Oerfeministe Wilhelmina Drucker vond dat de meid niet zo moest ‘zeuren’ over zwaar werk

5 minuten leestijd
‘Schrijvende vrouw met dienstbode’, ca. 1670-1671 door Johannes Vermeer
‘Schrijvende vrouw met dienstbode’, ca. 1670-1671 door Johannes Vermeer
Eeuwenlang hielden vrouwen en hun dienstmeiden het huishouden draaiende – en weerspiegelde dit duo hoe sociale relaties, genderrollen en klassenverschillen zich door de tijd heen ontwikkelden. In Vrouw en meid. Een geschiedenis van het leven binnenshuis, 1550-1950, dat volgende week verschijnt bij Atlas Contact, belicht Caroline Hanken deze onderbelichte geschiedenis aan de hand van brieven, dagboeken en schilderijen. Op Historiek publiceren we een fragment waarin een dienstmeid in 1898 haar stem verheft tegen zware werkomstandigheden.

Dientjes pleidooi

Op zondagochtend 21 augustus 1898 komt een groep vrouwen bijeen in het paviljoen van de Vereeniging Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid. Hier wordt het aangekondigde dienstbodencongres gehouden, de eerste openbare ontmoeting tussen vrouw en meid. Dientje Auwerda (1861-1933) staat als vertegenwoordiger van de dienstboden op het programma. Nog nooit heeft ze voor een publiek gesproken.

Aankondigingsposter Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid 1898, ontwerp Suze Fokker (Collectie IAV, Atria)
Aankondigingsposter Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid 1898, ontwerp Suze Fokker (Collectie IAV, Atria)
Op het congres is voor haar drie kwartier ingeruimd. Na een warm welkom en een introductie door de organisatrice van het congres beklimt ze het podium, bescheiden gekleed in een eenvoudige, donkere jurk. Ze schraapt haar keel en steekt daarna van wal. Aan de zaal vol dames in licht ruisende zomerjaponnen vertelt Dientje over haar eerste ervaringen toen ze als jong meisje in haar eentje van Drenthe naar Den Haag reisde. Ze kwam uit een arme familie en vrijwel haar enige bezittingen waren de versleten kleren en schoenen die ze aanhad. Ze was dan ook opgelucht toen ze meteen een betrekking kon vinden waardoor ze ten minste kon eten en een dak boven haar hoofd had. Maar die begintijd was toch moeilijk, omdat ze geen geld had voor nieuwe kleren die ze van haar mevrouw zelf moest betalen. Pas na drie maanden kreeg ze de eerste uitbetaling van haar loon. Tot die tijd moest ze haar werk doen in het oude paar schoenen en de kapotte rok die ze nog uit Drenthe had meegenomen.

Zelfs de fooien die bezoekers na een diner of partijtje bij hun vertrek altijd gaven, mocht ze niet meteen houden. De munten die in haar opgehouden hand werden gelegd, moest ze meteen inleveren. Ook daarop moest ze wachten tot de eerste betaaldag over drie maanden. Aan de zaal legt ze haar vraag voor:

Is het ook niet onbillijk dat juist de dienstbode, de minst bezittende, hare werkkracht, haar eenig goed, in vooruitbetaling geeft?

In de drie kwartier die op het congres voor Dientje zijn ingeruimd grijpt ze de kans om ook nog een paar andere kwesties aan te stippen die voor dienstboden belangrijk zijn, zoals de ongezonde werkomstandigheden in ‘ondergrondsche keukens’, slechte voeding en ‘onvoldoende slaapgelegenheid’.

Hooge eischen worden aan de kleeding gesteld. Dienstboden moeten dit zelf betalen. Tot dit alles is het loon onvoldoende.

Maar het gaat Dientje niet in de eerste plaats om geld. Zoals in de aankondiging van het programmaboekje staat, bepleit ze afschaffing van ‘het fooienstelsel’. Want hoewel ze in de begindagen hieruit nog hoop had geput voor een tussentijdse betaling, was ze na die eerste weken van gedachten veranderd. Ze vindt het vernederend. Ze is ‘het gaan verfoeien, dat staan aan de deur om de hand op te houden’. Net als de verplichting een witte muts te dragen. Dientje vraagt met deze eenvoudige dingen om wat meer respect.

