De Egyptische campagne van Napoleon was een militaire mislukking, maar een cultureel-wetenschappelijke zegetocht

13 minuten leestijd
Napoleon en zijn generale staf in Egypte. Historiestuk van Jean-Léon Gérôme, 1867
Napoleon en zijn generale staf in Egypte. Historiestuk van Jean-Léon Gérôme, 1867

De Egyptische campagne onder leiding van Napoleon Bonaparte was een invasie, bedoeld om de Britse handelsroutes naar India te blokkeren en een Franse kolonie in Egypte te stichten. De hele onderneming duurde van 1798 tot 1801, maar werd voortijdig door Napoleon beëindigd en liep ondanks aanvankelijke successen uit op een militair fiasco. Dankzij de geleerden, kunstenaars en technici die de tocht vergezelden was de Egyptische campagne op wetenschappelijk en cultureel gebied wel een groot succes en markeerde het begin van de egyptologie als wetenschappelijke discipline.

Voorbereiding

De expeditie had de steun van het Directoire. Misschien deels omdat deze een middel was om de populaire en dus voor de macht der Directeuren gevaarlijke generaal Napoleon uit beeld te krijgen. Ook de invloedrijke minister Talleyrand was een voorstander van kolonisatie van Egypte. Men meende dat het Turkse, Ottomaanse rijk waartoe het door de Mammelukken beheerste Egypte behoorde, op instorten stond. Oostenrijk of Engeland zouden vermoedelijk hun kans grijpen als Frankrijk inactief bleef.

De campagne werd voor een belangrijk deel gefinancierd door confiscatie van de schatkist van het Zwitserse kanton Bern. Ook vonden zware heffingen plaats in het bezette Italië en de Bataafse Republiek.

Antoine-Vincent Arnault, een auteur en goede bekende van Napoleon, kreeg opdracht een team van bijna tweehonderd academici, ingenieurs en wiskundigen, schrijvers en kunstenaars samen te stellen. Ze moesten elk aspect van de toenmalige en de oude Egyptische samenleving en beschaving onderzoeken. Daarnaast moest Arnault reisbibliotheken en drukpersen organiseren, die zouden worden ingezet om propaganda te bedrijven onder de lokale bevolking. De uiteindelijke selectie werd geleid door de scheikundige graaf Claude Louis Berthollet en de wiskundige Gaspard Monge.

Malta

Horatio Nelson
Horatio Nelson, 1799. Portret door Lemuel Francis Abbott, 1799. Greenwich, National Maritime Museum
In mei 1798 vertrok een Franse vloot onder leiding van admiraal Brueys met zo’n 40.000 tot 50.000 man op 400 schepen. De Fransen hadden een gerucht verspreid over een aanstaande Franse invasie in Ierland, waarop de Engelse Middellandse-Zeevloot naar het westelijk deel van deze zee was gedirigeerd. Hierdoor wisten de Fransen de geduchte Britse schout-bij-nacht Horatio Nelson te ontlopen en ongehinderd Malta te bereiken.

De Fransen namen het eiland, dat toen nog in bezit was van de Orde van Malta, in en plunderden er de schatkamers en kerken om de expeditie mee te helpen betalen. In Malta haakten enkele tientallen geleerden af, die terug wilden naar Frankrijk; er bleven er nog 167 over.

Napoleon als ‘bevrijder’

Op 1 juli 1798 landden de Fransen in Egypte. Het Ottomaanse Rijk had er een onderkoning geïnstalleerd, maar het land werd in feite geregeerd door de Mammelukken, die in het Ottomaanse rijk al een eeuwenoude geschiedenis hadden. Ze werden als slaaf ingevoerd uit de Kaukasus of de Zuidoost-Europese rijksdelen, en opgeleid tot elitekrijgers te paard. Van 1250 tot 1517 had een Mammelukken-dynastie zelfstandig over Egypte geregeerd. Vanaf het laatstgenoemde jaar veroverde de Ottomaanse sultan Selim I Egypte in enkele jaren, maar de Mammelukken werden er als elite gehandhaafd.

