De eerste slaafgemaakten
Op de elfde meidag van 1595 is de storm die enkele dagen had geduurd eindelijk gaan liggen. De vier schepen van de Amsterdamse Compagnie van Verre komen deze ochtend nog maar nauwelijks vooruit. Ze dobberen op de Atlantische Oceaan, ongeveer waar de Afrikaanse kust naar het oosten afbuigt. Bevelhebber Cornelis de Houtman wil naar het zuiden, verder dan ooit een Nederlands schip ging, maar het water is spiegelglad en er heerst windstilte.

De vloot is twee maanden eerder vertrokken vanuit Texel, om als eerste Nederlanders Kaap de Goede Hoop te ronden. Het zal later de moederreis van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) blijken te zijn. Maar nu varen ze nog ten westen van Afrika, op 4 graden noorderbreedte, een plek zo ver weg van het vertrouwde Europa dat er al nauwelijks meer Hollandse schepen komen.
Tegen de avond maken ze eindelijk contact. Twee van de zeven schepen die ze zien, staan onder Portugese leiding en varen geschrokken weg, maar de andere vijf blijken onder leiding van landgenoten te staan. Van pure blijdschap lossen ze ‘eerscheuten’ over en weer. De vijf schepen van admiraal Joris van Medemblick en zijn Duitse viceadmiraal zijn van het Afrikaanse eiland Sao Tomé op weg naar Lissabon. De vracht bestaat uit vijf ruimen vol…
…met Suicker ende Swarten, meest vrouwparsoonen.
Zo schrijft adelborst Frank van der Does het op in zijn scheepsjournaal. De Leidse student en marinier in opleiding lijkt niet verbaasd of geschokt door deze vracht. Hij schrijft vooral over de hoeveelheid kajuitsbier die ze drinken met de landgenoten en over de mogelijkheid om via deze schepen brieven naar huis te schrijven. Ook andere journaalschrijvers aan boord van de vloot van De Houtman noteren de ontmoeting, sommigen nemen niet de moeite de slaafgemaakten te noemen.

De ‘wilden’ van Madagaskar
Een paar maanden later legt De Houtman aan bij Madagaskar. Zijn schepen hebben de Kaap gerond, maar de reis door dit onbekende deel van de wereld gaat niet voorspoedig. Al zeventig bemanningsleden zijn gestorven aan scheurbuik, veel anderen zijn ziek. Door te handelen met de ‘wilden’ van Madagaskar komen ze aan vers eten.
Het is hun redding, maar van dankbaarheid is geen sprake. Op dertig oktober 1595 schrijft Van der Does hoe drie ‘wilden’ die ze aan boord gevangenhouden, hebben geprobeerd te ontsnappen. Een van de vluchters is verdronken door het gewicht van zijn boeien, de twee anderen, jongens nog, worden opnieuw gevangen en geboeid. Ze krijgen namen: Lourens en Madagascar, vernoemd naar hun eiland dat ook wel Sint-Laurens heet. Lourens wordt tijdens de reis de slaafgemaakte van opperkoopman Cornelis de Houtman, Madagascar wordt toegewezen aan koopman Jan Jansz Carel de Jonge.

Twee jaar later komen Lourens en Madagascar in Amsterdam aan, samen met de slechts 87 andere overlevenden van de reis. Daar kijken de mensen verwonderd naar de donkere jongens. De terugkomst van de vloot uit Java is groot nieuws in de jonge Republiek der Verenigde Nederlanden. Maar liefst 22 schepen zouden de volgende lente direct uitvaren naar Zuidoost-Azië, om daar het handelsmonopolie van de Portugezen te doorbreken.
Al snel worden de eerste verslagen gepubliceerd, zodat het gretige publiek al in 1598 kan lezen over de ontmoeting met de vijf slavenschepen van Sao Tomé, het roven van Lourens en Madagascar en vergelijkbare ervaringen in Indonesië. Daar maakten de Nederlanders bijvoorbeeld twee Javaanse jongens tot slaaf en vernoemden ook hen naar de plek vanwaar ze kwamen: Madura en Soerabaja. Alleen waren zij niet meegekomen naar Europa; een maand nadat ze gevangen waren genomen, zwommen ze hun vrijheid tegemoet.
Nu, ruim vier eeuwen later, blijkt de ontvoering van de vrouwen van Sao Tomé naar Lissabon de vroegste vermelding van slavenhandel onder Nederlandse leiding, voor zover bekend. Lourens en Madagascar zijn de eerste Afrikanen die door Nederlanders zelf tot slaaf worden gemaakt en Madura en Soerabaja behoren tot de eerste Aziaten die dat lot treft. Maar het gekke is, ze staan in geen enkel overzicht van het slavernijverleden.

Ze waren te Oost-Afrikaans, te Indisch. Te vrouw, te kind. Ze varen onder een verkeerde vlag en verschijnen te vroeg op het toneel om mee te tellen. Ze passen niet in de nauwe mal waarin het slavernijverleden is gegoten. Ze zijn gaandeweg uit de geschiedenis verdwenen, net als miljoenen andere mannen, vrouwen en kinderen die door Nederlanders in slavernij werden gehouden.
Cornelis de Houtman – Leider van de eerste Schipvaart
Waar haalden Nederlanders hun slaven vandaan?
Een Nederlandse invasie op Gran Canaria in 1599
De Barbarijse zeerovers en hun christenslaven
Loyaliteit onder schot: de mythe van de trouwe slaaf in het diepe zuiden
Slachtoffers, daders, motieven, verzet en afschaffers – de lange strijd tegen de slavernij
Tula, aanvoerder slavenopstand Curaçao