De Olympische vlam
Er brandde een vuur in de tempel van Hera, de vrouw van Zeus, ter nagedachtenis aan de diefstal van het vuur door Prometheus. Prometheus had het beste voor met de mensheid; daarom stal hij het vuur van de goden en gaf hij het aan de mens. De mens was vanaf dat moment in staat het vuur te beheersen. Prometheus staat als beeld, met het vuur in zijn hand, voor het Olympisch Stadion in Amsterdam.

Hoewel de oude Olympische Spelen werden afgeschaft, werd de traditie van het ontsteken van het Olympisch vuur tijdens de moderne Olympische Spelen van 1928 in Amsterdam weer nieuw leven ingeblazen door Jan Wils, de architect van het stadion. Hij ontwierp de marathontoren met daarop een schaal. Er kwam overdag rook uit en ’s avonds, na zonsondergang, brandde het Olympisch vuur. Het moet in het donker een prachtig gezicht zijn geweest. Zoals onder andere het Nieuwsblad van het Noorden het omschreef:
Maar toen de dag gedaan en de schemering van den bekoorlijken Juli-avond gekomen was, toen zijn wij naar den Amstelveenscheweg gewandeld om er getroffen te worden door de slanke lijnen van den Marathon-toren, die glansden in de donkerte: honderden electrische lampen verlichtten tot den top van den toren, de vier smalle kanten van het bouwwerk. En hoog boven het steenen gevaarte laaide, voor het eerst, de vlam van het Olympisch vuur, die lekte in vlammende tongen, gedurende heel den donkeren nacht.
Er was in 1928 geen toestemming gegeven door het Internationaal Olympisch Comité (IOC) voor dit nieuwe Olympische symbool. Wel was het meteen duidelijk dat het indruk zou maken. Daarom werd in 1932 in Los Angeles hetzelfde vuur ontstoken als in Amsterdam.
Geen groots moment
Het grootste raadsel uit de Nederlandse sportgeschiedenis is al decennialang onderwerp van discussie: wie heeft de Olympische vlam, tijdens de opening van de Spelen van Amsterdam ontstoken? Niemand weet het.
De ontsteking van de vlam was geen groots evenement in Amsterdam, zoals tegenwoordig. Het werd pas acht jaar later, in 1936, een onderdeel van de start, van de Spelen. Het idee kwam eigenlijk van Adolf Hitler. Hij maakte van het dragen van de fakkel van Olympia naar Berlijn (3500 km) en het ontsteken van de vlam een Olympisch symbool. De Duitse atleet Fritz Schilgen kreeg de eer de laatste handeling te mogen verrichten, onder het oog van duizenden toeschouwers.

De meeste sporthistorici, onder meer Jurryt van de Vooren, beschouwen het ontrafelen van het vuurmysterie als een bijna heilige missie. De Amsterdammer Van de Vooren heeft dagen in de archieven van de politie en brandweer gezocht naar een naam of aanwijzing die hem verder kon helpen, zonder enig resultaat. Hij heeft zelfs het persoonlijke archief van Jan Wils, de architect van het stadion, in Voorburg doorzocht. Geen woord over de vlam. Van de Vooren heeft alleen vastgesteld dat het vuur de eerste keer in 1928 niet is aangestoken door Jan Wils zelf, een agent of een medewerker van de brandweer.
Het was zeker vastgelegd en bewaard gebleven als prins Hendrik, die ook de opening verrichtte van de Spelen, het vuur had aangestoken. Ook de kranten uit die tijd besteedden geen woord aan het aansteken van de vlam. Het moet bijna een achteloze handeling zijn geweest. De aansteker moet geen flauw benul hebben gehad van de historische waarde. Wat we wel weten is dat er in de Marathontoren buizen waren verbonden met het stadsgas. Waarschijnlijk heeft iemand een eenvoudige lucifer gebruikt om de vlam te ontsteken. Het was geen groot, meeslepend moment. (Het verhaal gaat dan ook dat het iemand van de Gasunie moet zijn geweest). Elke dag betrad een medewerker van het gasbedrijf de trappen van de toren om 46 meter hoog het vuur te ontsteken.
Soms brandt de vlam weer
Tot op de dag van vandaag is het nog steeds mogelijk de vlam in de schaal, bovenin de toren, te laten branden. De buizen zijn er nog steeds en via gasflessen op de grond kan het vuur worden aangestoken. In de geschiedenis van het Olympisch Stadion is dit een paar keer gebeurd, zoals bij de heropening van het stadion op 13 mei 2000, na de renovatie. Het was, toen nog, prins Willem-Alexander die de eer had.

Vanaf 8 februari 2014 was het weer raak, namelijk tijdens de Olympische Winterspelen in de badplaats Sotsji in Rusland. Elke keer als er goud werd gewonnen, ging het vuur op de toren aan. Op de eerste dag was het meteen al raak, toen Sven Kramer de gouden medaille op de vijfduizend meter won. Er werd acht keer goud gewonnen en ook acht keer brandde de vlam. Na het aansteken mocht deze slechts een uur branden. In de vergunning van de gemeente Amsterdam stond dat het niet toegestaan was de vlam langer dan een uur te laten branden, vanwege veiligheidsoverwegingen.
Echter, de grote brandende vraag blijft nog steeds overeind: wie heeft het vuur in 1928 in Amsterdam aangestoken?
Olympisch Vuur werd bedacht door Nederlandse architect
Olympisch Stadion in Amsterdam werd bijna gesloopt voor woningbouw
De Olympische Spelen van 1928 in Amsterdam
Hitlers generale repetitie: hoe de Winterspelen van 1936 de blauwdruk voor moderne sportswashing werden
Een boksring op de appelplaats van kamp Vught
Scandinaviërs zagen aanvankelijk niets in Winterspelen