Bataven vervulden een sleutelrol in de Romeinse keizerlijke lijfwacht

6 minuten leestijd
grafstenen lijfwacht romeinse keizer
Grafstenen van leden van de Germani corporis custodes in Rome; de tweede van links behoort toe aan Indus, Bataaf en lijfwacht van Nero (eerste eeuw na Chr.) - Foto: Robert Nouwen
In Rome en de Lage Landen beschrijft historicus Robert Nouwen vijf eeuwen Romeinse aanwezigheid in onze streken, van de veroveringen van Caesar tot de opkomst van het Frankenrijk. Hij verbindt politieke en militaire gebeurtenissen met archeologische vondsten en laat zien hoe de noordelijke rand van het rijk uitgroeide tot een strategische regio van betekenis. In onderstaand fragment richt Nouwen de blik op de Bataafse ruiters die dienden in de keizerlijke lijfwacht.

De Bataafse lijfwacht van keizer Nero

Tijdens de regering van keizer Nero (54–68 na Christus) diende de Bataaf Indus in de keizerlijke lijfwacht. Hij stierf in Rome, zesendertig jaar oud, ver van zijn geboortestreek aan de randen van het rijk. De Bataven genoten de reputatie van voortreffelijke ruiters en onverzettelijke krijgers. Juist daarom stelde Nero groot vertrouwen in Indus en zijn stamgenoten. Zij waren meer dan louter bewakers van de keizer. In de arena traden zij op tijdens jachtspelen en boden zij het volk spektakel; in de schaduw van de macht werden zij ingezet als huurmoordenaars. Hun loyaliteit gold de keizer, niet de stad. Onder Galba keerde het lot. Ondanks hun trouwe dienst in het hart van de macht werden zij naar hun vaderland teruggestuurd.

Nederlanders in het Romeinse leger

De Batavi stelden al zeer vroeg militairen ter beschikking van het Romeinse leger. Zij waren geroemd als krijgers en werden bijzonder gewaardeerd omdat zij uitstekende ruiters waren en bovendien goed konden zwemmen.1 Zij leverden, net als de Ubii of de Tungri, soldaten voor de hulptroepen en speelden een actieve rol in de Germaanse expedities van Germanicus.2 Opmerkelijk is echter dat naast militairen voor de hulptroepen, beide stammen ook lijfwachten voor de keizerlijke garde leverden: de Germani corporis custodes. Gezien de reputatie van de Bataafse krijgers is dat niet verwonderlijk.

Een grafplaat van één van de Bataafse lijfwachten van keizer Nero, die in Rome op de rechteroever van de Tiber bij de Milviusbrug het grafmonument terug gevonden, is erg leerrijk:3

Indus / Neronis Claudi / Caesaris Aug(usti) / corpor(is) custos / dec(uria) Secundi / natione Batavus / vix(it) ann(os) XXXVI h(ic) s(itus) e(st) / posuit / Eumenes frater / et heres eius ex collegio / Germanorum

Indus, lijfwacht van Nero Claudius Caesar Augustus, uit de afdeling van Secundus, Bataaf van geboorte, heeft 36 jaar geleefd. Hij is hier bijgezet. Eumenes, zijn broer en erfgenaam, van de vereniging van de Germanen heeft (zijn grafsteen) geplaatst.

De Bataaf Indus diende bij de Germani corporis custodes. Ook zijn broer Eumenes maakte deel uit van dit elitekorps. Hun grafschrift vermeldt enkel hun roepnamen, wat erop wijst dat zij geen Romeinse burgers waren en beiden nog in actieve dienst verkeerden. Opvallend zijn vooral hun namen. Wanneer deze ruiters bij de keizerlijke lijfwacht in dienst traden, namen zij een Griekse of Romeinse naam aan, of veranderden zij hun inheemse naam in die richting. De naam Indus betekent in het Latijn letterlijk “de Indiër” en was afgeleid van het Oudgriekse Ἰνδός’ (Indos). Als bijnaam werd hij in Rome nogal eens gebruikt voor iemand met een exotisch uiterlijk. Tegelijk stroomt op korte afstand van Aken de Inde, een zijrivier van de Roer en is Indus een naam die in het land van de Treviren voorkomt. Eumenes (Εὐμένης) is dan weer een typisch Griekse naam. Indus en Eumenes verwijzen in de Romeinse context dus niet langer naar de Germaanse afkomst van beide mannen, maar passen veeleer binnen een Grieks-Hellenistische context.