Vierentwintig Mammelukse krijgsheren of ‘beys’, allen met een privélegertje, regeerden het land. Hierbij bleven de Mammelukken bewust buitenstaanders. Hun legertjes werden aangevuld op de traditionele manier. Ze kochten of ronselden jonge slaven uit bij voorkeur christelijke en niet-Arabische delen van het rijk. Deze jongemannen werden moslim gemaakt en kregen een militaire opleiding. Daarna werden ze als vrije mannen met de nodige privileges opgenomen in het leger van hun bey.

Napoleon maakte bekend dat hij Egypte kwam ‘bevrijden’ van de Mammelukken. De Egyptenaren zagen de Fransen terecht als nieuwe kolonisators. Het korte Franse intermezzo zorgde er overigens wel voor dat ze zich bewuster werden van hun bijzondere historie en nationale identiteit.

Mammeluk met paard
Een Mammeluk leidt zijn paard. Schilderij van Carle Vernet, ca. 1800

Alexandrië en Rosetta

De Fransen namen snel Alexandrië in. De grote verwachtingen bij de meegereisde academici omtrent deze stad met zijn geschiedenis van enkele millennia en zijn voormalige, wereldvermaarde bibliotheek werden snel de bodem ingeslagen. Alexandrië bleek een plaats vol ruïnes, onbeschaafde bewoners, armoede en verval.

De geleerden en artiesten gingen onder militaire begeleiding naar Rosetta (Rosette, Rashid) in de Nijldelta. De hoofdmacht die door de woestijn naar Cairo trok, bleek totaal niet voorbereid op een dergelijke mars. De helse route eiste veel slachtoffers, niet alleen door aanvallen van de Mammelukken, maar vooral ook door uitputting, hitte en watergebrek.

Slag van de Piramiden

Toch wist Napoleon op 21 juli 1798 een gecombineerd Ottomaans-Mammeluks leger onder Moerad Bey te verslaan in de Slag van de Piramiden, waarmee zijn verovering van Egypte feitelijk werd bezegeld. Voorafgaand aan de slag zou Bonaparte één van zijn meest gevleugelde uitspraken voor het front van zijn troepen hebben gedaan:

Soldaten, bedenk dat vanaf deze piramiden veertig eeuwen op u neerzien!

Het was een totale nederlaag voor de Mammelukken. Napoleon had zijn infanterie opgesteld in carrés van 2000 man. Er sneuvelen ongeveer 2000 Mammelukken tegenover 29 of 30 Fransen. Op 25 juli volgt de intocht in Cairo. In nog geen maand tijd had Bonaparte Egypte onderworpen. De Mammelukse leider Moerad Bey week uit naar Cairo en vervolgens naar Opper-Egypte.

Slag van de piramiden 1799 Watteau
De Slag van de Piramiden. Schilderij van François-Louis-Joseph Watteau , 1798/99. Musée des Beaux-Arts de Valenciennes

Britse blokkade

De verovering van Egypte mocht dan een feit zijn, de Fransen zaten er ook in de val. Nelson vernietigde op 1 augustus namelijk de Franse vloot in de Slag bij de Nijl, op de rede van Aboekir. Het Franse vlaggeschip de ‘Orient’, waarop Napoleon zich op 17 mei 1798 had ingescheept, werd in de lucht geblazen; de verschrikkelijke explosie was tot ver landinwaarts te horen en werkte zeer demoraliserend op de troepen. Admiraal Brueys ging met het schip ten onder.

De Britten blokkeerden vanaf nu de Egyptische kust, waardoor contact met Frankrijk en hulp uit het moederland onmogelijk werd. De gevolgen waren groot: het Franse leger kreeg te kampen met tekorten op elk gebied, ook medisch. Ziekten onder de manschappen konden al snel niet meer adequaat worden bestreden.

