Op 4 mei 1956 onthult koningin Juliana het Nationaal Monument op de Dam in Amsterdam. Het monument staat sinds die tijd centraal bij de jaarlijkse Nationale Dodenherdenking op 4 mei die ook altijd wordt bijgewoond door het staatshoofd.
Op 9 mei 1945, enkele dagen na de overgave van nazi-Duitsland, wordt er op initiatief van het gemeentebestuur voor het eerst een dodenherdenking gehouden op de Dam in Amsterdam. Er wordt een minuut stilte gehouden om de gevallenen te herdenken.
Twee voormalige Nederlandse militairen stellen korte tijd later voor om een Nationaal Monument op te richten. De gemeente Amsterdam gaat hiermee akkoord. In afwachting van het uiteindelijke monument wordt er vast een tijdelijk monument geplaatst: een columnade met daarin elf urnen met aarde van de fusilladeplaatsen uit de elf provincies. Later wordt ook een urn met aarde uit Nederlands-Indië toegevoegd.

Voor het definitieve monument wordt beeldhouwer Johannes Anton Rädecker al in 1947 benaderd. Enkele jaren later gaat hij samenwerken met architect J.J.P. Oud. Het gezamenlijke ontwerp wordt in 1951 door de ministerraad goedgekeurd. De beelden zijn gemaakt door Rädecker, terwijl de reliëfs worden verzorgd door Paul Grégoire.
Symboliek
Het monument bestaat uit een tweeëntwintig meter hoge zuil of pyloon, gemaakt van wit natuursteen (Italiaans travertin), geplaatst op een vierkant voetstuk. De zuil is vaak geïnterpreteerd als een opgericht zwaard en symbool van verdediging. Op de voorkant van de zuil is een reliëf van vier geboeide mannenfiguren te vinden. Zij verbeelden de ellende van de oorlog. Aan weerszijden van dit reliëf staan twee beelden van mannen met aan hun voeten huilende honden. Deze mannen staan symbool voor het verzet (van intellectuelen én arbeiders) terwijl de honden ‘smart’ en ’trouw’ verbeelden.
Op de pilaar boven de vier mannen bevindt zich een groot reliëf van een vrouwenfiguur met een kind op haar arm. De vrouw heeft een krans om haar hoofd en ze wordt omringd door duiven. Dit zijn symbolen van overwinning, vrede en nieuw leven. Op de achterzijde van de zuil zijn omhoog vliegende duiven te zien die verwijzen naar de bevrijding.

Aan de achterzijde van de zuil is een halfronde gedenkmuur te vinden, eveneens gemaakt van wit natuursteen. In de nissen van deze muur zijn de verschillende urnen met aarde bijgezet. De aarde is afkomstig uit alle Nederlandse provincies, maar ook uit voormalig Nederlands-Indië, Suriname en de Antillen. Nationaal Comité 4 en 5 mei:
Met het zand dat afkomstig is van plaatsen waar Nederlanders zijn gemarteld en vermoord, wordt het nationale karakter van het monument benadrukt.
Een aantal meters voor het monument zijn verder twee leeuwen op ronde voetstukken te vinden, als symbolen van waakzaamheid en kracht.
Dichtregels

Nimmer, van erts tot arend, was enig schepsel vrij onder de zon,
noch de zon zelve, noch de gesternten.
Maar geest brak wet en stelde op de geslagen bres de mens.
Uit die eersteling daalden de ontelbaren.Duchtend zijn hoge blik
deinsden hun zwermen binnen de wet terug
en werden volkeren en stonden elkander naar het leven,
onder nachtgewolkten verward treurspel, dat wereld heet.Sindsdien werd geen mens vrij dan ontboden van boven zijn dak,
geen volk dan beheerst van boven zijn torens.
Blijve ons dat bij,
verlost als we werden uit het schrikbewind van een onderwereld.
Niet onbeheerst, doch enkel beheerst van boven de wereld
blijft vrijheid ons deel.

Inscripties
Naast de dichtregels van Adriaan Roland Holst zijn op het monument nog andere inscripties aangebracht. Zo bevindt zich aan de achterzijde, bij de urnen met aarde, een tekst van dichter en literatuurwetenschapper Nico Donkersloot, die tijdens de Tweede Wereldoorlog betrokken was bij het verzet en door de Duitse bezetter werd opgesloten in de gevangenis van Scheveningen, het zogeheten Oranjehotel.
Aarde, door het offer gewijd, samengebracht uit gans het land, teken tot in verren tijd van heugenis en vasten band.
Op de voorzijde van het monument is verder een Latijnse tekst aangebracht van classicus J.D. Meerwaldt:
Hic ubi cor patriae monumentum cordibus intus quod gestant cives spectet ad astra Dei. (Hier, waar het hart des vaderlands is, moge het herinneringsteken, dat de burgers in het binnenste hunner harten dragen, schouwen tot de sterren gods.)

Onthulling
Het monument wordt op 4 mei 1956 onthuld door koningin Juliana. Sinds die tijd vervult het monument een centrale rol bij de Nationale Dodenherdenking.
In 1995 valt een deel van het voetstuk waarop de centrale vrouwenfiguur rust naar beneden. Onderzoek wijst uit dat het monument is verzwakt doordat er regenwater in de holten van het beeld is binnengedrongen. Twee jaar later wordt besloten het beeld grondig te restaureren. Het gehele monument wordt gedemonteerd en de beelden worden vervolgens met kunsthars geïmpregneerd. Het bakstenen binnenwerk van de zuil wordt daarnaast vervangen door een kern van beton. In april 1998 is de restauratie voltooid

Het monument door de jaren heen
Na de onthulling in 1956 kreeg het Nationaal Monument een vaste plaats in de Nederlandse herdenkingscultuur. Jaarlijks vormt het de centrale plek van de Nationale Dodenherdenking op 4 mei, die altijd wordt bijgewoond door het staatshoofd en leden van het kabinet.
In de loop der tijd was het monument daarnaast echter ook meermaals het doelwit van acties en bekladdingen, variërend van protestuitingen in de jaren zestig tot recente incidenten. Zo werd het monument op 4 mei 2026 in aanloop naar de herdenking van die dag bijvoorbeeld beklad met rode verf en voorzien van leuzen die verband hielden met de oorlog in Gaza.
De Waalsdorpervlakte: een beladen herdenkingsplaats
Naatje van de Dam – Het eerste nationale monument op de Dam
Mariniers verjoegen hippies van de Dam (1970)
De Erelijst van Gevallenen 1940-1945
De Hongerwinter van 1944-1945