modernisering, voor nationale trots. Er verschenen opeens koning Zog-standbeelden in de steden. Grote boulevards werden alsnog naar hem vernoemd.

In 1997 deed zijn zoon Leka nog een ultieme poging om koning van Albanië te worden, maar ook dit eindigde in totale chaos – en zonder kroon. In 2012 werden Zogs stoffelijke resten in een officiële ceremonie eindelijk teruggebracht naar Tirana en met eer herbegraven. In een eeuw vol monarchen die hun kroon verloren, viel Zog op door zijn schaamteloze bravoure. Hij gedroeg zich, zoals een tijdgenoot het ooit samenvatte, als…

…een koning die met de ene hand zijn kroon vasthield en met de andere zijn revolver.

×