De vernietiging van de ‘Orient’ tijdens de Slag bij de Nijl, 1798
De vernietiging van de ‘Orient’ tijdens de Slag bij de Nijl, 1798. Schilderij van George Arnald, 1825-1827. NMM, Greenwich, Londen, Greenwich Hospital Collection (ID: BHC0509)

Napoleon zelf leek onaangedaan door deze enorme tegenslag. Hij spiegelde zich in zijn grootse toekomstplannen graag aan Alexander de Grote, die Azië en Indië had onderworpen. Het verdrijven van de Britten uit hun kroonkolonie Indië lag dan ook als lokkende stip op de horizon van de Egyptische campagne. Napoleon zei in deze fase van de expeditie eens met bijna megalomaan optimisme tegen zijn secretaris Bourrienne:

Hoe lang zullen we hier blijven? Een paar maanden of zes jaar… We zijn pas negenentwintig; tegen die tijd zullen we vijfendertig zijn. Die zes jaar zijn, als alles goed gaat, voldoende om Indië te bereiken.

‘Institut d’Egypte’

Kort na de teloorgang van zijn vloot stichtte Napoleon het Institut d’Egypte, dat vier klassen omvatte: voor wiskunde, natuurwetenschappen, economie en de kunsten en literatuur. Het instituut organiseerde lezingen van de geleerden in eigen kring; er werd gediscussieerd over allerlei aspecten van het exotische land waar ze zich bevonden, van de eigenschappen van mummies tot de inheemse muziek. Ook kwam er een eigen tijdschrift Décade en een eigen Egyptische krant.

Gesteund door het Instituut wierpen de geleerden zich op het bestuderen van de inheemse flora en fauna, mineralen, geschiedenis en oudheidkunde, en het in kaart brengen en opmeten van de antieke monumenten. Ze maakten een stratenplan van Cairo en werkten aan een Arabisch woordenboek en grammatica. De pogingen tot het ontcijferen van de enigmatische oud-Egyptische hiërogliefen bleven voorlopig vruchteloos.

Institut d’Egypte in 2007
Institut d’Egypte in 2007 (CC BY-SA 4.0 – Roland Unger – wwiki)

Koloniale organisatie

Met behulp van de meegenomen intellectuelen en technici moest ook Franse structuur aan de inheemse samenleving worden opgelegd. Tribunalen en een politiemacht werden in het leven geroepen, er kwamen fabrieken, broodbakkerijen en andere bedrijven. De scheikundige Nicolas-Jacques Conté slaagde erin met inheemse materialen allerlei machines te maken, zoals een druk- en een muntpers, geometrische apparaten, ingenieursgereedschap en een smeltoven, waarmee onder meer sabels en trompetten voor de troepen werden vervaardigd.

De keerzijde van deze ontwikkeling waren nieuwe, drukkende belastingen, opgelegd aan de lokale bevolking, handelaren en religieuze instellingen. Ook confisqueerden de Fransen de door de gevluchte Mammelukse elite achtergelaten paleizen en bezittingen in Alexandrië en Cairo. Wel liet Napoleon de islam in zijn waarde; op enig moment overwoog hij zelfs om zich om politieke redenen tot deze religie te bekeren. Het kwam er niet van; zijn generaal Menou zou het tegen het einde van het Egyptische avontuur wel doen.

Met voorgangers uit de oudheid in gedachten wilde Napoleon ook de landengte tussen de Middellandse en de Rode Zee doorgraven. Hij ging de situatie ter plaatse bekijken, maar deze droom, ook weer bedoeld om greep te krijgen op de Engelse handelslijnen naar Indië, zou pas worden gerealiseerd met de opening van het Suezkanaal in 1869.

Moerad Bey
Anoniem portret van Moerad Bey, ca. 1800
Intussen leidde generaal Desaix de succesvolle verovering van Opper-Egypte. Hij won het respect van de Egyptenaren en werd door hen wel de ‘rechtvaardige sultan’ genoemd. De geleerden die de Franse troepen vergezelden, ook in hun jacht op Moerad Bey, ontdekten de monumenten van Dendera, Thebe, Edfu en Philae en gingen er enthousiast aan de slag. Napoleon zelf heette bij de Mammelukken en de lokale bevolking wel Sultan el-Kebir, ‘de Grote Sultan’. Hij nam zelf deze titel over in zijn propaganda, om respect af te dwingen en aan te sluiten bij de inheemse, islamitische cultuur.