Grafsteen van Indus, Bataaf en lid van de keizerlijke lijfwacht van Nero (Germani corporis custodes), Rome, eerste eeuw na Chr.
Grafsteen van Indus, Bataaf en lid van de keizerlijke lijfwacht van Nero (Germani corporis custodes), Rome, eerste eeuw na Chr. – Foto: Robert Nouwen

Persoonlijke lijfwacht

De Germani corporis custodes waren naast de praetoriani de persoonlijke lijfwachten van de Iulisch-Claudische keizers. Reeds Julius Caesar was tijdens de Gallische oorlogen vergezeld door Germaanse krijgers te paard die zijn persoonlijke lijfwacht vormden.4 Door zijn opvolgers werd dit elitekorps als onmisbaar beschouwd. Het is opvallend dat de Batavi een bijzonder overwicht hadden in deze garde die sedert Caligula tussen de 500 en 1000 manschappen telde, de Ubii in mindere mate.

Het overwicht van beide stammen in de Germani corporis custodes kan worden verklaard door een bondgenootschapsverdrag tussen de Romeinen enerzijds en de Batavi en Ubii anderzijds. Beide volkeren stonden bekend om hun grote loyaliteit en toewijding, een reputatie die zij hadden opgebouwd in tijden van crisis. Suetonius verwees in zijn biografie van Caligula naar deze garde als de numerus Batavorum, oftewel de Bataafse eenheid.5 En meer dan honderd jaar later werd de keizerlijke lijfwacht te paard, de zogenaamde equites singulares Augusti, nog steeds de Batavi genoemd. Zo groot was hun faam.

Caligula stelde gladiatoren aan als bevelhebbers van zijn Bataafse lijfwacht. Zo kwam het dat op de dag van de moord op de keizer de gladiator Sabinus het bevel voerde over dit korps.6 Keizer Nero vertrouwde hen bijzonder omdat zij van vreemde herkomst waren en dus buiten de Romeinse politiek stonden.7 Ook hij gaf gladiatoren het commando over de Germani corporis custodes.8 Tijdens zijn laatste levensjaren voerde de gladiator en vrijgelatene Ti. Claudius Spiculus het bevel. Galba deed niet langer een beroep op deze Germanen. Suetonius deelt mee dat hij de manschappen van dat korps zonder enige vergoeding terug naar hun thuisland stuurde.9

Buste van keizer Nero - Musei Capitolini, Rome
Buste van keizer Nero – Musei Capitolini, Rome (CC BY-SA 3.0 – cjh1452000 – wiki)
Suetonius10 lijkt te suggereren dat deze militairen rechtstreeks bij de Batavi en Ubii aan de Rijn werden geronseld. Het is eerder waarschijnlijk dat deze gardesoldaten eerst enkele jaren militaire dienst in een ala of ruitereenheid hadden voltooid, wellicht de ala I Batavorum, voordat zij werden geselecteerd voor het elitekorps van de Germaanse lijfwachten. Deze lijfwachten te paard werden gekozen op basis van hun fysieke kwaliteiten, die aansloten bij de Germaanse stereotypen. Vooral een imposante verschijning was van cruciaal belang, aangezien deze de keizerlijke macht en superioriteit onderstreepte. Ook moed, uitstekende ruiterkwaliteiten en onvoorwaardelijke trouw aan de keizer waren essentiële eigenschappen. Dat militaire aspect maakte deel uit van de Bataafse identiteit en is zichtbaar in de grafmonumenten van deze militairen. De grafstenen van Imerix in Zador en Flavus in Budapest zijn met hun ruiterscènes mooie voorbeelden daarvan.