(Willekeurige) dienstbode uit het eind van de negentiende eeuw
(Willekeurige) dienstbode uit het eind van de negentiende eeuw
Hoewel ze aanvankelijk nerveus is, slaagt Dientje er wonderwel in haar bedoelingen helder over te brengen. Later zal het vakblad van de kook- en huishoudscholen schrijven: ‘haar rede was donker en ernstig getint, maar droeg geen sporen van overdrijvingen’. Maar een vreemde spanning in de zaal is voelbaar. Dit is de eerste serieuze bijeenkomst van dienstboden en mevrouwen. ‘Het was nog nooit vertoond dat dienstbaren met hare heeren en vrouwen samenkwamen om in het openbaar de wederzijdse grieven en belangen te bespreken.’

Als Dientje klaar is, maakt ze op het podium plaats voor de feministe en mede-oprichtster van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht, Maria Rutgers-Hoitsema. Maria spreekt over de ‘dienstbodenquaestie’.

Want iedere vrouw wil die quaestie toch graag oplossen.

Ze vraagt mevrouwen meer rekening te houden met de werkomstandigheden van dienstmeisjes die vaak lange dagen maken en veel zwaar werk verrichten.

Portret van Marie W.H. Rutgers-Hoitsema
Portret van Maria Rutgers-Hoitsema (CC BY-SA 4.0 – wiki)
Ook al zijn de meeste dames in de zaal al lang bekend met wat ze hier te berde brengt, toch vertelt Maria nog maar eens hoe dienstmeisjes meestal een uur eerder moeten opstaan dan de andere leden van het gezin terwijl ze vaak pas laat naar bed kunnen gaan. Ze herinnert ze aan de zware fysieke inspanning die vereist is voor het schuieren en kloppen van kleren, kleden en gordijnen en het schrobben van de vloeren. Veel werk moet bukkend worden gedaan. Bovendien zijn veel klusjes schadelijk voor hun longen, zoals het scheppen van steenkolen en cokes en het schoonmaken van kachels. In de winter krijgen de meisjes vaak last van gezwollen handen met kloven of barsten omdat ze voortdurend natte handen hebben. Mevrouw Rutgers-Hoitsema pleit niet alleen voor een betere behandeling van dienstboden, ze wil ook dat ze gezien worden als ‘vrije, zelfstandige menschen, die kennis van zaken hebben’.

Hoewel op het affiche deze bijeenkomst als ‘dienstbodencongres’ staat vermeld, is Dientje Auwerda de enige dienstbode die spreektijd heeft gekregen en wat dat aangaat is dit ook de enige verwijzing naar dienstboden op de hele Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid. In het paviljoen, op een groot terrein in de Scheveningse duinen, zijn zalen ingericht met exposities en demonstraties van uiteenlopende beroepen voor vrouwen in de handel, industrie en zorg. Het doel is om ‘uitbreiding van de werkkring van de vrouw in Nederland te bevorderen’ en tegelijk haar loon en werkomstandigheden te verbeteren, maar hierbij is duidelijk niet aan huispersoneel gedacht.

Wilhelmina Drucker
Wilhelmina Drucker

De zaal is goed gevuld, maar ook onder het publiek bevinden zich nauwelijks dienstboden, want de toegangsprijs is te hoog, zelfs al is die op deze dag specifiek voor hen gehalveerd tot nog maar vijfentwintig cent. Daarom zal de discussie die zich na de lezingen ontspint door mevrouwen worden gedomineerd. En deze blijken het verre van eens te zijn met elkaar.

Vrouw en meid - Caroline Hanken
 
Dientje ziet hoe er een knetterend conflict ontstaat tussen Maria Rutgers-Hoitsema die opkomt voor dienstboden, tegenover twee feministes van naam en faam, Wilhelmina Drucker (1847-1925) en Elise Haighton (1841-1911), die helemaal niets willen weten van de moeilijke werkomstandigheden van huispersoneel. Ze vinden het allemaal schromelijk overdreven. Niet de dienstboden, maar de mevrouwen zijn te beklagen. Drucker heeft zo vaak te maken gehad met luiheid, onkunde en onwil, dat ze daardoor maar al te vaak zelf in haar huis aan de slag moest.

Wij zelven [mevrouwen] zijn in ons huis geen seconde vrij en de dienstboden zorgen [zelf] wel dat er [voor hen] van overmaat van krachtsinspanning geen sprake is.

Haighton en Drucker vinden dat dienstboden die inwonend zijn en dus al van onderdak en eten zijn voorzien, voldoende worden betaald. Ze vinden ook dat ze niet moeten zeuren over zwaar werk, want dankzij moderne voorzieningen, zoals gas en waterleiding, valt dat tegenwoordig allemaal reuze mee.

×