Opstand in Cairo

De pogingen van Napoleon om de Egyptische bevolking voor zich te winnen baatten niet. De belastingen en plunderingen leidden tot een volksopstand vanuit de El-Ahzar-moskee, waarbij de Franse stadscommandant werd gedood. Napoleon sloeg de opstand neer met groot geweld. Hij beschoot de stad met artillerie en bombardeerde en bestormde de moskee. Ongeveer 5.000 tot 6.000 Egyptenaren stierven, veel sjeiks die de opstand hadden geleid werden publiekelijk onthoofd en het bestuur van Cairo werd vervangen door een militair regime.

Opstandige Egyptenaren belagen Franse geleerden die een toevlucht hebben gezocht op de Zuil van Pompeius in Alexandrië
Opstandige Egyptenaren belagen Franse geleerden die een toevlucht hebben gezocht op de Zuil van Pompeius in Alexandrië. Spotprent van James Gillray, 1799

Veldtocht Syrië en Palestina

Het charmeoffensief jegens de Egyptenaren was ten einde. De sfeer in de hoofdstad bleef grimmig; bovendien werd bekend dat er een groot Ottomaans leger op komst was om Egypte te veroveren. Vroeg in 1799 besloot Napoleon met een deel van zijn leger een veldtocht in Syrië en Palestina te ondernemen.

Gaza en Jaffa werden ingenomen. Het leverde duizenden krijgsgevangenen op, die een blok aan het Franse been vormden. Op last van Napoleon vond daarom bij Jaffa een massamoord plaats op 4000 gevangenen. ‘Een staatsman heeft geen rechten op sentimentaliteit,’ zei Napoleon ooit lovend over Louvois, minister van ‘Zonnekoning’ Lodewijk XIV. Dit motto bracht hij nu meedogenloos in de praktijk.

Een vruchteloze, twee maanden durende belegering van het door de Engelsen onder leiding van de latere admiraal William Sydney Smith bevoorrade Acco (Accre) werd een keerpunt. De stad bleek onneembaar, de Franse troepen werden bovendien geteisterd door een epidemie van de builenpest. Napoleon besefte dat zijn Aziatische droom in duigen was gevallen en besloot naar Egypte terug te keren.

Pest en propaganda

Zijn bezoek aan de pestlijders in Jaffa, in een geïmproviseerd pesthuis in een Armeens klooster, werd het onderwerp van een bekend propagandistisch schilderij van Antoine-Jean Gros (1804), een persoonlijke opdracht van Napoleon. Hij bezocht dit pesthospitaal inderdaad, maar besloot later ongeveer vijftig niet transporteerbare zieke soldaten met overdoses laudanum (opiumtinctuur) te laten doden. Enkelen overleefden dit wonderwel en werden kort nadien door de Britten en Ottomanen aangetroffen, waarna hun getuigenissen de basis vormden voor anti-Napoleonpropaganda in Europa; het schilderij van Gros moest hiertegen een tegengif vormen.

Bonaparte bezoekt het pesthuis in Jaffa
Napoleon bezoekt het pesthuis in Jaffa. Schilderij van Antoine-Jean Gros, 1804. Parijs, Louvre

Napoleon verlaat Egypte

In Alexandrië en Cairo pretendeerde Napoleon dat de veldtocht een groot succes was geweest, waarbij hij zich als triomfator liet inhalen. Kort nadien behaalde hij in de Slag bij Aboekir op 25 juli 1799 toch weer een grote overwinning op de Ottomanen en Mammelukken onder Moestafa Pasja. De Fransen dreven hun tegenstanders na felle strijd de zee in. Het was Napoleons laatste grote overwinning in Egypte.

