Architect Frans Lourijsen, de grote onbekende
In architectonisch opzicht neemt de stad Den Haag, te midden van de overige Nederlandse steden, een bijzondere plaats in. Dit kan het beste worden geïllustreerd met het aantal beschermde monumenten. ‘s-Gravenhage is de achtste stad in ons land. Ruim zevenhonderd panden zijn terug te vinden op de Rijks en de Haagse monumentenlijsten. Hiertoe behoren enkele monumentale panden die zijn ontworpen door de Haagse architect Frans Lourijsen.
De architect Franciscus (Frans) Lodewijk Johannes Lourijsen (1889-1934) is op 21 juli 1889 geboren in Teteringen (NB). De familie Lourijsen verhuist in 1903 naar Den Haag. Daar staat de veertienjarige (!) Brabander in het bevolkingsregister genoteerd als bouwkundig tekenaar. Hij leidt een kort maar actief leven waarin hij zich manifesteert als een handig zakenman en getalenteerd architect. Lourijsen is directeur van een onroerend goed maatschappij, maar ook de ontwerper van flatgebouwen (woonhotels) die in de twintiger- en dertiger jaren van de vorige eeuw worden gezien als een vernieuwende woonvorm. In vergelijking met zijn tijdgenoot Co Brandes laat Lourijsen een relatief klein, doch verrassend oeuvre na. Daaraan moet vooral een cultuurhistorische en architectonische waarde worden toegekend. Lourijsen mag representatief worden genoemd voor de eigentijdse architectuurstroming die bekendheid krijgt als de Nieuwe Haagse School.
Betekenis van de Nieuwe Haagse School in architectuur
De term De Nieuw Haagse School wordt voor het eerst geopperd tijdens een architectuurtentoonstelling georganiseerd in de Haagse Kunstkring. Hij wordt kritisch onder de loep genomen door de Amsterdamse architect Cornelis Jouke Blaauw (1885-1947). Hij schrijft in 1920:
Het professionele bestaan van Frans Lourijsen blijkt goeddeels verbonden te zijn geweest met de onroerend goed maatschappij Nationaal Grondbezit en architect Jan Wils (1891-1972), met wie hij verschillende gebouwen heeft neergezet. Als sociale en kunstzinnige ontmoetingsplaats neemt de Haagse Kunstkring daarbij een bijzondere plaats in.
Lourijsen is, net als architect Jan Wils, grafisch kunstenaar en glazenier Pieter Hofman, architect Co Brandes en beeldhouwer Jan Altorf, werkend lid van de tweede afdeling (architectuur en kunstnijverheid). Zijn broer is Lambertus Lourijsen (Bert in de familie) die vanuit Teteringen naar Amsterdam vertrekt waar hij voor een jaar studeert aan de Rijksschool voor Kunstnijverheid en voor twee perioden aan de Rijksacademie van Beeldende Kunsten (1905-1906 en 1908). In 1912 is hij als docent verbonden aan het St.-Ignatiuscollege in Amsterdam. Hij wordt een leerling van Jan Toorop (1858-1928) en raakt met hem bevriend.
Frans Lourijsen ontvangt in Den Haag privéonderwijs op het Instituut Michel van de Watering in de Raamstraat. Vervolgens zijn er avondcursussen aan de Academie voor Beeldende Kunsten (1906-1907). Overdag is Lourijsen werkzaam bij de bekende projectontwikkelaar en aannemer Cornelis Johannes van der Zijden. Vervolgens maakt hij de overstap naar het architectenbureau van Louis de Wolf (1871-1923). Ook is hij enige tijd werkzaam op het ingenieursbureau Batavum van ir. J. Stolk. Rond 1908-1909 is Lourijsen in dienst bij architect Dirk Oosthoek, die sinds 1901 in Den Haag werkzaam is als particulier architect. Oosthoek ontwerpt woonhuizen, landhuizen en scholen in Den Haag, Monster en Wateringen. Bij elkaar vormt dit voor Lourijsen een gedegen theoretisch en praktisch scholing in zijn opleiding tot architect.