De Bataafse kwaliteiten als ruiters veronderstelden een sociale organisatie waarin mannen vanaf jonge leeftijd als ruiters werden opgeleid en hen tijdens toernooien de gelegenheid werd geboden om hun vaardigheden te demonstreren.11 Het lijdt geen twijfel dat het bijzonder was om voor deze garde van keizerlijke lijfwachten te worden geselecteerd. De Bataafse krijgers namen tijdens hun dienst in dit korps van keizerlijke lijfwachten vaak Griekse of Romeinse namen aan, of een Romeinse versie van zijn geboortenaam.12

Onder Nero ontstond de gewoonte om de naam van de keizer aan de eigen roepnaam toe te voegen. Ook de Ubii deden dat. Het bleek een echt ‘modeverschijnsel’ te zijn. Voor velen was dit een breuk met het verleden, maar het lijkt tegelijk aan te geven dat militaire dienst in deze eenheid als een eer werd beschouwd en voor de soldaat zowel prestige als welstand met zich meebracht. De grote grafplaten in travertijn die van deze soldaten werden teruggevonden, bevestigen dit.

Vermaak van het volk

Eenmaal de ruiters tot de Germani corporis custodes waren toegetreden, bestond hun voornaamste taak uit de bewaking van de keizer. Zij vergezelden de keizer niet alleen in Rome, maar ook tijdens zijn reizen door het Romeinse rijk. Nero genoot ervan om samen met zijn lijfwacht te paraderen. Daarnaast ondergingen zij op geregelde tijdstippen trainingen. Deze bestonden niet alleen uit militaire oefeningen en dril, maar ook uit schijngevechten in de arena, geleid door gladiatoren.13 Nero zette zijn escorte ten volle in voor het vermaak van het volk. Zo beschrijft Cassius Dio hoe ruiters van de garde tijdens een voorstelling langs de stieren galoppeerden en ze met hun speren doodden en hoe zij wat later met hun lansen vierhonderd beren en driehonderd leeuwen neerstaken.14 Maar de opdrachten die zij kregen, waren niet altijd zo ‘onschuldig’.

Rome en de Lage Landen
 
Tijdens de samenzwering van Piso in 65 na Christus, bijvoorbeeld, kregen zij de taak een hele reeks verdachten uit te schakelen. Tacitus beschrijft hoe zij in onafgebroken rijen gevangenen in boeien geslagen uit hun huizen sleurden of ter plekke folterden en vermoordden. Ongetwijfeld verrichtten zij ook het smerige werk tijdens de verhoren.15 Voor deze vuile karweien ontvingen zij ieder vijfhonderd denarii, zowat tweederde van een jaarloon. De Batavi waren beslist geen koorknapen.

Vanaf de regering van keizer Claudius sloten de Germani corporis custodes zich aan bij het collegium Germanorum, een genootschap dat de ruiters van de keizerlijke garde verenigde. Dit was opmerkelijk, want het was militairen uit de legioenen en de hulptroepen niet toegestaan lid te zijn van een dergelijke vereniging. Deze garde vormde een hechte mannengemeenschap waarin kameraadschap van groot belang was en vriendschappen voor het leven werden gesmeed. Hun gemeenschappelijke afkomst versterkte de samenhorigheid van deze elitemilitairen, die verantwoordelijk waren voor de veiligheid van de keizer. Zij betaalden een lidmaatschapsbijdrage, waarmee dit broederschap, vergelijkbaar met gilden, zorgde voor de ondersteuning van hun leden, onder meer bij overlijdens. Dit blijkt duidelijk uit de grafschriften op de gedenkstenen van de Bataafse gardisten, afkomstig van de begraafplaats van het collegium Germanorum bij de Via Portuense in Rome.

Noten

1 – Tacitus, Annales, 2, 8 & Tacitus, Historiae, 4, 12.
2 – Tacitus, Annales, 2, 8.
3 – AE, 1952, 148.
4 – Caesar, De bello Gallico, VII, 13, 1. Over hun ontstaan, zie De bello Gallico, II, 35.
5 – Suetonius, Caligula, 43.
6 – Suetonius, Caligula, 55; Flavius Josephus, Antiquitates Judaicae, XIX, 1, 15 & Cassius Dio, LX, 28.
7 – Tacitus, Annales, XV, 58
8 – CIL, VI, 8803 = ER, II, 1367; Suetonius, Nero, 30, 2 & 47, 3.
9 – Suetonius, Galba, 12.
10 – Suetonius, Galba, 12.
11 – Vgl. Tacitus, Germania, 32.
12 – Vgl. AE, 1952, 145.
13 – Vgl. Plinius Minor, Panegyricus, 13, 5.
14 – Cassius Dio, LXI, 9.
15 – Tacitus, Annales, XV, 58.
×