Roustam Raza
Portret van Roustam Raza door Matth. Ignatius van Bree, voor 1839. Musée de l’Armée, Parijs
Dat de hele campagne een mislukking was geworden, besefte Bonaparte maar al te goed. Berichten over Parijse onrust waren zijn aanleiding om zijn leger achter te laten, hetgeen hij zou herhalen in de Tocht naar Rusland van 1812. Op de zeer donkere avond van 22 augustus 1799 scheepte hij zich met een entourage van vier- tot vijfhonderd personen, onder wie enkele belangrijke geleerden, heimelijk in op de fregatten ‘Lamubrun’ en ‘La Carrier’. Eén van de personen die Napoleon uit Egypte meenam was de Mammeluk Roustam Raza, die hem gedurende vijftien jaar als een schaduw zou volgen en dienen als lijfknecht en lijfwacht.

Napoleons schip bereikte in oktober de rede van Ajaccio. Opgehouden door de wind verbleef hij voor de laatste keer gedurende een week in zijn geboorteplaats. Terug op het Franse vasteland schoof hij op 9 november het Directoire aan de kant en greep de macht als Eerste Consul, een belangrijke stap naar zijn keizerschap in 1804.

Kort leiderschap Kléber

De in Egypte achtergebleven Fransen kwamen onder de hoede van generaal Jean-Baptiste Kléber (1753–1800), een Elzasser die gepokt en gemazeld was in de Franse revolutionaire oorlogen en in 1794 bijvoorbeeld actief was bij de inname van Maastricht. Ondanks een tweede opstand in Cairo behaalde Kléber de overwinning in de Slag bij Heliopolis in maart 1800, tegen een vijf tot zeven keer zo groot Ottomaans leger.

Slag bij Heliopolis
Slag bij Heliopolis, 1800 – Schilderij van Léon Cogniet

Kléber werd enkele maanden later, in juni 1800, doodgestoken op het terras van zijn hoofdkwartier in Cairo door de Syrische student Soliman (Suleiman) el-Halabi. Diens straf was vreselijk: zijn rechterhand, waarmee de daad was gepleegd, werd verbrand en zijn lichaam gespietst. Kléber werd begraven op de christelijke begraafplaats buiten de muren van Cairo, en zou in juli 1801 mee naar Frankrijk worden genomen.

Einde Franse aanwezigheid

Klébers opvolger was de minder bekwame generaal Jacques-François Menou. Hij trouwde met een Egyptische vrouw, bekeerde zich tot de islam en nam de naam ‘Abdallah’ aan. Onder de Fransen, zowel de militairen als geleerden, was hij impopulair. Menou’s bekering wist ook de argwaan bij de inheemse bevolking niet weg te nemen.

Menou’s belangrijkste wapenfeit was cultureel en spiegelde als zodanig het lot van de hele expeditie. Onder zijn bewind werd namelijk de beroemde Steen van Rosetta ontdekt door genietroepen onder leiding van luitenant-ingenieur Pierre-François Bouchard.

De (tweede) Slag bij Aboekir luidde op 8 maart 1801 het einde in voor de Fransen. Britse troepen slaagden er onder hevig Frans artillerievuur in te landen op het strand van Aboekir. Met de bajonet bestormden ze de Franse stellingen op de heuvels. De Fransen leden zware verliezen en trokken zich terug naar Alexandrië. Er volgden nog enkele hevige gevechten, zoals de Slag bij Alexandrië op 21 maart. De Fransen capituleerden in de zomer van 1801.

Naar huis

Op roemloze wijze, want op Britse schepen, repatrieerden de Fransen. De Britten wilden ook alle vruchten van de academische arbeid confisqueren; de Franse geleerden dreigden echter hun hele documentatie te vernietigen als dit werd doorgezet. Ze kregen vervolgens toestemming om het materiaal als hun privébezit mee te nemen. De grote en loodzware granieten Steen van Rosetta ging echter naar Londen.