Frans Lourijsen maakt zijn debuut als architect
In een advertentie uit 1909 meldt Lourijsen op zoek te zijn naar enkele gegadigden voor de bouw van zeven villa’s te Rijswijk. Een jaar later, in 1910, Lourijsen is dan twintig jaar, maakt hij als architect zijn debuut met de bouw van tien middenstandswoningen in de Buys Ballotstraat. Vervolgens ontstaan er complexen van woonhuizen in de Bentinckstraat en in de Van Hoornbeekstraat. In 1912 zijn er twee kleine villa’s in Bergen (NH). Tussen 1913-1915 komen in totaal achttien villa’s in Wageningen tot stand aan de Nassauweg en de Hinkeloordseweg. Tijdens de Eerste Wereldoorlog zal daarin een episode voorkomen die maar weinig bekendheid krijgt. Het betreft de tijdelijke internering van Duitse en Engelse militairen in kampementen waarbij Nationaal Grondbezit en Lourijsen betrokken zijn geraakt. Deze kampementen komen onder moeilijke omstandigheden tot stand in zowel Den Haag als Leeuwarden.
De Haagse stadsuitbreiding schuift eind negentiende eeuw verder op in westelijke richting, naar de contreien van de gemeente Loosduinen. In mei 1925 introduceert Pieter Bakker Schut (1877-1952), als bevlogen directeur van de gemeentelijke dienst voor Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting zijn Plan West. De komende jaren zal voor Den Haag ruim 716 hectaren aan bouwgrond beschikbaar komen. Centraal middelpunt vormt een verdere verlenging van de Laan van Meerdervoort welke ondertussen is uitgeroepen tot de langste straat van ons land. In de bebouwing ontstaat hier een synthese van art deco-architectuur, Nieuwe Zakelijkheid en de Nieuwe Haagse School. Op basis van dit uitbreidingsplan ontspruiten nieuwe stadsdelen: de Vogelwijk en de Vruchten-, Bomen- en Bloemenbuurt.

Woonhotels in ons land
Het begrip woonhotel wordt in ons land vrij vroeg geïntroduceerd. In 1906 ondernemen de Haagse architecten Zacharias Hoek (1863-1943) en Johannes Thomas Wouters (1866-1932) in gezelschap van Jos C. van Dooren, directeur van de Elektrische Centrale in Scheveningen, een studiereis naar Berlijn om kennis te maken met het in Duitsland en Oostenrijk doorgevoerde stelsel van verdiepingenwoningen. Een poging om dit woontype onder de benaming M (Moderne) S (Samenleving) in ons land te introduceren mislukt echter. In eerste aanzet vervaardigt Co Brandes, verbonden als chef de bureau aan Hoek & Wouters Architecten, enkele tekeningen.
Ontwikkeling van flatwoningen als vernieuwend woonfenomeen
Artikelen die in de dagbladen verschijnen maken de lezers danig bewust van het feit dat er in een grote stad als Den Haag de stellige behoefte is ontstaan aan gebouwen, die door hun forse afmetingen, vooral geschikt zijn om het stadsbeeld een zeker accent of allure mee te geven. Vooral dagblad Het Vaderland biedt aan architecten en projectontwikkelaars promotionele ondersteuning. Onder de titel ‘Flatbouw lenigt de nood’ verschijnt er vanaf 1919 wekelijks een bouwrubriek. Den Haag blijkt bij dit woonfenomeen een pioniersrol te gaan vervullen. Daarvan worden de voornaamste projecten, met nieuwe details, in dit boek vermeld.
De beeldhouwer Johannes Coenraad (‘Jan’) Altorf (1876-1955) behoort tot de mensen met wie Frans Lourijsen regelmatig samenwerkt. Evenals met de bekende architect Jan Wils met wie hij verschillende projecten tot uitvoering brengt. Deze kregen tot op heden geen verdere bekendheid binnen het totale oeuvre van de beide architecten. Jan Wils behoort in de jaren twintig van de vorige eeuw tot de groep van belangrijkste architecten van ons land. De werken die door hem zijn voortgebracht, bewegen zich tussen die van Berlage en De Stijl in. Hij behoort tot de voornaamste pleitbezorgers van werken die zijn voortgebracht door de Amerikaanse architect Frank Lloyd Wright (1867-1959). Een van de hoogtepunten uit deze werken van Wils is een complex Haagse middenstandswoningen genaamd Papaverhof (1921). Dit werk, geïnspireerd door de architectuur van Wright, behoort tot de honderd belangrijkste rijksmonumenten in ons land.
In de periode van 6 mei 1926 tot 29 oktober 1927 vormt hij samen met Lourijsen een burgerlijke maatschap welke notarieel is vastgelegd onder de handelsnaam ‘Vereenigde Architectenbureaux Jan Wils en Frans Lourijsen’.

