De autobiografie als historische bron – ‘de gevaarlijkste van alle bronnen’

Historici, autobiografie en fictie
2 minuten leestijd
Postuum portret van Johan Huizinga
Postuum portret van Johan Huizinga. Collectie Icones, Universiteit Leiden.

“Ik: het eerste woord van deze en het naar recht en reden meest gebruikte in elke autobiografie”. Met die pregnante aanhef opende de historicus Jacques Presser (1899-1970) de helaas onvoltooid gebleven autobiografische schets Louter verwachting (1985) van zijn veelbewogen leven. Presser – die zelf de term ‘egodocument’ toevoegde aan het vocabulaire van de historicus – wist als geen ander dat het schrijven ervan in essentie altijd een nogal delicate aangelegenheid bleef.

IJdeltuiterij, opgeblazenheid en gewichtigdoenerij
 
Als beschrijver van het eigen leven blijven we immers altijd amateur. Voorwerp van onderzoek en onderzoeker vallen onvermijdelijk samen en daarom blijft iedere autobiografie in de kern subjectief. Ons autobiografische geheugen is bovendien selectief en heeft de neiging ons leven te verfraaien, te verhullen of anderszins in een apologetisch daglicht te plaatsen.

Niet ten onrechte omschreef de historicus Jan Romein de autobiografie vanwege die intrinsieke eigenschappen als “de gevaarlijkste van alle bronnen”. In de publicatie IJdeltuiterij, opgeblazenheid en gewichtigdoenerij: historici, autobiografie en fictie belicht de historicus Rudolf Dekker op heldere en prettig leesbare wijze waarom de status van de autobiografie en andere egodocumenten inmiddels zijn veranderd en als volwaardige bronnen worden beschouwd. Dekker richt zijn focus op de rol van de autobiografie binnen de vakhistorie. Aan bod komen tevens de familiegeschiedenis en academische roman als ‘hybride’ autobiografische genres.

“Een vonkske ontvangen…”

Opvallend is de buitengewoon beperkte bijdrage van historici aan het autobiografische genre. Een belangrijke en noodlottige rol daarbij speelde volgens Dekker het zogenaamde ‘bescheidenheidstopos’:

Historici presenteren zichzelf graag als bescheiden mensen en legitimeren hun autobiografische uitingen vaak op verzoek van anderen.

Wie de zeer beperkte autobiografische productie van Nederlandse historici beziet kan Dekker geen ongelijk geven. Huizinga’s autobiografische schets Mijn weg tot de historie is misschien illustratief voor het soms tot pose geworden ‘bescheidenheidstopos’. Zijn verhouding “tot de strengste aller Muzen” beschouwde hij immers als “een min of meer vagebondeerende” en hij had ‘”maar een vonkske ontvangen dat af en toe wel gloeien wilde”.

Mijn weg tot de historie - 
Johan Huizinga
 
In navolging van de historicus Jeremy Popkin laat Dekker ook zien dat zowel opleiding als beroepspraktijk op gespannen voet staan met het beoefenen van het genre door historici. Volgens Dekker werden historici “eeuwenlang geconditioneerd om in hun werk achter de coulissen te blijven”. Aan de hand van diverse voorbeelden (o.a. Kossmann, Von der Dunk, Wesseling, Pleij) laat Dekker zien dat oudere historici daarentegen hun pen moeten oppakken om de kennis van de Nederlandse historiografie niet verloren te laten gaan.

Familiegeschiedenis als historische bron

Dekker laat overtuigend zien dat geschiedschrijving en autobiografie ook op een troebele wijze met elkaar verweven kunnen zijn. Aan de hand van de familiegeschiedenis van de historicus Hans Blom en Chris van der Heijden belicht hij die controversiële verwevenheid. Zelf werd ik tijdens mijn studie geschiedenis in de jaren tachtig indirect geconfronteerd met die gevoelige aspecten van de Nederlandse historiografie. Bloms inaugurele rede In de ban van goed en fout? Wetenschappelijke geschiedschrijving over de bezettingstijd in Nederland (1983) was destijds de knuppel in het hoenderhok van de oorlogshistoriografie.

Nieuwsgierig naar het oordeel van de vakhistorie vroeg ik tijdens een werkcollege naar het oordeel van een docent. Nog herinner ik mij de woede en de banvloeken die een docent over Bloms rede uitsprak. Evenals in zijn eerdere publicatie Plagiaat en nivellering. Nieuwe trends in de geschiedschrijving over de Tweede Wereldoorlog (2019) toont Dekker die verwevenheid van geschiedschrijving en familiegeschiedenis.

Jan Romein had kortom niet helemaal ongelijk toen hij de autobiografie omschreef als “de gevaarlijkste van alle bronnen”. Met dat voorbehoud blijft de autobiografie een belangrijke bron voor het onderzoek naar de geschiedenis van de Nederlandse geschiedschrijving. Dekkers beknopt overzicht biedt daarvoor een uitstekende handleiding.

×