De ontcijfering van de hiërogliefen zou toch een Frans wapenfeit zijn. Taalgeleerde Jean-François Champollion slaagde er in 1822 in het hiërogliefenschrift eindelijk te ontcijferen, met behulp van een kopie van de Steen. Het origineel was in 1802 terechtgekomen in het British Museum. In 2003 deed de bekende archeoloog Zahi Hawass een eerste, vergeefse verzoek om de Steen van Rosetta terug naar Egypte te krijgen.

Kamer met Egyptische oudheden in het Louvre, ontworpen door Champollion. Gravure uit 1863
Kamer met Egyptische oudheden in het Louvre, ontworpen door Champollion. Gravure uit 1863

Het verlies aan Franse levens in de Egyptische campagne bedroeg 15.000 tot 20.000; een derde tot de helft van de 40.000 tot 50.000 deelnemers. Het aantal doden aan de Ottomaanse kant was nog hoger. Van de geleerde deelnemers overleefden 142 de expeditie; 25 van de 167 waren gestorven.

Egyptologie, egyptomanie

Description de l'Égypte
Frontispice van de tweede editie van ‘Description de l’Égypte’, 1820
De op initiatief van Napoleon onder hoofdredactie van Geoffroy Saint-Hilaire samengestelde Description de l’Égypte (1809-1828) legde de basis voor de egyptologie: 23 delen in zeer groot formaat, volgepakt met gegevens op het gebied van oudheid en monumenten, geologie, de Nijl, handel, landbouw, dagelijks leven en biologie, en rijk verlucht met tekeningen, kaarten en plattegronden. De peperdure uitgave had in Europa een enorme impact.

Al eerder, in 1802, verscheen Voyage dans la basse et la haute Egypte van kunstenaar Dominique-Vivant Denon, met tekeningen en schilderingen die soms waren vervaardigd tijdens gevaarlijke gevechtssituaties. Ook dit was een Europees succes, en Denon kreeg het directeurschap van het Louvre.

Naast de wetenschappelijke belangstelling woedde dankzij de Egyptische expeditie en het werk van Champollion ook een eerste golf van ‘egyptomanie’ door Europa, een mode die onder meer leidde tot schatjagerij naar mummies en oudheden voor verzamelaars en musea, replica’s van gebouwen en de oprichting van een obelisk uit Luxor op het Place de la Concorde in Parijs (1837).

Overleveringen

Tijdens zijn verbanning op Sint-Helena (1815-1821) kwam Napoleon regelmatig terug op zijn oude, megalomane ambities om keizer van Afrika en het Oosten te worden. Aan zijn tijd in Egypte hechtten zich ook mooie, maar onware verhalen. Zoals de beschieting op zijn commando van de piramiden, en de nacht die hij zou hebben doorgebracht in de Koningskamer van de Piramide van Cheops. Ontsteld en wit weggetrokken zou hij naar buiten zijn gekomen, weigerend om te vertellen wat hem was overkomen.

Ook zouden Franse soldaten de neus van de beroemde sfinx van Gizeh hebben geschoten. Ook hiervan klopt niets; onderzoek heeft aangetoond dat de neus al in 1378 opzettelijk is afgehakt door de islamitische beeldenstormer Muhammad Sa’im el-Dahr, die meende dat lokale boeren de sfinx als afgod aanbaden. Al deze fantasierijke verhalen zouden, als ze niet waren gelogenstraft, een al even apocriefe, cynische uitspraak van Napoleon hebben bevestigd:

De geschiedenis is een hoop leugens waarover iedereen het eens is.

Bronnen

– Nina Burleigh, Mirage. Napoleon’s Scientists and the Unveiling of Egypt (2007).
– Juan R. I. Cole, Napoleon’s Egypt. Invading the Middle East (2007).
– Paul Dentz, Napoleon Bonaparte in Egypte. De betekenis van zijn expeditie voor de modernisering en herontdekking van het land (2011).
– J. Christopher Herold, Bonaparte in Egypt (1962).
– André Maurois, Napoleon; vertaling en voorwoord A. Alberts (1964).
– Paul Strathern, Napoleon in Egypte (2008).
×