Het eerste project dat uit die combinatie tevoorschijn komt, is in 1926 een flatgebouw aan het Jozef Israëlsplein. Tot dit U-vormige wooncomplex, dat mede de gebogen wand vormt van dit plein, behoort verder een woonhuis van de hand van Lourijsen en Wils in de Mauvestraat 56. Het flatgebouw met direct daaraan aangebouwd een woonhuis (Lourijsen-Wils) met adres Jozef Israëlslaan 61, vormt bij elkaar een eenheid van drie lagen uitgerust met plat dak. De baksteenarchitectuur verwijst zichtbaar naar de Nieuwe Haagse School. Het bezit kenmerken die afkomstig zijn van Wright, het kubisme en De Stijl welke hier tot een synthese zijn verweven. Bij elkaar vormt het een harmonisch samengaan van baksteen, beton, betonnen luifels, afgedekte betonnen borstweringen en entreepartijen.

Een van de hoogtepunten uit het verrassende oeuvre van Lourijsen vormt verder het flatgebouw opgetrokken aan de Van Hogenhoucklaan. Het is samengesteld uit twee in elkaars verlengde liggende vleugels die bij het centrale trappenhuis van rooilijn verspringen. Hiermee heeft de ontwerper enerzijds de lengte van de Van Hogenhoucklaan willen benadrukken. Anderzijds verwijst hij naar het gebogen verloop in dit restant negentiende-eeuwse landgoederenstructuur, aanwezig in het Benoordenhout. De spanning die deze subtiele breuk oproept in de lange wand ontvangt nog eens versterking door de fraaie ronde vormen van het trappenhuis dat tussen beide vleugeldelen een hoogteverschil aangeeft: de oostelijke vleugel telt namelijk drie en de westelijke vleugel slechts twee verdiepingen.

Megaproject op de grens van Den Haag en de voormalige gemeente Loosduinen
De Haagse bebouwing benadert rond 1900 de gemeentegrenzen van Loosduinen. In 1902 volgt nabij de Beeklaan de eerste annexatie van Loosduinens grondgebied dat hier de grens vormt tussen de beide gemeenten. Het zelfstandig bestaan van het dorp Loosduinen houdt op te bestaan in 1923, als het in zijn geheel bij Den Haag wordt gevoegd. Het gaat om 216 woningen, garages en winkelhuizen.

Een groot talent en noeste werker met nog grootse plannen in het vooruitzicht, getuige zijn ontwerp voor een flatgebouw met twaalf herenhuizen voor de locatie Van Alkemadelaan – Mildestraat. Het komt, dankzij een negatief uitgebracht advies door de Schoonheidscommissie, jammer genoeg niet tot uitvoering. Fier overeind staan alle overige flatgebouwen en appartementencomplexen. Deze zijn gebouwd voor de elite als luxe woonhotels maar reeds in de dertiger jaren achterhaald door een dalende economische conjunctuur. Als woonfenomeen hebben flatgebouwen een vaste plaats veroverd in het huidige Haagse stadsbeeld. De residentie vervult, met name in deze unieke flatbouwontwikkeling, een pioniersrol. Een aspect gelicht uit de Haagse architectuurgeschiedenis en tot uitdrukking gebracht in deze monografie.
Olympisch Vuur werd bedacht door Nederlandse architect
Berlage en het Kunstmuseum Den Haag – Het gedroomde meesterwerk
Geschiedenis van het Vredespaleis in Den Haag
Het belang van het Binnenhof